Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
onderdeel 2schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties.
Onderdeel 3geeft het geding in cassatie weer. In
onderdeel 4onderzoek ik vervolgens of het Hof de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak ontwikkelde regels voor de samengestelde prestatie juist heeft toegepast. In
onderdeel 5bespreek ik of de vrijstelling van art. 11(1)g.2° Wet OB in dit geval toepassing kan vinden. Vervolgens behandel ik in
onderdeel 6deze laatste vraag voor de sociaal-culturele vrijstelling van art. 11(1)f Wet OB en voor de vrijstelling van art. 11(1)c Wet OB. Aan het slot van de onderdelen 4, 5 en 6 bespreek ik respectievelijk de middelen 1 tot en met 3. Aan middel 4 kom ik niet toe. Ik sluit af met een conclusie in
onderdeel 7.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
middel 1voert de Staatssecretaris aan dat hij zich kan vinden in het oordeel van het Hof dat het kenmerkende element van de prestatie van belanghebbende het verlenen van zorg en het coördineren van de zorg door derden is. Het Hof geeft voldoende inzicht in zijn gedachtegang. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
middel 2op dat belanghebbende inderdaad geen zorginstelling is in de zin van de Wtzi, maar dat gasten met een Wlz-indicatie wel verzekerde zorg via een persoonsgebonden budget (pgb) kunnen inkopen bij belanghebbende. Belanghebbendes klacht dat het Hof heeft verzuimd na te gaan of de Wlz van toepassing is op haar prestatie, mist volgens Staatssecretaris feitelijke grondslag omdat belanghebbende niet heeft weersproken dat haar gasten in voorkomende gevallen aanspraak kunnen maken op financiering vanuit de Wlz. Afgezien daarvan dient de dienstverlening van belanghebbende te worden aangemerkt als ‘persoonlijke verzorging’ en ‘begeleiding’ in de zin van art. 3.1.1(1)b Wlz en valt zij daardoor in het verzekerde pakket ingevolge de Wlz. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat de zorg voor gasten met een Wlz-indicatie vanuit de Wlz wordt vergoed. De Staatssecretaris concludeert dat belanghebbende vrijgestelde zorg verricht als bedoeld in art. 3.1.1(1)b Wlz, aan personen ten behoeve van wie in een indicatiebesluit op grond van de Wlz is vastgesteld dat zij op die zorg zijn aangewezen.
middel 3erkent de Staatssecretaris dat de Inspecteur belanghebbende niet bij beschikking als instelling van sociale of culturele aard heeft erkend. Toch kan middel 3 volgens de Staatssecretaris niet tot cassatie leiden omdat de prestatie van belanghebbende is vrijgesteld op grond van art. 11(1)c Wet OB. De prestatie valt onder het begrip ‘verzorgen’ en daarmee nauw samenhangende handelingen in de zin van deze vrijstellingsbepaling. Ook is sprake van een verblijf in een inrichting in de zin van deze bepaling. Indien de voornoemde vrijstelling niet van toepassing is, zijn de prestaties van belanghebbende vrijgesteld van omzetbelasting op grond van art. 11(1)f Wet OB in samenhang met art. 7(1) Uitv.besl. OB en Bijlage B, post b.13 dan wel post b.29. Volgens de Staatssecretaris is een richtlijnconforme uitleg van post b.29 geboden.
middel 4de eindbeslissing van het Hof niet kan aantasten. Tevens is het oordeel van het Hof voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
middel 2dat de situatie dat gasten via een pgb zorg kunnen inkopen bij belanghebbende niet aan de orde kan zijn, omdat niet de vereiste zorgovereenkomst is afgesloten met belanghebbende. Zij ontvangt op geen enkele wijze vergoedingen op grond van de Wlz en de prestaties van belanghebbende maken dan ook geen deel uit van het verzekerde pakket zoals bedoeld in de Wlz. Verder merkt zij op dat zij niet op de hoogte kan en hoeft te zijn van een Wlz-indicatie, omdat zij geen prestaties in de zin van de Wlz verricht.
middel 3betoogt belanghebbende dat art. 11(1)c Wet OB geen toepassing kan vinden. Ten eerste zijn de prestaties van belanghebbende niet aan te merken als het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen. Ten tweede is belanghebbende geen inrichting of vergelijkbaar met een inrichting als bedoeld in deze vrijstellingsbepaling en is zij ook niet als zodanig erkend. Verder heeft de Nederlandse wetgever in art. 11(1)c Wet OB in het geheel geen regels vastgesteld op welke wijze een erkenning, zoals vereist vanuit art. 132(1)b Btw-richtlijn [8] plaatsvindt en wordt niet voldaan aan de door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) gestelde voorwaarden. Ten derde merkt belanghebbende op dat het Hof vaststelt dat niet in geschil is dat geen sprake is van verblijf in een instelling in de zin van de Wlz en in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat art. 11(1)c Wet OB (slechts) bij verblijf in een instelling van toepassing is. Deze vrijstelling kan dus niet van toepassing zijn. Ook art. 11(1)f Wet OB in samenhang met art. 7(1) Uitv.besl. OB en Bijlage B, post b.13 is niet van toepassing. Kenmerkend voor instellingen in de zin van deze post is dat op hun primaire prestaties een btw-vrijstelling van toepassing is, hetgeen bij belanghebbende niet aan de orde is. Daarnaast zijn de werkzaamheden door de vrijwilligers en coördinatoren niet aan te merken als zorg in de zin van de btw en wordt de daadwerkelijke medische zorg door externe partijen verleend. Ten aanzien van post b.29 merkt belanghebbende op dat het in strijd is met de goede procesorde dat de Staatssecretaris zich in cassatie voor het eerst beroept op deze post. Bovendien verricht belanghebbende geen algemeen maatschappelijk werk in de zin van post b.29 en vergt het beroep op deze post een feitelijke toetsing die niet in cassatie kan plaatsvinden.
middel 4dat het gebruik door de vrijwilligers en coördinatoren niet dient te leiden tot een weigering van aftrek van voorbelasting. De kosten van vrijwilligers en coördinatoren worden betaald uit de subsidiegelden en de giften die belanghebbende ontvangt.
4.Een enkele of meerdere prestaties? (middel 1)
Opmerking vooraf
CPP [11] . Specifiek voor de onderhavige zaak herhaal ik hierna de regels die uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgen en neem ik zijn recente arresten mee.
Frenetikexito [15] en
Deco Proteste [16] doet het dat echter wel. Het Hof van Justitie zet nauwkeurig uiteen op welke wijze dient te worden beoordeeld of sprake is van een van de twee varianten. Ik citeer hierna de relevante overwegingen van
Frenetikexito:
Frenetikexitowordt gerefereerd aan de punten 22 en 23 van de conclusie van A-G Kokott en zij daar schrijft (cursiveringen CE, voetnoten niet overgenomen):
Het doorslaggevende criterium daarbij zijn de opvattingen in het maatschappelijk verkeer, dat wil zeggen wat de gemeenschap daaronder begrijpt.Doordat het Hof de „modale consument” als uitgangspunt neemt, gebruikt het een typering die het eveneens op andere rechtsgebieden gebruikt.”
Frenetikexitodat een eerste criterium dat in een dergelijk geval in aanmerking moet worden genomen, de toets inhoudt of de bijkomende prestatie voor klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal van de hoofddienst gebruik te kunnen maken. Het tweede criterium, dat een aanwijzing is voor het eerste criterium, betreft de toets of de afzonderlijke waarde van de ene prestatie gering of zelf marginaal is ten opzichte van de afzonderlijke waarde van de andere prestatie.
Frenetikexito(zie het citaat in 4.5). Als voorbeeld kan worden genoemd een ondernemer die diensten levert op het gebied van reizen, zoals een hotelhouder, die gebruik maakt van prestaties van derden. Als die diensten vergeleken met het verschaffen van onderdak, een klein deel van de totaalprijs uitmaken, en behoren tot de traditionele taken van die derden, dan vormen de prestaties van de derden voor de klanten geen doel op zich, maar een middel om de belangrijkste dienst van die ondernemer (logies) aantrekkelijker te maken. [22] Wanneer diezelfde hotelhouder zijn gasten echter, naast logies, in de regel prestaties aanbiedt die uitgaan boven hetgeen tot de traditionele taken van hotelhouders behoort, en waarvan de uitvoering een aanmerkelijke invloed op de berekende totaalprijs heeft, zoals de reis naar het hotel vanaf afgelegen verzamelpunten, dan kunnen dergelijke prestaties niet worden gelijkgesteld met louter bijkomende prestaties. [23] De klanten hebben dan een zelfstandig belang bij de prestatie van de derde.
iSt [24] . Naast onderwijsprestaties biedt iSt haar klanten reisprestaties aan. In de totaalprijs voor de opleiding zijn ook kosten voor verblijf in het buitenland en verschillende vliegreizen begrepen. Dit verblijf en deze vliegreizen worden bij derden ingekocht. In het kader van de beoordeling van de vraag of de reisbureauregeling van toepassing is op de handelingen van iSt, beoordeelt het Hof van Justitie of de reisprestaties al dan niet louter van bijkomstige aard zijn. Het Hof van Justitie overweegt:
iSthoe de prijs van de (reis)prestaties zich verhoudt tot de overige prestaties. Dit lijkt tegenstrijdig met bijvoorbeeld het oordeel in
Frenetikexitowaar het Hof van Justitie initieel over de waarde spreekt als vergelijkingsmaatstaf (zie punt 42 van het citaat). Daarentegen kijkt het Hof van Justitie in punt 48 van hetzelfde arrest naar de hoogte van de gefactureerde bedragen (dus de verkoopprijs). Het Hof van Justitie lijkt de begrippen ‘waarde’ en ‘prijs’ dus door elkaar te gebruiken. De prijs en de waarde van een prestatie kunnen overeenkomen, maar dit is geen gegeven. In de casus van belanghebbende is bijvoorbeeld de gevraagde prijs voor de diensten van de vrijwilligers aan personen die niet verblijven in het hospice nihil. Dit zegt echter niets over de waarde van die prestatie, want als een persoon gebruik maakt van deze dienstverlening heeft deze kennelijk voor hem of haar wel waarde, dus is in deze situatie de waarde hoger dan nihil en niet gelijk aan de prijs. Het is dus van belang uit te zoeken of het Hof van Justitie de relatieve waarde of de prijs als beoordelingsmaatstaf hanteert.
Frenetikexitoen
Deco Protesteleid ik af dat het Hof van Justitie daadwerkelijk het oog heeft op het begrip ‘waarde’ als beoordelingsmaatstaf. Dat het Hof van Justitie in die zaken niettemin aansluit bij de (in)koopprijs, kan als volgt worden verklaard. Voor het bepalen van de waarde kijkt het Hof van Justitie naar de informatie die voorhanden is en die een redelijke benadering zou kunnen vormen van de waarde. Zo is de prijs waarvoor een prestatie bij een onafhankelijke derde is ingekocht, zoals het geval is in de situatie van iSt, in veel gevallen een objectieve aanwijzing voor de waarde. Hetzelfde kan gelden voor verkoopprijzen, indien voor onderdelen van een prestatie een afzonderlijke prijs wordt gevraagd, zoals in
Frenetikexito. Indien geen prijs wordt gevraagd, zoals in
Deco Proteste, waarin een gratis tablet werd verstrekt bij het afsluiten van een abonnement, lijkt het Hof van Justitie (ook) een (eenheids)waarde van € 50 in zijn oordeel te betrekken. [25]
De exploitatie van een hospice zoals dat van belanghebbende bestaat dus uit meer dan het tijdelijk verhuren van gastenkamers aan haar gasten.Voor de gasten van belanghebbende, terminale patiënten met een levensverwachting van maximaal drie maanden, is het tijdelijk huren van een kamer in het hospice geen doel op zich.
Het gaat de gasten om een verblijf in een hospice waarvan zij weten dat daar aan hen de benodigde zorg kan worden verleend en waar ontzorging plaatsvindt op praktisch vlak, zodat de laatste levensfase zo comfortabel mogelijk kan verlopen.Dit volgt ook uit de overeenkomst “gebruik gastenkamer” waarin de desbetreffende gast verklaart de kamer slechts te huren zolang (medische) zorg nodig is. Het is niet aannemelijk dat een consument die tijdelijk onderdak en maaltijden nodig heeft, voor een verblijf in het hospice kiest. Dat belanghebbende wel de voorwaarde stelt dat de verwachte duur van het verblijf maximaal drie maanden is, doet hieraan niet af. Het hospice is specifiek gericht op de geestelijke en lichamelijke verzorging en de ontzorging van terminaal zieken, die niet meer beter kunnen worden en op steun, zorg en verzorging door anderen zijn aangewezen.
De terbeschikkingstelling van een kamer is een onderdeel van de door belanghebbende verrichte prestatie en niet het wezenlijke kenmerk daarvan. De wezenlijke kenmerken van de door belanghebbende verrichte prestatie bestaan uit het verlenen van zorg aan de gasten en het coördineren van de aan de gasten door derden te verlenen zorg.”
5.Art. 11(1)g.2° Wet OB (thuiszorgvrijstelling voor langdurige zorg; middel 2)
3.2 BTW thuiszorg
Om in concrete gevallen te kunnen beoordelen of er sprake is van vrij te stellen thuiszorg kan het nodig zijn om criteria van sociale en medische aard toe te passen, waarvoor deskundigheid op die terreinen vereist is. Besloten is daarom om deze beoordeling niet over te laten aan de Belastingdienst, maar aan te sluiten bij indicatiestellingen voor thuiszorg die in het kader van de AWBZ plaatsvinden.In artikel 9a van de AWBZ is opgenomen dat Burgemeester en Wethouders erin voorzien dat ten behoeve Tweede Kamer, vergaderjaar 2000–2001, 27 431, nr. 3 53 van de inwoners van hun gemeente er in hun gemeente een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. In het Zorgindicatiebesluit zijn aanwijzingen opgenomen die indicatieorganen bij hun werkzaamheden in acht dienen te nemen. Voor de afbakening van voor de BTW vrijgestelde thuiszorg wordt aangesloten bij het bepaalde in paragraaf 6 van het Zorgindicatiebesluit. In deze paragraaf is onder andere geregeld dat in een indicatiebesluit de omvang, urgentie en vorm van de thuiszorg dient te worden vastgelegd waar ingevolge de AWBZ aanspraak op bestaat. Ook dient de geldigheidsduur van de indicatiestelling in het indicatiebesluit te worden vastgelegd. Een ondernemer die thuiszorg verleent aan personen ten behoeve van wie in een besluit van een indicatieorgaan – een zogenoemd indicatiebesluit – is vastgelegd dat ze op die zorg zijn aangewezen, kan de BTW-vrijstelling toepassen. Tevens is in paragraaf 6 van het Zorgindicatiebesluit vastgelegd dat een ziekenfonds, ziektekostenverzekeraar of uitvoerend orgaan in situaties waarin onmiddellijke verlening van zorg noodzakelijk is, kan besluiten dat een verzekerde zijn aanspraak op zorg gedurende ten hoogste twee weken tot gelding kan brengen, zonder dat hij beschikt over een indicatiebesluit. Ook in deze situatie kan de vrijstelling worden toegepast. Diensten die met thuiszorg samenhangen maar die niet kunnen worden gekwalificeerd als daadwerkelijke thuiszorg als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, zijn niet vrijgesteld. Te denken valt daarbij aan bemiddelingsdiensten voor de thuiszorg. Achtergrond hiervan is dat prestaties van ondernemers in beginsel zijn onderworpen aan de BTW-heffing, tenzij de prestaties ingevolge de Zesde BTW-richtlijn kunnen worden vrijgesteld. In zijn algemeenheid geldt dat prestaties die met voor de BTW vrijgestelde prestaties samenhangen op grond van de Zesde BTW-richtlijn niet kunnen worden vrijgesteld. Hierbij speelt een rol dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG de BTW-vrijstellingen beperkt moeten worden uitgelegd, omdat zij een inbreuk vormen op de normale situatie van het onderworpen zijn aan de BTW-heffing. Bovendien zou de vrijstelling indien deze ingevolge nationale regelgeving toch zou mogen worden toegepast op activiteiten die met thuiszorg samenhangen, een sterke precedentwerking hebben naar andere situaties waarbij belast presterende ondernemers goederen leveren of diensten verrichten aan vrijgesteld presterende ondernemers. De slotzin van onderdeel g, 2°, voorziet in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling bepaalde diensten uit te zonderen van de vrijstelling. Gelet op het grote aantal diensten dat onder het begrip thuiszorg valt, is het niet uit te sluiten dat bijvoorbeeld uit klachten van een bedrijfstak die buiten het kader van thuiszorg vergelijkbare prestaties verricht, blijkt dat een vrijstelling de concurrentieverhoudingen ongunstig beïnvloedt. Indien een dergelijke situatie zich voordoet kan dan bij ministeriële regeling de betreffende dienst worden uitgezonderd van de vrijstelling. De onderhavige vrijstellingsbepaling wordt opgenomen in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet, waar al een vrijstelling is voorzien voor (para)medische beroepsbeoefenaren.”
De zorg die op grond van de Wlz binnen een instelling wordt geleverd is reeds vrijgesteld op grond van het eerste lid, onderdeel c van dat artikel.Het gaat om de diensten, genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wlz, namelijk verpleging, persoonlijke verzorging, begeleiding, behandeling en verblijf. Net als in de AWBZ kan het recht op «verblijf» ook genoten worden zonder daadwerkelijk verblijf in een instelling middels een volledig pakket thuis. In paragraaf 2.3.1 van het algemene deel van de toelichting wordt hier nader op ingegaan.
2.3.1 Verblijf in een instelling
2.3.2 Persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging
2.3.3 Behandeling
Kenmerkend voor onderscheid tussen de Wlz-behandeling en de Zvw-behandeling is dat het gaat om een specifieke behandeling (hierna te noemen Wlz-behandeling) in die zin dat deze samenhangt met de aard van de beperking op grond waarvan de cliënt toegang heeft tot de Wlz.Er is bij de cliënt sprake van complexe (multi)problematiek, die in termen van behandeling meestal vraagt om continue, systematische, langdurige en multidisciplinaire zorg waarbij specifieke deskundigheid op het niveau van een Wlz-behandelaar nodig is. Wlz-behandeling kan zich ook richten op herstel of voorkoming van verergering van de gevolgen van de aandoening of het ontstaan van een met de aandoening gerelateerde stoornis al dan niet door het aanleren van vaardigheden. Tevens kan de Wlz-behandeling betrekking hebben op aanvullende functionele diagnostiek, consultatie en medebehandeling. Bij Wlz-behandeling kan het gaan om individuele behandeling en om behandeling in groepsverband. Denk hierbij aan kinderen met een beperkt ontwikkelingsperspectief in verband met ernstige meervoudige handicaps.
De cliënten die kiezen voor vpt of pgb ontvangen derhalve deze algemeen medische zorg vanuit de Zvw in plaats vanuit de Wlz.De Minister van VWS zal het Zorginstituut om een uitvoeringstoets verzoeken om te bezien onder welke voorwaarden en per wanneer tot aanpassing van het verzekerd pakket kan worden overgegaan.”
Voor mensen die wel al recht hebben op Wlz-zorg, acht de regering het een te zware belasting om deze zorg in de laatste levensfase nog uit een ander domein te betrekken. Dit geldt zowel voor Wlz-gerechtigden die in een instelling verblijven als Wlz-gerechtigden die thuis wonen met een vpt of pgb. Wanneer een Wlz-gerechtigde met een vpt of pgb thuiswoont en palliatief terminale zorg nodig heeft, wordt deze daarom op grond van de Wlz geleverd.De hierboven genoemde mogelijkheid om bij amvb vormen van zorg uit te sluiten van de Wlz, zal ook worden gebruikt voor palliatief terminale thuiszorg.”
reedsis vrijgesteld op grond van art. 11(1)c Wet OB. Ik nam die toelichting volledig op in 5.13. Voor de leesbaarheid herhaal ik op deze plek een deel van de toelichting (cursivering CE): [57]
De zorg die op grond van de Wlz binnen een instelling wordt geleverd is reeds vrijgesteld op grond van het eerste lid, onderdeel c van dat artikel.Het gaat om de diensten, genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wlz, namelijk verpleging, persoonlijke verzorging, begeleiding, behandeling en verblijf. Net als in de AWBZ kan het recht op «verblijf» ook genoten worden zonder daadwerkelijk verblijf in een instelling middels een volledig pakket thuis. (…).”
zoals bedoeld in de Wlz. Daaraan verbindt het Hof de terechte conclusie dat de zorg die belanghebbende verleent niet gepaard gaat met verblijf in een instelling, naar ik begrijp, als bedoeld in art. 11(1)g.2° Wet OB (zie 5.48 - 5.53). Dat brengt mee dat in zoverre is voldaan aan de in die bepaling genoemde voorwaarde dat de zorg niet gepaard gaat met verblijf een instelling.
6.Art. 11(1)f Wet OB (middel 3)
Ambtshalve aanvulling cassatiegronden
welals een instelling in de zin van post b.13 van bijlage B bij het UB OB dient te worden beschouwd (…)”