ECLI:NL:PHR:2023:36

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
22/04028
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:2 lid 1 onder a WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 7:8 WvggzArt. 5:17 lid 3 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbegrijpelijke toepassing Wvggz in plaats van Wzd bij voortzetting crisismaatregel bij multiproblematiek

In deze zaak is door betrokkene cassatie ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant die een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wvggz heeft verleend. De betrokkene heeft een ernstige neurocognitieve stoornis en schizofrenie in remissie, met een uitgebreide vorm van dementie die valt onder de Wet zorg en dwang (Wzd).

De burgemeester had op 8 september 2022 een crisismaatregel genomen vanwege het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel dat bestond uit herhaald vallen met ernstig lichamelijk letsel, mede veroorzaakt door de psychogeriatrische aandoening. De rechtbank verleende op 12 september 2022 de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, ondanks het verweer van de advocaat dat de Wzd van toepassing was.

De Procureur-Generaal concludeert dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is omdat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door een psychogeriatrische aandoening en niet door een psychische stoornis, zodat de Wzd van toepassing is. De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing.

De zaak benadrukt het belang van de juiste toepassing van het wettelijke kader bij multiproblematiek en de noodzaak dat een deskundige arts vaststelt welke problematiek op de voorgrond staat. Ook wordt het onderscheid tussen de Wvggz en de Wzd in crisissituaties en de voorwaarden voor onvrijwillige zorg besproken.

Uitkomst: De conclusie adviseert vernietiging van de beschikking en terugwijzing vanwege onbegrijpelijke toepassing van de Wvggz in plaats van de Wzd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04028
Zitting6 januari 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
Verzoekster tot cassatie,
Advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
De Officier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant,
Verweerder in cassatie,
Niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze zaak wordt in cassatie geklaagd dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank een machtiging heeft verleend op basis van de Wvggz. De rechtbank heeft geoordeeld dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag van betrokkene dat voortvloeit uit een psychische stoornis maar volgens het middel volgt uit de stukken dat betrokkene een uitgebreide vorm van dementie heeft, hetgeen een psychogeriatrische stoornis is waardoor de Wzd van toepassing is.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Op 8 september 2022 heeft de burgemeester van de gemeente Vught op grond van art. 7:1 Wvggz Pro een crisismaatregel genomen ten aanzien van betrokkene. Met de uitvoering van de maatregel is [verblijfplaats] belast. In zijn beschikking verwijst de burgemeester naar een op dezelfde dag uitgebrachte medische verklaring van de [psychiater] . De burgemeester vermeldt, in overeenstemming met rubriek 4.d in die verklaring, als zorg die noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene.
2.2
In rubriek 2.d van de medische verklaring is als vermoedelijke diagnose gesteld: ernstige neurocognitieve stoornis, schizofrenie in remissie. De rapporterende psychiater heeft vervolgens in de DSM-afgeleide classificatie aangekruist: “Neurocognitieve stoornissen (o.a. dementie en delier)”. In rubriek 3.c (onmiddellijk dreigend ernstig nadeel) heeft de psychiater het volgende vermeld:
“(…) Gedurende het gesprek spreekt ze zichzelf tegen en kan ze niet onderbouwen waarom ze iets wel/niet wil. Haar geheugen is slecht.
Anderhalve week geleden gevallen met heupfractuur en ribfractuur waarvoor opname met operatie in ziekenhuis. Tijdens ziekenhuisopname ook meermaals gevallen. Sinds 7-9 retour uit ziekenhuis en opnieuw gevallen. Vannacht wederom 2x gevallen toen ze 's nachts uit bed ging omdat ze wilde roken (van [de verpleegkundige] / dossier).”
2.3
Over de maatregelen ter afwending van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel heeft de psychiater in rubriek 4.c nog opgemerkt:
“Patiënte wordt niet wilsbekwaam ingeschat. Ze spreekt zichzelf regelmatig tegen en daarom kan dit niet vrijwillig. Bij doorvragen geeft ze aan dat tentbed wil en haar huidige bed wil behouden.”
2.4
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Oost-Brabant ingekomen op 9 september 2022, heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene te verlenen voor de vormen van zorg zoals die ook al in de crisismaatregel worden genoemd.
2.5
Op 12 september 2022 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de [psychiater] en de verpleegkundige gehoord.
2.6
Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene zich op het standpunt gesteld dat de Wvggz niet het juiste juridische kader is voor het verzoek en dat de Wzd had moeten worden toegepast.
2.7
Bij mondelinge uitspraak van 12 september 2022 heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 3 oktober 2022 voor de in het verzoekschrift opgenomen vormen van zorg. Ten aanzien van het verweer van de advocaat heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is
gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig
nadeel, door het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Betrokkene is afgelopen weken meermaals gevallen. Recent is betrokkene gevallen met
heupfractuur en ribfractuur als gevolg, waarvoor opname met operatie in ziekenhuis
noodzakelijk was. Tijdens ziekenhuisopname en daarna is betrokkene ook meermaals
gevallen. Zij heeft de neiging om ’s nachts te roken en dan bestaat het risico dat ze valt.
Vanwege haar psychische stoornis is betrokkene niet te instrueren om niet haar bed uit te
gaan zonder hulp. Het valrisico is nu beperkt met een tentbed.
Anders dan de advocaat heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het ernstige
vermoeden bestaat dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag van betrokkene dat
voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van ernstige neurocognitieve stoornis en
schizofrenie in remissie.”
2.8
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
In HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012 (rov. 3.1.3), is beslist dat in beginsel beroep in cassatie openstaat tegen de beslissing van de rechter inzake de crisismaatregel of de voortzetting daarvan.
Het tijdvak waarvoor de onderhavige machtiging is verleend is inmiddels verstreken. Naar vaste rechtspraak sinds 2011 [1] is die laatste omstandigheid geen beletsel voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. [2]

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend op basis van de Wvggz. Het middel stelt dat de stoornis van betrokkene een uitgebreide vorm van dementie is en dat dit een psychogeriatrische aandoening is die valt onder de Wzd. Het is volgens het middel dan ook onbegrijpelijk dat de rechtbank overweegt dat het ernstig vermoeden bestaat dat het ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt door het gedrag van betrokkene voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van ernstige neurocognitieve stoornis en schizofrenie in remissie.
4.2
In crisissituaties, waarin er geen tijd is om de procedure voor een rechterlijke machtiging af te wachten, kan zowel onder de Wvggz als onder de Wzd direct worden ingegrepen. Op grond van de Wvggz kan de burgemeester een crisismaatregel nemen en op grond van de Wzd een inbewaringstelling.
4.3
De burgemeester kan onder de Wvggz een crisismaatregel afgeven wanneer aan een aantal eisen is voldaan. Art. 7:1, lid 1 Wvggz vereist voor een crisismaatregel dat sprake is van: (a) onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, (b) een ernstig vermoeden dat het gedrag van een persoon als gevolg van een vermoedelijk aanwezige psychische stoornis dreigend ernstig nadeel veroorzaakt en (c) de crisismaatregel het ernstig nadeel kan wegnemen. Ingevolge art. 7:2, lid 1 onder a, Wvggz vermeldt de burgemeester in de crisismaatregel “de zorg die noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden”. Op de voet van art. 7:7 en Pro 7:8 Wvggz bepaalt de rechter in een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel welke vorm van verplichte zorg ten hoogste mag worden verleend gedurende de looptijd van de machtiging. De behandelend psychiater bepaalt welke zorg concreet wordt verstrekt binnen het door de machtiging bepaalde kader. Anders dan bij een verzoekschrift tot het verlenen van een zorgmachtiging (art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro), behoeft de officier van justitie bij het verzoekschrift tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel geen zorgplan aan de rechtbank over te leggen (zie art. 7:8 lid 2 Wvggz Pro). In deze vroege fase is dikwijls nog geen zorgplan vastgesteld.
4.4
In de Wzd is de inbewaringstelling geregeld in art. 29 Wzd Pro. Een inbewaringstelling is aan de orde als een cliënt zich verzet tegen een opname, het ernstig nadeel onmiddellijk dreigend is, een ernstig vermoeden bestaat dat het ernstige nadeel wordt veroorzaakt door het gedrag van de persoon als gevolg van zijn verstandelijke beperking, psychogeriatrische aandoening of een daarmee gepaard gaande psychische stoornis dan wel een combinatie ervan, de inbewaringstelling noodzakelijk en geschikt is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en er geen minder ingrijpende alternatieven zijn om het ernstige nadeel af te wenden. Het is de verantwoordelijkheid van het CIZ om – als dat volgens het CIZ aangewezen is – een verzoek bij de rechter in te dienen tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.
4.5
Zoals volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2020 [3] kan een persoon zowel een psychische stoornis als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap hebben. Er wordt dan gesproken van “multi-problematiek”. Bij de beoordeling welk regime in dat geval van toepassing is, dient blijkens de wetsgeschiedenis te worden vastgesteld welke problematiek (psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap) op het moment van beoordeling ‘voorliggend is’. De problematiek die op de voorgrond staat bepaalt de actuele zorgbehoefte, waarbij ook de continuïteit van de zorg in een vertrouwde omgeving in aanmerking moet worden genomen. [4] Welke problematiek op het moment van beoordeling op de voorgrond staat en daarmee de actuele zorgbehoefte bepaalt, moet worden vastgesteld door een ter zake kundige arts.
4.6
In de onderhavige zaak is op grond van de Wvggz een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel gevraagd. Een psychiater heeft betrokkene onderzocht en de medische verklaring opgemaakt. De psychiater is tot de (vermoedelijke) diagnose “ernstige neurocognitieve stoornis, schizofrenie in remissie” gekomen. Bij de DSM-afgeleide classificatie heeft de psychiater aangekruist: “neurogonitieve stoornissen (o.a.) dementie en delier)”.
4.7
De psychiater heeft in de medische verklaring aangegeven dat het ernstig nadeel bestaat uit:
“Opnieuw vallen bij neiging tot roken ’s nachts. Pte is vanwege vergevorderde dementie niet te instrueren.”
Ter zitting heeft de psychiater over de stoornis en het ernstig nadeel nog het volgende opgemerkt:
“(…) Ik kan wel wat meer over de rode lijn vertellen. [betrokkene] is in het verleden bekend met schizofrenie en heeft een uitgebreide vorm van dementie. De schizofrenie is momenteel afgezwakt. Het is nog wel een neurocognitieve stoornis. Betrokkene gaat binnenkort ook naar een verpleegtehuis. Haar zoon gaat daarvoor binnenkort kijken.
Betrokkene valt erg veel. Ze heeft onlangs haar heup en rib gebroken door een val. Overdag kunnen we meer één op één aandacht bieden. Daarmee kunnen we het vallen voorkomen. Ze heeft momenteel ook een rolstoel met een valblad. In de nacht kunnen we die één op één aandacht niet bieden en is het maken van afspraken met betrokkene moeilijk. De verleiding kan ze in de nacht moeilijk weerstaan. Het is ook niet mogelijk om dit haar opnieuw aan te leren. Door haar stoornis is ze niet te instrueren. De ergotherapeut heeft ook mee nagedacht, maar ook daar is niets uitgekomen. Overdag is ze ook regelmatig gevallen, maar nu kunnen we dat door de extra begeleiding en het valblad ondervangen.”
4.8
Hieruit volgt dat betrokkene zowel bekend is met een psychische stoornis als met een psychogeriatrische aandoening. De psychiater heeft toegelicht dat de schizofrenie is afgezwakt, maar dat het nog wel een neurocognitieve stoornis is. Dit is een stoornis die valt onder de Wvggz. Daarnaast is sprake van dementie. Dit is een aandoening die valt onder de Wzd. De vraag is wat het ernstig nadeel in de onderhavige zaak veroorzaakt.
4.9
Niet in geschil is dat het ernstig nadeel bestaat uit ernstig lichamelijk letsel door vallen. De psychiater heeft in de medische verklaring opgenomen dat betrokkene ‘s nachts haar bed uit komt met het risico op vallen en dat zij door de dementie niet meer te instrueren is. M.i. volgt hieruit dat door de dementie niet te voorkomen is dat betrokkene haar bed uit komt met het risico dat ze valt. Dementie is echter geen psychische stoornis, maar een psychogeriatrische aandoening. Uit de stukken volgt ook niet dat er sprake is van een psychische stoornis waardoor betrokkene ’s nachts haar bed uitkomt om te gaan roken. Het ernstig nadeel lijkt dus veroorzaakt te worden door een psychogeriatrische aandoening zodat de Wvggz niet van toepassing is. Het oordeel van de rechtbank dat het ernstig nadeel veroorzaakt wordt door een psychische stoornis is dan ook onbegrijpelijk. Ook volgt uit het dossier niet dat de continuïteit van zorg in een voor de patiënt vertrouwde omgeving een reden is geweest om betrokkene verplichte zorg op grond van de Wvggz te verlenen. De klacht slaagt.
4.1
Ten overvloede merk ik verder nog het volgende op. Volgens de Wvggz dient alle onvrijwillige zorg (waaronder een verplichte opname), in de Wvggz ‘verplichte zorg’ genoemd, voorafgaand door de rechter te worden getoetst, waar volgens de Wzd alleen de onvrijwillige opname eerst door een rechter moet worden beoordeeld. [5] In de Wzd vormt het zorgplan de basis voor de aan een betrokkene te verlenen zorg. Art. 6 Wzd Pro bepaalt dat aan een betrokkene alleen zorg mag worden verleend die in het zorgplan is opgenomen. Nu het zorgplan pas uiterlijk na zes weken hoeft te zijn opgesteld, kan in de (maximaal) zes weken na aanvang van zorg ook zorg worden verleend die niet in het zorgplan is opgenomen. Het moet dan wel gaan om zorg waarmee de betrokkene of de vertegenwoordiger heeft ingestemd of waarmee de betrokkene die (nog) geen vertegenwoordiger heeft redelijkerwijs geacht wordt in te stemmen. Ook mag er geen sprake zijn van verzet. Onvrijwillige zorg mag in deze eerste periode zonder zorgplan niet worden verleend, tenzij er sprake is van een noodsituatie (art. 15 Wzd Pro). Voorwaarde voor het verlenen van zorg in onvoorziene situaties of noodsituaties is dat de zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen én dat in de betreffende situatie niet kan worden afgewacht. [6] Ter zitting heeft de rechtbank terecht opgemerkt dat zonder een machtiging tot opname de rechter op grond van de Wzd betrokkene niet kan beperken in haar bewegingsvrijheid. Onder het regime van de Wzd had echter ook zonder machtiging tot opname en zonder zorgplan in een noodsituatie een beperking kunnen worden aangebracht in de bewegingsvrijheid van betrokkene. Om deze onvrijwillige zorg vervolgens te kunnen blijven verlenen dient deze zorg te worden opgenomen in het zorgplan.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 september 2022 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann; JVggz 2011/28 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.6 e.v. en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2996 NJ 2014/483; JVggz 2014/38 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.4.2.
2.Zie EHRM 7 juni 2011, 277/05, NJ 2012/207 m.nt. T. Schalken (S.T.S./Nederland), punt 61. Zie over het recht op een retrospectief oordeel over de rechtmatigheid van een vrijheidsbeneming ook: HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2996, NJ 2014/483; JVggz 2014/38 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.4.2.
3.ECLI:NL:HR:2020:1271, NJ 2020/398 m.nt. J. Legemaate.
4.Kamerstukken I 2019/20, 32 399 en 31 996, N, p. 3 en Kamerstukken II 2019/20, 35 370 en 32 399, nr. 2, p. 18 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1271, NJ 2020/398 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.1.3.
5.B.J.M. Frederiks en S.M. Steen, De Wet zorg en dwang, Handleiding voor de praktijk, Sdu, Den Haag 2020, pag. 16.
6.B.J.M. Frederiks en S.M. Steen, De Wet zorg en dwang, Handleiding voor de praktijk, Sdu, Den Haag 2020, pag. 48.