ECLI:NL:PHR:2023:406

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2023
Publicatiedatum
6 april 2023
Zaaknummer
21/04386
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 WVW 1994Art. 162 WVW 1994Art. 9 WVW 1994Art. 288 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing getuigeverzoek in zaak rijden onder invloed en zonder geldig rijbewijs

De zaak betreft een verdachte die door het hof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor het rijden onder invloed van cocaïne, het rijden tijdens een rijverbod en het rijden zonder geldig rijbewijs. Het hof legde een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan twee voorwaardelijk, en een rijontzegging van twintig maanden.

De verdediging had in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om een getuige te horen die belastende verklaringen had afgelegd. Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat de verklaring van de getuige betrouwbaar was onderzocht en bevestigd door ander bewijsmateriaal, waardoor het horen van de getuige niet noodzakelijk werd geacht.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde echter dat het hof onvoldoende had beoordeeld of er een goede reden was voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid, zoals vereist op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 6 EVRM Pro) en de jurisprudentie van de Hoge Raad na het Keskin-arrest. De Hoge Raad oordeelt dat het middel terecht is voorgesteld en dat het hof onvoldoende blijk heeft gegeven van een volledige toetsing aan het recht op een eerlijk proces.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betreft de bewezenverklaring en strafoplegging in de zaak met parketnummer 18-238714-19 en wijst de zaak terug aan het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof de procedure in haar geheel moet toetsen aan het recht op een eerlijk proces, inclusief een zorgvuldige afweging van het getuigeverzoek.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het getuigeverzoek en de strafzaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04386

Zitting11 april 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 20 oktober 2021 in de zaak met parketnummer 18-230817-19 wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en in de zaak met parketnummer 18-238714-19 wegens onder 1 “overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, onder 2 “overtreding van artikel 162, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en onder 3 “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 20 maanden.
Namens de verdachte heeft P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat de afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van getuige [getuige] door het hof ontoereikend is gemotiveerd, althans dat het gebruik van de door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs onverenigbaar is met art. 6 lid Pro 3, aanhef en onder d, EVRM, omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen.
4. Uit de toelichting blijkt dat het middel betrekking heeft op de zaak met parketnummer 18-238714-19. In deze zaak is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
“1.
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Leeuwarden een voertuig, te weten een personenauto (van het merk Mercedes) heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 160 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
2.
hij op 4 maart 2019 om ongeveer 17:30 uur, althans tussen 17:30 en 17:55 uur te Leeuwarden als degene aan wie een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 was opgelegd, gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod gold, een voertuig (personenauto), heeft bestuurd;
3.
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Leeuwarden terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten voor alle categorieën, althans voor categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat ] en/of [b-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd”.
5. De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep bij gelegenheid van pleidooi het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van [getuige] als getuige. Het hof heeft dit verzoek in het bestreden arrest als volgt samengevat en afgewezen:

“Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [getuige]

De raadsman heeft ter zitting van het hof verzocht om getuige [getuige] te horen indien het hof verdachte niet volgt in zijn stelling dat hij niet in de Mercedes gereden heeft. Alleen de getuige [getuige] heeft namelijk verklaard dat hij verdachte heeft zien rijden in de auto.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het verzoek dient te worden afgewezen.
Het hof acht het horen van getuige [getuige] niet noodzakelijk. Hoewel de getuige een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd en het belang bij oproepen en horen van die getuige daardoor moet worden verondersteld, is het hof van oordeel dat er desondanks geen ondervragingsgelegenheid hoeft te worden gerealiseerd. Daartoe heeft het hof de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzocht, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring zoals weergegeven in de hiervoor opgenomen bewijsoverwegingen. Van belang daarbij is het proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2019 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenis - zijn verhaal heeft gedaan en die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen, zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen bewijsoverwegingen. Het hof wijst het verzoek dan ook af.”
6. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 18-238714-19 vervolgens bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 4 maart 2019 te Leeuwarden een voertuig, te weten een personenauto (van het merk Mercedes) heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 160 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
2.
hij op 4 maart 2019 om ongeveer 17:30 uur, althans tussen 17:30 en 17:55 uur te Leeuwarden als degene aan wie een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 was opgelegd, gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod gold, een voertuig (personenauto), heeft bestuurd;
3.
hij op 4 maart 2019 te Leeuwarden terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten voor alle categorieën ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat ] en [b-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
7. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 14 mei 2019, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019056095-1, inhoudende de verklaring van verbalisanten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2019, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019056068-4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisanten:
Op maandag 4 maart 2019 kregen wij via de portofoon van een medewerker van het operationeel service centrum te horen dat er een man in een Mercedes, mogelijk onder invloed van drank en/of drugs zou rijden in het [b-straat] te Leeuwarden. Mogelijk zou het gaan om [verdachte] . aan wie vandaag een rijverbod zou zijn opgelegd. Wij hoorden dat collega [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Noord-Nederland, op maandag 4 maart 2019 omstreeks 12 uur een rijverbod had opgelegd aan een persoon genaamd [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1980 te [plaats] .
(...)
De collega rijdend in een onopvallend motorvoertuig is naar het [b-straat] gereden en had zicht op de Mercedes. Wij hoorden hem zeggen dat de bestuurder, geheel in het groen gekleed, was uitgestapt en zenuwachtig om zijn auto liep. Op dat moment kwam er een man naar ons voertuig lopen en vroeg of wij kwamen naar aanleiding van de melding van het [b-straat] . Wij hoorden de man, naar later bleek [getuige] , geboren [geboortedatum] 1979, zeggen dat hij de politie had gebeld en dat hij had gezien dat de man in de Mercedes mogelijk onder invloed van drank en/of drugs zou hebben gereden. (...) Een paar minuten later kwam er een man, geheel in het groen gekleed richting ons voertuig lopen. Ik verbalisant ben uitgestapt en heb de man, naar later bleek [verdachte] , naar een legitimatiebewijs gevraagd. Ik heb [verdachte] medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat hij verdacht werd van rijden tijdens een rijverbod. Wij verbalisanten hoorden [verdachte] zeggen dat hij zijn auto even ergens anders wilde parkeren. Wij hoorden hem zeggen dat hij van de [a-straat ] naar het [b-straat] was gereden.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2019, en daarbij gevoegde fotografische opname van het concept rijverbod, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019055786-3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verbalisant:
Kreeg ik, [verbalisant 3] , samen met collega’s de melding ter plaatse te gaan naar de bloemist gelegen aan de [a-straat 1] te Leeuwarden. Aldaar zou een verwarde man in de zaak zitten die volgens de melder erg agressief was. Ter plaatse gekomen trof ik de mij ambtshalve bekende [verdachte] aan. [verdachte] kwam erg verward op mij over. (...)
Ik hoorde dat [verdachte] desgevraagd verklaarde dat hij cocaïne en alcohol had ingenomen. Ik hoorde dat [verdachte] graag naar [plaats] wilde. Ik heb met mondelinge toestemming van [verdachte] zijn tasje doorzocht. Daarbij trof ik sleutels van een Mercedes Benz aan. Ik zag dat er aan de overzijde van de weg een grijze Mercedes-Benz CLS voorzien van het kenteken [kenteken] stond geparkeerd. Toen ik een knopje op de sleutel drukte zag ik dat de lichten van genoemd voertuig begonnen te knipperen. Ook in de portemonnee trof ik een aantal tankpassen aan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 5 maart 2019, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019056068-6, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, een verklaring van [getuige] :
Ik ben getuige geweest van een persoon die mogelijk onder invloed heeft gereden. Dit is gebeurd op maandag 4 maart 2019 omstreeks 17.30 uur. Ik heb van het voorval de politie gebeld.
Ik wilde op voorgenoemde tijdstip mijn auto voor mijn huis parkeren. Deze parkeerplaatsen liggen aan de [a-straat ] . Ik zag dat een auto dubbel geparkeerd stond. Ik zag dat het een grijze Mercedes was. Er stond een persoon bij die tegen deze auto aan leunde. Ik parkeerde net achter deze auto maar dat was krap. Toen ik uitstapte sprak ik deze persoon aan omdat ik vond dat hij zijn auto op een andere wijze netjes kon parkeren. Ik hoorde en zag dat deze persoon ineens tegen mij schreeuwde. Hij zwaaide hierbij met zijn armen. Ik hoorde hem schreeuwen dat ik mijn auto moest verplaatsen, wie ik wel niet was en hij zijn auto niet ging verplaatsen. (...)
Binnen in de woning zag ik vanuit mijn woonkamer de persoon die ik net had gesproken en beschreven in de auto stappen aan de bestuurderszijde. Er was verder niemand bij hem in de auto gestapt. Ik zag dat hij met de Mercedes wegreed in de richting van het [plein] . Kort daarop zag ik de Mercedes rijden op de [a-straat ] . Ik zag dat hij kwam uit de richting van het [plein] . Ik zag dat hij zigzaggend voorbij kwam rijden. Ik zag dat hij duidelijk van links naar rechts reed. Dit deed hij met korte stuurbewegingen. Ik zag dat hij kort daarop zijn auto parkeerde achter de viswinkel die aan de [a-straat ] zit. Hij parkeerde zijn auto, een grijze Mercedes, aan het [b-straat] . Ik zag de persoon, in het groene trainingspak, uit de auto stappen aan de bestuurderszijde. Ik zag dat hij uitstapte bij de deur van de bestuurder. Ik zag dit vanuit mijn woning. De afstand is ongeveer 150 meter. Het was daglicht, de lantaarnpalen brandde niet en ik had vrij zicht op de auto. Ik zag dat hij kort daarop weer instapte. Ik ben toen naar buiten gelopen en zag verderop in de [a-straat ] een politieauto staan. Ik ben daar heen gelopen en gemeld dat ik een melding had gemaakt van een persoon die mogelijk onder invloed was.
5. Een deskundigenrapport afkomstig van Eurofins. d.d. 26 april 2019 opgemaakt door Dr. Apr. Jan Cordonnier, Expert Toxicoloog, opgenomen in voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, zijn verklaring:
Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte]
Meetbare stof: cocaïne
Eindresultaat in bloed: 160 microgram per liter
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 4 maart 2019, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019056095, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, een verklaring van verdachte:
V: Je bent vandaag eerder in aanraking geweest met de politie.
V: Je hebt bij het incident een rijverbod gekregen van 12 uur. Klopt dat?
A: Ja.
V: Wat houdt een rijverbod in?
A: Dat ik niet mag rijden.
V: Heb jij een rijbewijs?
A: Nee, nog niet
V: Waarom niet?
A: Ik moet nog een cursus doen. EMA cursus
V: Heb jij je rijbewijs nog fysiek in bezit?
A: Nee. CBR
V: Ben je op de hoogte dat je niet mag rijden zonder een geldig rijbewijs?
A: Ja”
8. De bewijsoverweging van het hof houdt verder, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in:

Standpunt van verdediging
Door en namens verdachte is vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte het voertuig niet heeft bestuurd, maar dat een vriend van verdachte de auto heeft verplaatst. De verbalisanten hebben niet zelf waargenomen dat de verdachte heeft gereden. […]
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder parketnummer 18-238714-19 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren in het proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2019, dat hun collega, die reed in een onopvallend voertuig, tegen hen had gezegd dat een in het groen geklede bestuurder van de Mercedes uit het voertuig was gestapt. Zij verklaren ook dat de in het groen geklede man later bleek de verdachte te zijn en dat zij hem hoorden zeggen dat hij de auto even ergens anders wilde parkeren en van de [a-straat ] naar het [b-straat] was gereden. Dit wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] , die – kort samengevat – heeft verklaard dat hij een manspersoon in een groen trainingspak aan de bestuurszijde van de Mercedes heeft zien instappen en wegrijden. Het hof heeft geen enkele reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van deze bewijsmiddelen te twijfelen. Hetgeen de verdachte – eerst ter terechtzitting in hoger beroep – heeft verklaard over een vriend genaamd ‘ […] ’ die de auto voor de verdachte zou hebben verplaatst, acht het hof volstrekt niet aannemelijk.”
9. Het middel bevat primair als klacht dat het hof de afwijzing van het door de verdediging (voorwaardelijk) gedane verzoek tot het horen van getuige [getuige] ontoereikend heeft gemotiveerd, dan wel dat de afwijzing van het verzoek niet zonder meer begrijpelijk is.
10. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland over de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van belastende getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, het volgende heeft overwogen:
“2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
2.9.3 Het vorenstaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de – in artikel 288 lid 1 Sv Pro genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv Pro van belang zijnde – gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige. Verder verzet artikel 6 EVRM Pro zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
[…]
2.12.1 De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2 Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3 […] Verder heeft wat hiervoor onder 2.12.2 is overwogen ook betekenis voor de toetsing in cassatie van klachten die zich specifiek richten tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Het belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het ligt daarom in de rede dat, als een dergelijke klacht wordt aangevoerd, de schriftuur een toelichting bevat dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.” [1]
11. Het hof heeft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige] als getuige afgewezen op de grond dat het dat niet noodzakelijk acht. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de getuige weliswaar een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd en dat het belang bij het oproepen en horen van die getuige daardoor moet worden verondersteld, maar dat desondanks geen ondervragingsgelegenheid hoeft te worden gerealiseerd. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat het de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig heeft onderzocht en dat het deze verklaring kennelijk betrouwbaar acht, omdat in het proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2019 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, worden bevestigd.
12. Het hof heeft de verklaring van de getuige daarmee getoetst aan ander bewijsmateriaal en, gelet op de uitkomst daarvan, het verzoek tot het horen van de niet eerder gehoorde getuige afgewezen. Vervolgens heeft het de verklaring van deze getuige gebruikt voor het bewijs. Het hof is dus kennelijk niet van oordeel dat het horen van de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is omdat het horen van de getuige van geen enkel belang is of geen toegevoegde waarde heeft.
13. Afgezet tegen hetgeen hiervoor onder randnummer 10 (onder 2.9.3 van het daarin weergegeven arrest) voorop is gesteld, is de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de getuige [getuige] ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat sprake is van een situatie waarin het belang bij het oproepen en horen van [getuige] moet worden voorondersteld, terwijl het hof bij de afwijzing van het verzoek geen gronden als bedoeld in rechtsoverweging 2.9.3 van voormeld arrest heeft betrokken op basis waarvan een verzoek tot het horen van een belastende getuige niettemin kon worden afgewezen. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
14. Gelet op hetgeen de Hoge Raad onder 2.12.3 van zijn arrest van 20 april 2021 heeft overwogen, rijst vervolgens de vraag of de verdachte voldoende belang heeft bij zijn klacht in cassatie. Het belang bij de klacht over de beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, kan volgens de Hoge Raad immers ontbreken als de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
15. Voor de beoordeling van deze vraag is om te beginnen van belang dat de schriftuur een toelichting bevat waarin wordt aangegeven dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. De steller van het middel voert kort gezegd aan dat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid dat het hof – op de in het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021 in rechtsoverweging 2.12 uiteengezette wijze – heeft nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces. Het hof heeft volgens de steller van het middel namelijk geen overwegingen gewijd aan de onder (i) en (ii) aangeduide factoren en zijn oordeel over de onder (iii) aangeduide factor ontoereikend gemotiveerd. [2] De ontoereikende motivering van factor (iii) is gelegen in het feit dat het hof niet tot uitdrukking heeft gebracht dat is onderzocht of er voldoende compenserende factoren bestaan, maar meteen naar het punt gaat dat het zelf de betrouwbaarheid van de getuige heeft onderzocht.
16. Ik kan de steller van het middel in zijn bezwaren wel volgen. Het hof heeft weliswaar – duidelijk ontleend aan rechtsoverweging 2.12.2 van voormeld arrest – overwogen dat “het de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] zorgvuldig heeft onderzocht, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring”, maar uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof ook heeft beoordeeld of sprake was van een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid. Dat het hof de betrouwbaarheid van de door [getuige] afgelegde verklaring heeft onderzocht, kan van belang zijn voor het bieden van compensatie voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] , [3] maar nu het hof daarbij niet heeft meegewogen in hoeverre sprake was van een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid, kan dit niet het oordeel dragen dat de beslissing om mede op basis van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige het tenlastegelegde bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. [4] Het hof heeft in mijn optiek onvoldoende blijk gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht in cassatie.
17. Het middel is terecht voorgesteld.

Slotsom

18. Het middel slaagt.
19. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de onder parketnummer 18-238714-19 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
2.Deze factoren betreffen: (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van ondervragingsgelegenheid.
3.HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1088,
4.HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:765, r.o. 2.5.2; HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1088,