Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
Ten aanzien van de feiten 2 en 3’ overwogen dat het uit de verklaring van de verdachte afleidt dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van die passen/kaarten in zijn woning, maar dit kan evenwel goed slaan op hetgeen door het hof is bewezenverklaard onder feit 3. Ten laste van de verdachte is onder feit 3 immers bewezenverklaard dat hij voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in art. 226 lid 1 onder Pro 2-5 Sr omschreven misdrijf. Bovendien is de enkele wetenschap van het aanwezig zijn van de passen/kaarten in de woning niet voldoende voor het oordeel dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de passen bestemd zijn voor gebruik als ware deze echt en onvervalst. Daarbij komt dat het missende bestanddeel niet ten laste is gelegd en dus geen onderdeel is geweest van het onderzoek ter terechtzitting, zodat de verdachte ook niet in de gelegenheid is geweest zijn verdediging af te stemmen op deze wetenschap.