Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde en het vijfde cassatiemiddel
Voorts leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond.
In het clubhuis hangt een oorkonde met de tekst ‘Deathhead Purple Heart’. Op de oorkonde staat in het Engels dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof leidt uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘dequiallo’ verdiend kan worden door toegepast geweld door clubleden van Hells Angels richting overheidspersoneel.
Deze term is in het clubhuis op de muur geschilderd. Vier leden van de Hells Angels Haarlem dragen deze patch: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. Dat de patch een andere betekenis zou hebben, zoals door de medeverdachten ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, acht het hof gelet op het navolgende niet aannemelijk. In een afgeluisterd gesprek noemt [betrokkene 1] [betrokkene 3] een slappeling omdat hij nog geen ‘dequiallo’ heeft en zegt dat hij [betrokkene 31] (hof: de wijkagent) in elkaar moet stompen. In de arrestantenbus op 26 januari 2017 zegt [betrokkene 3] dat ze voor zijn neus stonden en dat hij dacht aan ‘dequiallo’. Ook in een ander gesprek zegt [betrokkene 3]: “Als ik aangehouden word, ga ik voor dequiallo.” Ten slotte heeft [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verzet bij arrestatie een betekenis van ‘dequiallo’ is.
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr Pro is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
5 juli 2022.