Conclusie
Nummer21/01464 P
De procedure in cassatie
Kort overzicht van de middelen en de volgorde van bespreking
De hoofdzaak en de grondslag voor ontneming
voorafgaandeaan 28 november 2017. Daarvoor bestaan voldoende aanwijzingen dat zij door de betrokkene is begaan, aldus oordeelt het hof.
Het tweede en derde middel
Het oordeel van het hof
Standpunten verdediging
reden toepassing te geven aan deze matigingsbevoegdheid en overweegt daartoe het volgende.
De in het tweede en derde middel gepresenteerde klachten
Het beoordelingskader van artikel 36e lid 5 Sr
De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet worden genomen. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.”
3.4.1 Op grond van de vierde volzin van artikel 36e lid 5 Sr “kan” de rechter de betalingsverplichting van de betrokkene lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Deze bevoegdheid van de rechter om de betalingsverplichting te matigen is niet beperkt tot specifieke gevallen. Ook op grond van andere omstandigheden dan die verband houden met de draagkracht van de betrokkene, kan de rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. (….) [2]
De beoordeling van het tweede en derde middel
het toebrengen van schade is te zien als ongedaan making van genoten voordeel. Immers het veroorzaken van op geld waardeerbare schade, is een vermindering van genoten financieel voordeel (…) dat hij door de schade door het optreden van justitie geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Met de onderbouwing van de schade heeft cliënt in zijn optiek voldoende aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden en dat door die schade het aannemelijk is dat er geen sprake is van wederrechtelijk en daadwerkelijk genoten voordeel, nu dat voordeel ongedaan is gemaakt.” [5] Die koppeling tussen de gestelde schade en het al dan niet genoten wederrechtelijk verkregen voordeel doet evenwel niet af aan de begrijpelijkheid van de uitleg die het hof aan de stellingen van de verdediging heeft gegeven.
Het vierde middel
In hetgeen door de verdediging is aangevoerd, ziet het hof reden toepassing te geven aan deze matigingsbevoegdheid”, is door een evidente typefout het woordje ‘geen’ weggevallen tussen ‘hof’ en ‘reden’.