Conclusie
Nummer21/04004
Inleiding
Het eerste middel
Stb. 2015, 255) verhoogt naar vijf jaren,
DP] niet overschrijden.” [7]
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor meermalen gepleegde belaging en kreeg onder meer een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd: een contactverbod en gebiedsverbod voor vijf jaren met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis. De verdediging stelde in cassatie twee middelen voor: een over de motivering en duur van de vrijheidsbeperkende maatregel en een over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
De Hoge Raad overwoog dat de motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel toereikend was, mede gelet op de ernst van het gedrag en de psychische kwetsbaarheid van de verdachte. De Raad gaf tevens algemene opmerkingen over de wijze waarop het hof rekening moet houden met de periode waarin de vrijheidsbeperkende maatregel reeds door dadelijke uitvoerbaarheid in eerste aanleg was toegepast. De Raad concludeerde dat het hof bij de duur van de maatregel nog geen aftrek had toegepast van de reeds doorgevoerde periode, maar dat die aftrek bij de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden.
De klacht over overschrijding van de maximale duur van de vervangende hechtenis faalde, omdat het hof de maximale duur correct had vastgesteld. Het tweede middel slaagde echter: de inzendtermijn in cassatie was overschreden, waardoor de taakstraf van honderd uren verminderd moest worden. De overige klachten werden verworpen en de uitspraak van het hof werd in zoverre bevestigd.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de inzendtermijn; de vrijheidsbeperkende maatregel wordt bevestigd met de verplichting tot aftrek van reeds doorgevoerde periode bij tenuitvoerlegging.