Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
intramurale zorgverlenen aan personen met een verstandelijke beperking en ingevolge art. 11(1)f Wet OB en – kortweg – post b.13 voor zover de zorginstellingen
extramurale zorgverlenen. Het legt aan zijn oordeel ten grondslag dat de beoordeling of de diensten worden verricht door een ‘erkende inrichting’ of een ‘erkende instelling van sociale aard’ als bedoeld in de genoemde vrijstellingsbepalingen moet plaatsvinden op het niveau van de fiscale eenheid en niet op het niveau van het lid van de fiscale eenheid dat de diensten verricht.
intramurale zorgverlenen. De werkzaamheden vormen volgens de Rechtbank, zowel bezien vanuit de positie van de in de instelling opgenomen personen als vanuit de positie van de zorginstelling als contractuele afnemer, naar hun aard een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel van het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen. De Rechtbank overweegt verder onder verwijzing naar art. 11(2) Wet OB dat de vrijstelling van art. 11(1)c Wet OB van toepassing is voor zover geen winst wordt beoogd. Belanghebbende heeft, naar het oordeel van de Rechtbank, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, gesteld dat zij [4] geen winst beoogt en dat eventuele exploitatieoverschotten die ontstaan worden gebruikt voor het ontwikkelen van innovatieve diensten op het gebied van de verleende 24-uursdiensten.
extramurale zorgverlenen, oordeelt de Rechtbank dat deze diensten niet vallen onder het toepassingsbereik van art. 11(1)g.1°(a) Wet OB. Volgens de Rechtbank maakt belanghebbende niet aannemelijk dat de diensten worden verricht door beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep als genoemd in die bepaling. Het opleidingsniveau waarover de centralisten beschikken voldoet niet, omdat zij daarmee niet in aanmerking komen voor de zogenoemde BIG-registratie. Dat bij opvolging van alarmsignalen professionele hulp- en zorgverleners kunnen worden ingeroepen maakt dit niet anders, nu de centralisten niet zelf BIG-gediplomeerd zijn en alleen als zij daartoe aanleiding zien de hulp van een BIG-gediplomeerde kunnen inroepen.
extramurale zorgverlenen, niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting, de Inspecteur tegen het oordeel dat de 24-uursdiensten voor externe zorginstellingen die
intramurale zorgverlenen wel zijn vrijgesteld.
intramurale zorgverlenen en de vrijstelling van art. 11(1)f Wet OB in samenhang met art. 7 Uitvoeringsbesluit Pro omzetbelasting 1968 (Uitv.besl. OB) en Bijlage B, letter b, post 13, bij het Uitv.besl. OB voor zover de 24-uurdiensten worden verricht aan externe zorginstellingen die
extramurale zorgverlenen. Aan deze oordelen legt het Hof ten grondslag dat de beoordeling van de vraag of de vrijstellingen van art. 11(1)c en art. 11(1)f Wet OB van toepassing zijn, moet plaatsvinden op het niveau van de fiscale eenheid en niet op het niveau van het lid van de fiscale eenheid dat de diensten verricht.
extramurale zorgverlenen, zijn vrijgesteld van omzetbelasting op de voet van art. 11(1)f Wet OB in samenhang gelezen met art. 7(1) Uitv.besl. OB en de daarbij behorende bijlage B, post b.13. Het middel betoogt onder meer dat voor de genoemde vrijstelling de instelling ‘als zodanig’ moet handelen en verwijst in verband daarmee naar een arrest van de Hoge Raad van 21 september 1988. [6] Met zijn oordeel onder 4.31 heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het handelen ‘als zodanig’ als bedoeld in de aanhef van letter b, Bijlage B Uitv.besl. OB door in strijd met voornoemd arrest te toetsen of de activiteit karakteristiek is voor het soort instelling dat post b.13 beschrijft.
middel I: Belanghebbende stelt dat de toets of een vrijstelling van toepassing is op het niveau van de fiscale eenheid dient plaats te vinden. Het Hof heeft daarom in zijn uitspraak de juiste maatstaf aangelegd. Mocht de Hoge Raad oordelen dat het Hof de toepassing van de vrijstellingen van art. 11(1) c en art. 11(1)f Wet OB ten onrechte heeft beoordeeld op het niveau van de fiscale eenheid, dan is belanghebbende van mening dat de 24-uursdiensten aan externe zorginstellingen die
intramurale zorgverlenen handelingen zijn die nauw samenhangen met het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen als bedoeld in art. 11(1)c Wet OB en dat de diensten aan externe zorginstellingen die
extramurale zorgverlenen zijn vrijgesteld op basis van art. 11(1)f Wet OB, al dan niet in samenhang met post b.13.
middel II: Belanghebbende is het niet eens met de uitleg die de Staatssecretaris geeft aan de woorden ‘als zodanig’ in de aanhef van letter b van Bijlage B behorend bij het Uitv.besl. OB.
middel III: Belanghebbende meent dat concurrentieverstoring niet een relevant criterium is bij de beoordeling van post b.13 en mocht de Hoge Raad anders oordelen, dan voldoet zij aan die voorwaarde.
middel I, dat in hoofdzaak neerkomt op de vraag of een vrijstelling op het niveau van fiscale eenheid of op het niveau van afzonderlijk lid van de fiscale eenheid moet worden getoetst. Ik concludeer dat het middel slaagt. Niet de fiscale eenheid maar enkel de leden van de fiscale eenheid verrichten prestaties in het economische verkeer en kunnen voor hun prestaties worden erkend als inrichting of instelling als bedoeld in de in geding zijnde vrijstellingsbepalingen. De status van erkende inrichting of erkende instelling werkt niet door naar de andere leden van de fiscale eenheid of naar de eenheid als geheel.
middelen II en III.
Objectbenadering (fiscale eenheid) of subjectbenadering (lid van de fiscale eenheid) (middel I)
Ampliscientifica en Amplifin [7] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) overwogen dat de entiteiten die de fiscale eenheid vormen hun individuele status van belastingplichtige verliezen. Daaraan wordt het gevolg toegedicht dat handelingen tussen onderdelen van de btw-groep handelingen worden die binnen één belastingplichtige plaatsvinden, zodat deze niet aan de heffing van btw zijn onderworpen. De onderlinge handelingen worden enkel voor toepassing van de btw genegeerd.
Finanzamt T [8] , waarover meer in 2.12. [9] Wel verdient de doelstelling waarmee de fiscale eenheid – in Unierechtelijke termen: de btw-groep – in het leven is geroepen, bespreking.
Kaplan International colleges UK [14] onderzoekt A-G Kokott wat de verhouding is van de leden van de btw-groep ten opzichte van die groep. In dit verband schrijft zij, onder meer, dat de door art. 11 Btw Pro-richtlijn geboden mogelijkheid om meerdere nauw met elkaar verbonden personen tezamen als een belastingplichtige aan te merken niets afdoet aan de civielrechtelijke zelfstandigheid van de rechtspersonen die tot een btw-groep zijn toegetreden. [15] Zij vervolgt dat dit in lijn is met de strekking en het doel van de door art. 11 Btw Pro-richtlijn geboden mogelijkheid om een btw-groep op te richten, nu dat art. voornamelijk een administratieve vereenvoudiging voor de belastingplichtigen en de belastingdienst beoogt. [16] Volgens de A-G impliceert dit dat art. 11 Btw Pro-richtlijn uitsluitend ziet op de verhouding van de belastingplichtige (en de nauw met hem verbonden personen) tot de belastingdienst. Vanuit het btw-oogpunt, zo vervolgt zij, wordt ten behoeve van de belastingdienst slechts een fictieve belastingplichtige in het leven geroepen aan wie alle handelingen van de groep worden toegerekend. De btw-groep kan volgens A-G Kokott niet naar buiten treden als een zelfstandige rechtspersoon. Het wegvallen van de hoedanigheid van zelfstandige rechtspersoon voor btw-doeleinden blijft derhalve uitsluitend beperkt tot de verhouding tussen de nauw verbonden vennootschappen en de belastingdienst. [17]
Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie [18] dat belastingplichtigen die tot een btw-groep behoren ook individueel belastingplichtig blijven. Volgens A-G Medina houdt dit mede in dat op elk lid afzonderlijk btw-verplichtingen rusten. In de praktijk moet de belastingdienst één enkele btw-aangifte ontvangen die neerkomt op een cumulatie van de individuele aangiften van alle tot de groep behorende belastingplichtigen, aldus de A-G. [19] Net als A-G Kokott, vindt ook A-G Medina dat de btw-groep enkel in het leven is geroepen met het oog op vereenvoudiging van de btw-behandeling van de (leden van de) btw-groep, dus in de verhouding btw-groep en belastingdienst.
Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie [22] aan bij de analyse van A-G Medina voor deze zaak (en A-G Kokott in
Kaplan):
Organschaft) verschilt van de manier waarop de fiscale eenheid voor de omzetbelasting in Nederland is vormgegeven, zijn deze overwegingen van het Hof van Justitie ook voor de Nederlandse fiscale eenheid van belang. Een btw-groep kan worden omschreven als een ‘fictie’ die is gecreëerd voor btw-doeleinden, waarbij de economische realiteit voorrang krijgt op de rechtsvorm. [23] Het Hof van Justitie beschrijft dat in Duitsland een overkoepelend orgaan is aangewezen om de groep jegens de belastingdienst te vertegenwoordigen. In Nederland wordt een nieuwe belastingplichtige (de fiscale eenheid) gecreëerd voor deze vertegenwoordiging. Het bestaan van de fictie op het niveau van de fiscale eenheid betekent daarmee niet dat de leden van die eenheid geen zelfstandige economische activiteiten meer verrichten.
Finanzamt T. [24] Dat arrest gaat over een publiekrechtelijke stichting S die naast belastbare prestaties overheidstaken uitvoert. Zij vormt een btw-groep met een vennootschap die schoonmaakwerkzaamheden verricht. De schoonmaakwerkzaamheden verricht zij voor de stichting, die deze werkzaamheden mede gebruikt voor het verrichten van de overheidstaken. Hoewel de diensten binnen de btw-groep worden verricht en dan normaliter voor de heffing van btw worden genegeerd, wilde de Duitse fiscus btw heffen op de dienstverlening van het schoonmaakbedrijf op de grond dat deze diensten voor andere dan bedrijfsdoeleinden waren bestemd, namelijk voor het verrichten van de overheidstaken, een en ander op basis van art. 6(2)b Zesde richtlijn. Die bepaling schrijft voor dat met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het verrichten van diensten door een belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden. Het Hof van Justitie oordeelt dat geen sprake kan zijn van fictieve diensten, omdat de schoonmaakwerkzaamheden tegen vergoeding worden verricht:
Norddeutsche Gesellschaft für Diakonieoverweegt – hiervoor aangehaald in 2.10 – zijn het de entiteiten die de fiscale eenheid vormen die zelfstandig de economische activiteiten verrichten. De fiscale eenheid is een fictie en enkel in het leven geroepen ter voorkoming van misbruik en voor vereenvoudiging van de verhouding tussen belastingplichtigen en de belastingdienst. Daarmee verwerft de fiscale eenheid dus niet een hoedanigheid waarmee het aan het economische verkeer kan deelnemen. Aan toetsing van de vrijstellingsbepalingen op het niveau van de fiscale eenheid kan dus niet worden toegekomen.
Gregg. [27] Ook dat verweer treft geen doel. Ik licht dat hierna toe.
Bulthuis-Griffioen/Inspecteur der Omzetbelasting [28] behandelt het Hof van Justitie de vraag of een natuurlijke persoon die een onderneming drijft, kan worden aangemerkt als een ‘instelling’ in de zin van de voorloper van art. 132(1)g Btw-richtlijn. Deze vrijstelling stelt vrij van btw diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend. Het gaat in de zaak die aan het Hof van Justitie werd voorgelegd om de vraag of alleen rechtspersonen zich op deze vrijstelling kunnen beroepen. Deze vraag is ook relevant voor de voorliggende zaak, nu de fiscale eenheid weliswaar belastingplichtig is voor de omzetbelasting, maar geen rechtspersoon is. Volgens vaste rechtspraak zijn de vrijstellingen van art. 132 Btw Pro-richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen en dat heeft volgens het Hof van Justitie eveneens te gelden voor de specifieke voorwaarden die aan deze vrijstellingen worden gesteld en, in het bijzonder, voor de voorwaarden betreffende de hoedanigheid of de identiteit van de ondernemer die vrijgestelde diensten verricht. [29] Het Hof van Justitie voegt daaraan toe dat de bewoordingen van de vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, nu de vrijstellingen afwijken van het algemene beginsel dat omzetbelasting wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Dit gegeven, tezamen met het gegeven dat een aantal vrijstellingsbepalingen uitdrukkelijk naar het begrip ‘instelling’ verwijst, terwijl een dergelijke precisering voor andere vrijstellingen ontbreekt, leidt het Hof van Justitie tot het oordeel dat alleen rechtspersonen, en geen natuurlijke personen, een beroep kunnen doen op de vrijstelling.
Gregg [30] gaat het Hof van Justitie in op de vraag of de voorloper van art. 132 Btw Pro-richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de uitdrukkingen “andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard” en “andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” als genoemd onder b) respectievelijk onder g) van deze bepaling, natuurlijke personen die een onderneming exploiteren van de vrijstelling uitsluiten. Het Hof van Justitie oordeelt in die zaak, anders dan in
Bulthuis-Griffioen/Inspecteur der Omzetbelasting, dat uit de verschillende benamingen van economische subjecten (inrichtingen of organisaties) in de vrijstelling niet moet worden afgeleid dat alleen rechtspersonen in aanmerking komen voor de vrijstelling. Deze termen zijn namelijk ruim genoeg om ook natuurlijke personen te omvatten, aldus het Hof van Justitie. [31]
3.Kunnen de 24-uursdiensten vrijgesteld van omzetbelasting plaatsvinden?
intramurale zorgverlenen een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel van het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen moeten worden aangemerkt en aldus zijn vrijgesteld op grond van art. 11(1)c Wet OB. Voor zover de 24-uursdiensten worden verricht aan externe zorginstellingen die
extramurale zorgverlenen, kunnen deze diensten naar het oordeel van de Rechtbank niet onder een vrijstelling van omzetbelasting worden geschaard. De Inspecteur komt in hoger beroep op tegen het eerste oordeel, belanghebbende tegen het tweede.
intramurale zorgverlenen onder de vrijstelling van art. 11(1)c Wet OB?
extramurale zorgverlenen onder de vrijstelling van art. 11(1)g.1° Wet OB?
2. Juridisch kader.
extramurale zorgverlenen. Zij betoogt dat de dienstverlening van de BV is vrijgesteld op de voet van art. 11(1)f Wet OB in samenhang met art. 7 Uitv Pro.besl. OB. Ik kom daarop terug bij de bespreking van het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende.
24-uursdiensten onderdeel van de zorgprestatie?
extramuralezorg verlenen, zijn vrijgesteld van omzetbelasting als een ‘onderdeel van de zorgprestatie’ die de zorginstelling aan de cliënt verricht. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het arrest
Verigen Transplantation Service International [46] en het besluit van de staatssecretaris van 29 maart 2016. [47] Gelet op de verwijzing naar dit arrest en het besluit, houdt belanghebbendes betoog in dat de 24-uursdiensten die de BV verricht moeten worden aangemerkt als ‘een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar onderdeel’ van de zorgprestatie die de zorginstellingen aan hun cliënten, de gecontracteerde personen met een verstandelijke beperking, verrichten.
intramurale zorgverlenen een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel van het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen moeten worden aangemerkt.
Verigen-criterium bespreek, merk ik op dat dit een ander criterium is dan het ‘nauwe samenhang’-criterium dat het Hof heeft beoordeeld (zie hiervóór 3.14). Als een prestatie een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel is van een procedé dat in zijn geheel ‘gezondheidskundige verzorging van de mens voor therapeutische doeleinden’ is, is die prestatie in wezen zelf ‘medische verzorging’ als bedoeld in art. 132(1)c Btw-richtlijn. De dienstverrichter geniet voor die diensten dan een ‘eigen vrijstelling’ voor medische verzorging. [48] Erkenning als medische inrichting is niet vereist.
Verigen Transplantation Service Internationalheeft geleid, staat een samenwerking tussen een biotechnologische onderneming (VTSI) en artsen/ziekenhuizen centraal. VTSI onderzoekt, ontwikkelt, produceert en verkoopt technologische procedés voor de diagnose en therapie van weefselziekten bij de mens, in het bijzonder kraakbeenziekten. De arts of het ziekenhuis zendt bij een patiënt afgenomen kraakbeenmateriaal naar VTSI, die op haar beurt het kraakbeenmateriaal bewerkt en vermeerdert, zodat een ‘kraakbeenpleister’ ontstaat. VTSI zendt dat product terug naar de arts die of het ziekenhuis dat het bij de patiënt implanteert. In geschil is de vraag of deze diensten ‘gezondheidskundige verzorging van de mens’ in de zin van de medische vrijstelling vormen.
Verigen Transplantation Service International, over een persoon die in nauwe samenwerking met, en onder verantwoordelijkheid van de behandelend (plastisch) chirurg wijnvlekken en brandwonden behandelt en littekencorrecties en dergelijke toepast: [49]
Verigen-criterium erop aan of de 24-uursdiensten een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel vormen van de gezondheidskundige behandeling van de mens met een therapeutisch doel. Gelet op de standpunten die partijen hebben ingenomen in de hoger beroepen (zie 3.1), moet deze beoordeling zowel plaatsvinden voor de diensten verricht aan externe zorginstellingen die
intramuralezorg verlenen als voor die verricht aan externe zorginstellingen die
extramuralezorg verlenen.
essentieel en kenmerkend onderdeelzijn van de verrichte zorg aan de cliënt. Zij beroept zich op een besluit van 6 februari 2010. [52] Onderdeel 1 van dat besluit vermeldt in de eerste alinea:
SDC/Skatteministeriet [56] ,
Abbey National [57] ,
GfBk [58] en
Nordea Pankki Suomi. [59] Het ligt in de rede bij de uitleg van de woorden “een afzonderlijk geheel vormen en die kenmerkend en essentieel zijn voor de verzorging en verpleging van in de inrichting opgenomen personen” aansluiting te zoeken bij deze rechtspraak.
extramurale zorgverlenen niet wezenlijk verschilt van de diensten die verleend worden aan externe zorginstellingen die
intramurale zorgverlenen. [60] De 24-uursdiensten kunnen dus zonder onderscheid worden gebruikt voor beide soorten zorg. Die vaststelling impliceert dat de 24-uursdiensten niet kenmerkend en essentieel zijn voor de verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen. [61]
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
. Dit vloeit voort uit het feit dat inmiddels is gebleken dat commerciële aanbieders van deze prestaties concurrentieverstoring ervaren als gevolg van een ongelijke btw-behandeling. Commerciële aanbieders worden namelijk in de btw-heffing betrokken omdat de vrijstellingsbepaling van het hiervoor genoemd artikel 11, eerste lid, onderdeel f, onder meer als voorwaarde stelt dat geen winst wordt beoogd. Inperking van de vrijstelling voorkomt deze concurrentieverstoring.(…)”
4.De betekenis van de woorden ‘als zodanig’ (middel II)
5.Verstoring van concurrentieverhoudingen (middel III)
intramurale zorgverlenen niet is vrijgesteld van omzetbelasting op de grond dat sprake is van verstoring van concurrentieverhoudingen, dan wel dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is.
middel Islaagt, dat de overige middelen geen behandeling behoeven en dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. In mijn ogen kan de uitspraak van de Rechtbank ook niet in stand blijven en dient het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond te worden verklaard.