ECLI:NL:PHR:2023:320

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
21/01989
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArtikel 4.3.6.3 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens ontbreken pleitnotities in hoger beroep

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken wegens diefstal. In hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte op 22 april 2021 het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities zijn echter niet in het dossier opgenomen dat aan de Hoge Raad is toegezonden.

De raadsman stelde dat het ontbreken van deze pleitnotities het onderzoek ter terechtzitting nietig maakt, omdat hierdoor niet kan worden nagegaan of er meer verweren zijn gevoerd dan in de bestreden uitspraak vermeld. De Hoge Raad concludeert echter dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de pleitnotities aan het hof zijn overgelegd, en dat de griffier slechts een samenvatting van het verweer heeft opgenomen.

Op grond hiervan faalt het middel en wordt het cassatieberoep verworpen. Ambtshalve zijn geen gronden gevonden om de bestreden uitspraak te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het ontbreken van pleitnotities in het dossier.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01989
Zitting28 maart 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 6 mei 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2021 nietig is, aangezien de pleitnotities van de raadsman zich niet (meer) bij de stukken bevinden.
3.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2021 is aldaar door de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“De raadsman voert het woord tot verdediging en doet dit aan de hand van zijn pleitnotities. De raadsman verzoekt het hof de verdachte vrij te spreken en voert aan dat in het dossier een procesverbaal van aanhouding ontbreekt waarin staat dat de verdachten worden overgenomen vanuit de winkel. Het dossier bevat wel een proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden door een verbalisant worden omschreven. In dit proces-verbaal wordt op de meest eenvoudige manier de conclusie getrokken dat een van deze personen de verdachte betreft, zonder dat de betreffende verbalisant zich hier verder over heeft uitgelaten. Terwijl hierdoor de herkenning juist handen en voeten had kunnen krijgen. Door het ontbreken van een duidelijke herkenning van de verdachte is er geen formeel zicht op hoe de aanhouding en overname naar het bureau is verlopen. We kunnen wel invullen hoe dit is gegaan, maar dat maakt de zaak materieel gezien lastig. Ik ben daarom van mening dat uw hof niet de koppeling kan maken tussen mijn cliënt en de persoon die wordt beschreven op de camerabeelden. U kunt de camerabeelden wel naast de foto uit de ID-staat leggen, maar dan ontstaat er een bewijsprobleem, aldus de raadsman.”
3.3
De in dit proces-verbaal van de terechtzitting vermelde pleitnotities bevinden zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden bij brief van 28 maart 2022 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnotities. Desgevraagd heeft de voorzitter van de betrokken strafkamer van het hof bij brief van 10 mei 2022 de Hoge Raad bericht dat niet meer informatie kan worden gegeven dan in het proces-verbaal van de zitting van 22 april 2021 is opgenomen.
3.4
De steller van het middel doet een beroep op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van het ontbreken van de pleitnotities in het dossier. Die rechtspraak komt erop neer dat dergelijk ontbreken van de pleitnotities door de Hoge Raad zozeer in strijd wordt geacht met een behoorlijke procesorde dat dit de nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. [1] De ratio van deze jurisprudentie is dat bij het ontbreken van de pleitnotities in het dossier, waarvan vaststaat dat deze wel zijn overgelegd, de Hoge Raad niet kan nagaan of op de terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan wel of daar meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan waarvan in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt. [2]
3.5
Het middel berust op de opvatting dat de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2021 vermelde pleitnotities aan het hof zijn overgelegd en als gevolg daarvan onderdeel zijn gaan uitmaken van het proces-verbaal of althans tot de stukken van het geding zijn gaan behoren. Het middel mist echter feitelijke grondslag, nu dit niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan worden afgeleid. Daarbij neem ik in aanmerking dat de griffier bij het hof kennelijk aanleiding heeft gezien (een samenvatting van) de inhoud van het ter zitting door de raadsman gevoerde verweer in het proces-verbaal te doen opnemen, hetgeen een indicatie vormt voor de juistheid van de aanname dat een dergelijke overlegging achterwege is gebleven.
3.6
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Verwezen wordt naar HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1138. Zie bijvoorbeeld ook HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1248, HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1366 en HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1648.
2.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (PHR 30 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:751, rechtsoverweging 2.6) voorafgaand aan HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1418 onder verwijzing naar HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:556, HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1964 en HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:243. Zie ook HR 13 januari 2003, NbSr 2004/50 (niet gepubliceerd) en (a contrario) HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1823, waarin de Hoge Raad overwoog: