Conclusie
Nummer21/04386
Inleiding
Het middel
“Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [getuige]
Standpunt van verdediging
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die door het hof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor het rijden onder invloed van cocaïne, het rijden tijdens een rijverbod en het rijden zonder geldig rijbewijs. Het hof legde een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan twee voorwaardelijk, en een rijontzegging van twintig maanden.
De verdediging had in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om een getuige te horen die belastende verklaringen had afgelegd. Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat de verklaring van de getuige betrouwbaar was onderzocht en bevestigd door ander bewijsmateriaal, waardoor het horen van de getuige niet noodzakelijk werd geacht.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde echter dat het hof onvoldoende had beoordeeld of er een goede reden was voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid, zoals vereist op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 6 EVRM Pro) en de jurisprudentie van de Hoge Raad na het Keskin-arrest. De Hoge Raad oordeelt dat het middel terecht is voorgesteld en dat het hof onvoldoende blijk heeft gegeven van een volledige toetsing aan het recht op een eerlijk proces.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betreft de bewezenverklaring en strafoplegging in de zaak met parketnummer 18-238714-19 en wijst de zaak terug aan het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof de procedure in haar geheel moet toetsen aan het recht op een eerlijk proces, inclusief een zorgvuldige afweging van het getuigeverzoek.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het getuigeverzoek en de strafzaak.