Conclusie
DXCrespectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding
2.Feiten
sales executivevoor onbepaalde tijd in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) DXC.
sales executiveseen bonusregeling (hierna:
de Bonusregeling). De berekening van de bonus is gebaseerd op de door de betreffende medewerker behaalde resultaten, in relatie tot een door DXC gesteld target.
account executive– ingeschakeld om hem te helpen bij de ‘renewal’ van een of meer contract(en) met Robeco (hierna:
de Robeco-deal).
3.Procesverloop
Eerste aanleg
.Hij vorderde, samengevat, veroordeling van DXC tot betaling van de volledige bonus, onder aftrek van het betaalde bedrag, te verhogen met de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW Pro) en de wettelijke rente.
het hof). Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot toewijzing van zijn vorderingen, die hij heeft gewijzigd. [5]
het arrest) [6] gewezen. Ik citeer de rechtsoverwegingen die door DXC in cassatie worden bestreden:
het contract moest worden vernieuwd en de vraag was om het proces te gebruiken om binnen het account zaken los te schudden. De marge moest worden verbeterd en Robeco wilden een korting voor elk jaar.
De deal was zeker niet simpel, geen appeltje eitje. Er is expliciet gevraagd om een sales persoon aan te wijzen om de regie te voeren. De complexiteit zit hem in het financiële deel en de breedte van de oplossingen. Het was zeer complex.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
terechte gronden” zijn (zie rov. 3.7). Dit behelst volgens het middel een “
volle” inhoudelijke toetsing van de beslissing van DXC aan art. 7:611 BW Pro. Volgens het middel getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting.
onaanvaardbaarresultaat oplevert of indien geoordeeld moet worden dat DXC misbruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW Pro door tot die uitkomst te komen (in de schriftelijke toelichting onder 29 aangeduid als de ‘onaanvaardbaarheidstoets’). Het middel hanteert als uitgangspunt dat DXC een contractueel bedongen discretionair recht heeft om een bonus geheel of gedeeltelijk toe te kennen.
in redelijkheidheeft kunnen beslissen tot matiging van de bonus (welke variant in de schriftelijke toelichting onder 29 wordt aangeduid als de ‘terughoudende toets’). Dit is een marginale redelijkheidstoets aan art. 7:611 BW Pro, in plaats van de door het hof gehanteerde volle toets. Ook het subsidiaire betoog richt een specifieke klacht tegen rov. 3.10. Het hof had moeten beoordelen of DXC in redelijkheid kon beslissen gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid, mede gelet op het feit dat (anders) sprake zou zijn van een ongebruikelijk hoge bonus.
de wijze waaropDXC gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid de toets van goed werkgeverschap kan doorstaan. Daarbij heeft het hof getoetst aan wat in de literatuur [11] wel wordt aangeduid als ‘
beginselen van goed werkgeverschap’, in het bijzonder aan het zorgvuldigheidsbeginsel (zijn er duidelijke criteria voor de matiging?) en aan het motiveringsbeginsel (is het besluit tot matiging voldoende onderbouwd?). [12]
mate van gestrengheid” van de toetsing door de rechter van haar handelen. [13]
het resultaatwaartoe de werkgever is gekomen bij de uitoefening van zijn contractuele discretionaire bevoegdheid. Slechts indien dat resultaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris, zou de rechter een hoger bedrag mogen toewijzen dan de werkgever heeft toegekend.
[…] /Daniel de Brouwerstichting [15] uit 1991 was aan de orde een beslissing van de werkgever over de indeling van werknemers in functiegroepen. De werknemer verzette zich tegen de voor hem passend geachte indeling. De Hoge Raad verwierp de rechtsklacht van de werknemer dat de kantonrechter ten onrechte het besluit van de werkgever niet ‘vol’ had getoetst, maar slechts had getoetst of de werkgever ‘in redelijkheid’ tot het besluit kon komen en of de gegeven motivering dat besluit kon dragen. Redengevend daarvoor was dat de indeling van werknemers in functiegroepen slechts mogelijk was aan de hand van een weging van een veelheid van factoren, wat zonder een zekere beoordelingsvrijheid van de werkgever niet goed mogelijk was. Een ‘volle’ toetsing strookte daar niet mee. [16]
Nuts/ […] [17] uit 1993 ging het om een werkgever die min of meer ‘out of the blue’ aan de werknemer had meegedeeld dat hij slecht functioneerde. De werknemer vroeg herhaaldelijk om nadere toelichting, maar de werkgever reageerde daar niet op. Dit leidde tot arbeidsongeschiktheid van de werknemer die in verband daarmee schadevergoeding vorderde. Ter onderbouwing daarvan stelde hij dat de werkgever, door geen gevolg te geven aan zijn verzoeken om nadere toelichting over zijn functioneren, had gehandeld in strijd met goed werkgeverschap. De kantonrechter ging mee in het betoog van de werknemer. In cassatie klaagde de werkgever dat de kantonrechter slechts had dienen te toetsen of de werkgever bij afweging van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot zijn beslissing had kunnen komen. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en oordeelde dat de vraag of een werkgever zich heeft gehouden aan de verplichting zich als goed werkgever te gedragen,
in volle omvangonderworpen is aan toetsing door de rechter. De rechter moet bij deze toetsing
rekening houdenmet de aard van de dienstbetrekking en van de overeengekomen arbeid, alsmede met de overige omstandigheden van het geval, maar
ook met de beoordelingsvrijheid die aan een werkgever, gezien de aard van diens onderneming en van de daarin te verrichten werkzaamheden, ten aanzien van de organisatie en inrichting van die werkzaamheden toekomt. [18]
Nuts/ […]ziet op de naleving van procedurele voorschriften bij de totstandkoming van een beslissing, terwijl de toetsing van de inhoud van de beslissing terughoudend dient te zijn. [19] Zo schrijven Bouwens, Bij de Vaate en Duk:
Nuts/ […], waaruit volgt dat ook bij een ‘volle’ toetsing van beslissingen van de werkgever rekening moet worden gehouden met diens beoordelingsvrijheid. Dat noopt in zoverre tot het aan de dag leggen van een zekere mate van terughoudendheid bij de toetsing van de inhoud van de beslissing van de werkgever.
Nuts/ […]] niet ging om een discretionaire bevoegdheid van de werkgever bij de toekenning van een bonus of andere variabele beloning kan het arrest daarop naar onze mening wel van toepassing zijn. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de toets op basis van goed werkgeverschap volledig dient plaats te vinden, waarbij wel rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval en met de beoordelingsvrijheid van de werkgever. Dit betekent naar onze mening dat besluiten van werkgevers om met een beroep op een discretionaire bevoegdheid geen bonus of andere variabele beloning toe te kennen, ook vol dienen te worden getoetst. Dit voorkomt dat weliswaar goed gemotiveerde maar verder onredelijke beloningsbesluiten de toets kunnen doorstaan. (…)
Nuts/ […]niet meebrengt “
dat de toetsing aan de maatstaf van art. 7:611 BW Pro in alle gevallen even streng is. Sterker nog: de verwijzing in dat arrest naar de beoordelingsvrijheid van de werkgever, is juist als aanwijzing gezien dat soms met een marginale toetsing kan worden volstaan.” Dat is juist, en ik wees daar al op in 4.18 en 4.19. Toch meen ik dat dit DXC niet kan baten. Aan de beoordelingsvrijheid van de werkgever zal met name gewicht toekomen bij beslissingen over de organisatie van het werk binnen zijn onderneming. Deze zaak zit voor mijn gevoel eerder aan de andere kant van het spectrum, omdat [verweerder] een contractuele aanspraak heeft op een volledige bonus. Het afwijken daarvan dient te zijn gebaseerd op vooraf vastgestelde criteria [27] (die hier ontbreken) of op omstandigheden van het geval die de beslissing om de bonus te korten moeten kunnen dragen (wat volgens het hof niet het geval is). In ieder geval diende de beslissing om de bonus te matigen van een deugdelijke motivering te zijn voorzien (wat volgens het hof evenmin het geval is).
is ontnomen” (schriftelijke toelichting DXC, onder 13) vermag ik evenmin in te zien. [29] Kennelijk wil de steller van het middel ingang doen vinden dat de discretionaire bevoegdheid van DXC niet meer discretionair is als die bevoegdheid wordt genormeerd door eisen van goed werkgeverschap waaraan de rechter ‘vol’ toetst. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat deze contractueel bedongen discretionaire bevoegdheid buiten toepassing blijft, zodat de werkgever daar geen beroep op kan doen. En dat zou, aldus nog steeds het betoog, alleen mogelijk zijn indien het beroep op de discretionaire bevoegdheid
onaanvaardbaaris, conform het criterium dat geldt voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Nuts/ […]met verwerping van de klacht dat de kantonrechter in die zaak had behoren te oordelen of de werkgever
in redelijkheidtot zijn beslissing kon komen, ten faveure van de hiervoor besproken ‘volle’ toets.
Nuts/ […](zie 4.18 en 4.19).