Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 en 2klagen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Huurders hun betwisting van de door Woonborg gestelde overlast onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is, en dat het hof het (tegen)bewijsaanbod van Huurders ten onrechte heeft gepasseerd.
Onderdeel 3bevat een voortbouwklacht en een afzonderlijke motiveringsklacht.
nr. 1dat het oordeel in rov. 5.5, 5.6 en 5.13 van het bestreden arrest onjuist is omdat het hof te hoge eisen stelt aan de stelplicht van Huurders, althans onbegrijpelijk is omdat Huurders voldoende hebben gesteld dan wel betwist. Deze klacht wordt in
nrs. 2-3van de procesinleiding nader uitgewerkt.
nr. 3) dat uit de in rov. 5.6 bedoelde stellingen van Huurders en de in het middel genoemde vindplaatsen uit de processtukken blijkt dat Huurders de gestelde overlast wel gemotiveerd hebben betwist, zodat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
vice versaen (ii) in rov. 5.6 dat Huurders niet duidelijk maken dat, waarom en op welke wijze de onderburen en de bovenburen zouden hebben samengespannen. De overige vindplaatsen waarnaar de procesinleiding verwijst, houden geen betwisting in of vormen onderdeel van de grieven die het hof in rov. 5.6 gemotiveerd heeft besproken. [7]
nr. 2), dat niet valt in te zien wat Huurders in redelijkheid nog meer hadden moeten stellen om de betwisting van de door Woonborg gestelde overlast te onderbouwen, mede gelet op het feit dat het hier gaat om een negatief feit dat het centrale punt van de procedure vormt, en dat zij hebben aangeboden getuigen te doen horen die kunnen verklaren over het al dan niet ervaren van overlast door Huurders.
nr. 2) dat het hof in rov. 5.13 het bewijsaanbod van Huurders niet had mogen passeren.
nr. 4) voorop dat het hof tot bewijswaardering is overgegaan door in rov. 5.5 en 5.6 onder meer de meldingen en verklaringen van de onderburen en de bovenburen en de filmpjes van Huurders te waarderen. Tegen die achtergrond klaagt het onderdeel dat het hof het tegenbewijsaanbod van Huurders met betrekking tot de over en weer gestelde overlast niet had mogen passeren.
nr. 4) nog naar hetgeen Huurders hebben gesteld over de overlast van de onderburen. Het hof heeft dit betrokken bij zijn beoordeling in rov. 5.5 en 5.6. Het hof heeft dus niet miskend dat deze stellingen voor de beoordeling relevant zijn.
nr. 5) een voortbouwklacht voor het geval dat de voorgaande klachten slagen.
onderdelen 1 en 2.
nr. 5) de klacht dat rov. 5.8 onbegrijpelijk is voor zover het hof daarin geoordeeld zou hebben dat het enkele – door Huurders erkende – nachtelijke aanbellen bij de onderburen de zelfstandige grondslag voor de ontbinding vormt.