ECLI:NL:PHR:2023:426

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2023
Publicatiedatum
14 april 2023
Zaaknummer
22/01932
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:219 BWArt. 149 RvArt. 6 EVRMArt. 187 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens herhaalde overlast door huurders in appartementencomplex

In deze zaak vordert verhuurder Woonborg de ontbinding van de huurovereenkomst met huurders wegens langdurige en herhaalde overlast. De huurovereenkomst, gesloten in 2012, bevat een bepaling dat huurders geen overlast mogen veroorzaken aan omwonenden.

De feiten tonen een langdurige reeks klachten van zowel huurders over geluidsoverlast van boven- en onderburen als van buren over overlast door huurders, waaronder nachtelijk aanbellen en geluidsoverlast. Woonborg heeft huurders herhaaldelijk verzocht de overlast te staken en een kortgedingprocedure gestart. De kantonrechter en het hof hebben de ontbinding en ontruiming toegewezen, waarbij het hof oordeelde dat huurders onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat zij overlast veroorzaken.

Huurders stelden dat zij zelf overlast ondervonden en betwistten de klachten, maar lieten concrete feiten en omstandigheden ter onderbouwing achterwege. Het hof vond de stellingen van Woonborg concreet en onderbouwd, en het bewijsaanbod van huurders werd gepasseerd wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing. Het cassatieberoep van huurders is verworpen, waarmee de ontbinding en ontruiming definitief zijn bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens herhaalde overlast door huurders.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01932
Zitting14 april 2023
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
1. [Huurder 1]
2. [Huurder 2]
(hierna: Huurder 1 respectievelijk Huurder 2 en tezamen Huurders)
tegen
Stichting Woonborg (hierna: Woonborg)
In deze zaak vordert Woonborg als verhuurder van woonruimte de ontbinding van de huurovereenkomst met Huurders en ontruiming in verband met overlast die Huurders langere tijd herhaaldelijk hebben veroorzaakt. Het hof heeft geoordeeld dat Huurders de concrete en uitgewerkte stellingen van Woonborg over de overlast onvoldoende hebben betwist en heeft om die reden ook het bewijsaanbod van Huurders gepasseerd. De hiertegen gerichte cassatieklachten slagen naar mijn mening niet.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan, samengevat, van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
(i) Tussen Huurders en Woonborg als verhuurder is in 2012 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten ten aanzien van het gehuurde. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van Woonborg van 1 november 2011 van toepassing. Artikel 7.6 daarvan bepaalt:
“7.6. De huurder moet ervoor zorgdragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door de huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege de huurder in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.”
(ii) Het gehuurde bevindt zich op de eerste verdieping van een appartementencomplex met vier bouwlagen. In het appartement boven het gehuurde woont het echtpaar [de bovenburen] (hierna: de bovenburen) en in het appartement onder het gehuurde woont het echtpaar [de onderburen] (hierna: de onderburen).
(iii) Woonborg heeft in oktober 2014 voor het eerst klachtenmeldingen van Huurders ontvangen over geluidsoverlast door de onderburen, onder meer over het op hakken lopen en het smijten met deuren. Hierna is een stroom van klachten van Huurders op gang gekomen. In de jaren 2014 tot en met 2020 hebben Huurders veelvuldig bij Woonborg geklaagd over geluidsoverlast door de onderburen en de bovenburen.
(iv) In de periode van 2018 tot en met juli 2020 heeft Woonborg ook veelvuldig klachten van de bovenburen en de onderburen ontvangen over door Huurders veroorzaakte overlast, waaronder vernieling en geluidsoverlast in de nachtelijke uren.
(v) Woonborg heeft (mede via haar gemachtigde) Huurders in 2018 en 2019 herhaaldelijk verzocht om geen (geluids)overlast meer te veroorzaken, en heeft uiteindelijk een kortgedingprocedure tot ontruiming van het gehuurde aangekondigd.
(vi) Huurders hebben betwist dat zij overlast zouden veroorzaken en hebben aangegeven dat zij juist overlast van de onderburen en de bovenburen ondervonden.
(vii) In een aantal overlastmeldingen in 2020 heeft Huurder 1 aangegeven dat hij de onderburen indien nodig zelf (elke nacht) op hun gedrag zal aanspreken, omdat Woonborg dat niet doet.
(viii) Bij brief van 16 april 2020 heeft de gemachtigde van Woonborg aan de gemachtigde van Huurders onder meer geschreven:
“Met betrekking tot de door u gestelde overlast van omwonenden, al dan niet in de nachtelijke uren, is geen objectief bewijs geleverd. In ieder geval worden de meldingen van uw cliënten niet ondersteund door meldingen van anderen. Omgekeerd geldt dat wel vast is komen te staan dat uw cliënten, en met name [Huurder 1], in de nachtelijke uren aanbelt en aanklopt bij omwonenden.”
De gemachtigde van Woonborg heeft Huurders in die brief gesommeerd om omwonenden niet rechtstreeks aan te spreken over enige overlast, voor zover deze overlast niet door derden is vastgesteld.
(ix) Op 20 april 2020 heeft de consulent Wijkbeheer en Leefbaarheid van Woonborg een verklaring opgesteld, waarin onder meer staat vermeld:
“Hierbij verklaar ik, [consulent], dat er door Woonborg opnameapparatuur is geplaatst bij [de onderburen] van donderdag [9] april 2020 17.07 uur tot en met dinsdag 14 april 2020 17.01 uur. Deze opname apparatuur is geplaatst in de hal, naast de slaapkamer van [de onderburen] en het toilet.
De apparatuur heeft gedurende deze 5 dagen zonder onderbrekingen dan wel storingen, de geluiden opgenomen. Ik constateerde bij het afluisteren van deze opnameapparatuur zelfs het minste geringste geluid wat [de onderburen] (in de nachtelijke uren) produceert, maar niet hetgeen waar [Huurders] over [klagen] en waarvan zij stellen dat deze zich in de bewuste periode te hebben voorgedaan (…). Dit is ook te zien aan de bijgevoegde geluidsgolven. (…).”
(x) Bij brief van 24 juni 2020 heeft de gemachtigde van Woonborg aan Huurders geschreven dat zij toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, en dat ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd zijn. Woonborg heeft Huurders de mogelijkheid geboden om de huurovereenkomst per 1 augustus 2020 te beëindigen.
(xi) Omdat Huurders de huurovereenkomst niet zelf hebben beëindigd, is Woonborg de onderhavige bodemprocedure gestart. Daarna heeft Woonborg ook een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft Huurders bij vonnis van 12 augustus 2020 veroordeeld om binnen vier weken na de betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen en verlaten. Huurders hebben hoger beroep aangetekend tegen dat vonnis, waarna het hof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 19 januari 2021 Huurders heeft veroordeeld om binnen vier weken na de betekening van dat arrest het gehuurde te ontruimen en te verlaten, tenzij en zo lang zij zich houden aan de voorwaarden zoals in dat arrest geformuleerd, totdat is beslist in de bodemprocedure.
1.2
In de onderhavige procedure heeft Woonborg, voor zover in cassatie nog van belang, in eerste aanleg ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd op grond van ernstige en structurele overlast door Huurders. [2] De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 25 mei 2021 de vorderingen van Woonborg toegewezen en de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.3.1
Huurders hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Het hof heeft de incidentele vordering bij arrest van 19 oktober 2021 afgewezen. De ontruiming van het gehuurde heeft vervolgens op 29 oktober 2021 plaatsgevonden.
1.3.2
Bij eindarrest van 1 maart 2022 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie relevant, in rov. 5.5-5.7 geoordeeld dat Huurders toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst:
“5.5. In hoger beroep betogen [Huurders] dat zij niet zijn tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst met Woonborg. Niet zij, maar [de onderburen] en [de bovenburen] hebben voor ernstige overlast bij [Huurders] gezorgd. Het hof gaat in dat betoog niet mee. Weliswaar draagt Woonborg in het kader van de vraag of [Huurders] in de nakoming van hun huurovereenkomst met Woonborg tekort zijn geschoten de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast, maar aan die stelplicht heeft Woonborg naar het oordeel van het hof zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ruimschoots voldaan. Zo heeft zij erop gewezen dat (i) de stortvloed aan door [Huurders] bij Woonborg gedane overlastmeldingen over medebewoners [de onderburen] en [de bovenburen] zonder grond zijn gebleken, omdat zij geen steun vinden in meldingen van andere bewoners van het appartementencomplex en evenmin in de bij [de onderburen] gedurende meerdere dagen gemaakte geluidsopnames, terwijl anderzijds vaststaat dat (ii) door [Huurders] herhaaldelijk is gedreigd om in de nachtelijke uren bij [de onderburen] aan te bellen, (iii) dit nachtelijke aanbellen dan wel op de deur kloppen ook herhaaldelijk heeft plaatsgevonden, (iv) het nachtelijke aanbellen zelfs is doorgegaan nadat [Huurders] al waren gesommeerd hiermee op te houden en (v) de herhaalde meldingen van [de onderburen] over door [Huurders] veroorzaakte overlast steun vinden in de overlastmeldingen van [de bovenburen], terwijl de herhaalde overlastmeldingen van [de bovenburen] op hun beurt steun vinden in de overlastmeldingen van [de onderburen]. In het licht hiervan, en gezien het feit dat [Huurders] met hun vorige verhuurder ook al een conflict hebben gehad vanwege overlastproblematiek, had het op de weg van [Huurders] gelegen om in het kader van hun betwisting steekhoudende en concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die de stellingen van Woonborg over de door hen veroorzaakte overlast afdoende zouden ondergraven. Dat hebben [Huurders] in eerste aanleg nagelaten.
5.6.
Ook in hoger beroep laten [Huurders] het in wezen bij ‘kale’ betwistingen van de concrete en uitgewerkte stellingen van Woonborg over de door hen veroorzaakte overlast en nemen zij diverse ‘tegenstellingen’ in over onder meer de onbetrouwbaarheid van het door Woonborg bij [de onderburen] uitgevoerde geluidsonderzoek (grief 6), de samenspanning en ‘klachttactiek’ van [de onderburen] en [de bovenburen] om [Huurders] uit hun huis gezet te krijgen (grief 7) en de onjuistheid en onbetrouwbaarheid van diverse in eerste aanleg overgelegde verklaringen over stress- en gezondheidsklachten bij [de onderburen] en [de bovenburen] vanwege de door [Huurders] veroorzaakte overlast (grief 8). Ook deze stellingen missen een deugdelijke feitelijke onderbouwing. Zo blijkt nergens uit dat en waarom het bij [de onderburen] uitgevoerde geluidsonderzoek ondeugdelijk zou zijn geweest (en dat er dus wel tijdens de opnamen geluidsoverlast door [de onderburen] zou zijn veroorzaakt). Het enkele feit dat de opnameapparatuur bij het echtpaar [de onderburen] in de (naast de slaapkamer gelegen) hal was geplaatst en niet in hun slaapkamer, is zonder toelichting, die ontbreekt, daarvoor niet voldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling dat Woonborg zelf het geluidsonderzoek heeft uitgevoerd met voor [Huurders] onbekende apparatuur. Evenmin valt in te zien dat het onderzoek ondeugdelijk zou zijn doordat er tijdens de opnameperiode geen overlastgeluiden van [Huurders] zelf zijn geregistreerd, zoals zij stellen. Anders dan [Huurders] kennelijk menen, kan uit het feit dat [de onderburen] op enig moment [hebben] aangegeven zelf zoveel mogelijk te doen om geen geluidshinder voor anderen te veroorzaken niet worden afgeleid dat [de onderburen] dús geluidshinder [hebben] veroorzaakt bij [Huurders]. Evenals de kantonrechter gaat ook het hof aan de door [Huurders] in het geding gebrachte filmpjes voorbij, nu het hof het met de kantonrechter eens is dat daaruit niet valt af te leiden dat en van wie [Huurders] geluidshinder hebben ondervonden. Dat, waarom en op welke wijze [de onderburen] en [de bovenburen] zouden hebben samengespannen tegen [Huurders] [3] of dat en waarom aan de overgelegde verklaringen over de door [de onderburen] en [de bovenburen] ervaren stress- en gezondheidsklachten geen waarde kan worden gehecht, wordt door [Huurders] ook niet duidelijk gemaakt. Verder kan uit het feit dat [Huurder 2] al op leeftijd is en een AOW-uitkering geniet niet worden afgeleid dat door [Huurders] geen overlast in de hiervoor omschreven zin is veroorzaakt, te minder nu voldoende vaststaat dat het nachtelijke aanbellen steeds door [Huurder 1] zelf is geschied en zijn gedragingen op grond van art. 7:219 BW Pro mede voor rekening van [Huurder 2] behoren te komen.
5.7.
Gelet op dit alles verenigt het hof zich met het oordeel van de kantonrechter dat sprake is geweest van door [Huurders] over een langere periode herhaaldelijk veroorzaakte overlast, die Woonborg – die zich als verhuurder immers ook de gerechtvaardigde belangen van andere bewoners van het appartementencomplex heeft aan te trekken – niet hoefde te dulden en die een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst heeft opgeleverd. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 3, 5, 6, 7, 8 en 9 geen doel treffen.”
1.3.3
Op basis hiervan heeft het hof zich in rov. 5.8 verenigd met het oordeel van de kantonrechter dat de ontbinding van de huurovereenkomst op zijn plaats is geweest.
1.3.4
Tot slot heeft het hof in rov. 5.13 geoordeeld dat de kantonrechter de door Huurders gedane bewijsaanbiedingen niet hoefde te honoreren, en dat in hoger beroep evenmin aan bewijslevering wordt toegekomen:
“5.13. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [Huurders] hun stellingen noch in eerste aanleg noch in hoger beroep voldoende feitelijk hebben onderbouwd. Om die reden behoefde de kantonrechter de door [Huurders] in eerste aanleg gedane bewijsaanbiedingen niet te honoreren en is van strijd met het in art. 6 EVRM Pro neergelegde fair-trialbeginsel geen sprake geweest. De daartegen opgeworpen grief 1 faalt daarom. Om dezelfde reden wordt aan bewijslevering door [Huurders] in hoger beroep evenmin toegekomen.”
1.4
Bij procesinleiding van 25 mei 2022 hebben Huurders tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest. Woonborg heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Daarna hebben Huurders en Woonborg hun standpunten laten toelichten en hebben Huurders bij schriftelijke repliek en Woonborg bij schriftelijke dupliek gereageerd op de schriftelijke toelichting van de andere partij.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. De
onderdelen 1 en 2klagen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Huurders hun betwisting van de door Woonborg gestelde overlast onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is, en dat het hof het (tegen)bewijsaanbod van Huurders ten onrechte heeft gepasseerd.
Onderdeel 3bevat een voortbouwklacht en een afzonderlijke motiveringsklacht.
Onderdeel 1
2.2
Onderdeel 1klaagt in
nr. 1dat het oordeel in rov. 5.5, 5.6 en 5.13 van het bestreden arrest onjuist is omdat het hof te hoge eisen stelt aan de stelplicht van Huurders, althans onbegrijpelijk is omdat Huurders voldoende hebben gesteld dan wel betwist. Deze klacht wordt in
nrs. 2-3van de procesinleiding nader uitgewerkt.
2.3
Bij de behandeling van deze klachten stel ik voorop dat de beoordeling of bepaalde stellingen voldoende (gemotiveerd) zijn betwist in beginsel is voorgehouden aan de feitenrechter. [4] De eisen die aan de betwisting van een stelling kunnen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, zoals de mate waarin de wederpartij haar stellingen heeft geconcretiseerd en eventueel reeds heeft onderbouwd. [5] Bewijslevering kan pas aan de orde komen als enerzijds voldoende is gesteld en anderzijds voldoende is betwist. [6]
2.4
Ik bespreek eerst de klacht (in
nr. 3) dat uit de in rov. 5.6 bedoelde stellingen van Huurders en de in het middel genoemde vindplaatsen uit de processtukken blijkt dat Huurders de gestelde overlast wel gemotiveerd hebben betwist, zodat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
2.5.1
De klacht faalt. Het hof heeft in rov. 5.5 en 5.6 overwogen dat Woonborg ‘ruimschoots’ aan haar stelplicht heeft voldaan en dat sprake is van ‘concrete en uitgewerkte’ stellingen van Woonborg. Het oordeel van het hof dat Huurders in reactie daarop niet konden volstaan met ‘kale’ betwistingen van die stellingen en dat zij de overlast in zoverre niet voldoende heeft betwist, is niet onbegrijpelijk te noemen.
2.5.2
Het hof vermeldt in rov. 5.5 onder (i) tot en met (v) de stellingen van Woonborg met betrekking tot de door Huurders veroorzaakte overlast. De door het hof in rov. 5.6 besproken stellingen van Huurders hebben betrekking op de stellingen (i) en (v) van Woonborg, maar niet op de onder (ii) tot en met (iv) bedoelde stellingen over het nachtelijk aanbellen.
2.5.3
Het hof noemt de in rov. 5.6 bedoelde stellingen van Huurders als voorbeelden van onvoldoende uitgewerkte stellingen van Huurders. In het vervolg van rov. 5.6 motiveert het hof waarom de onderbouwing van Huurders onvoldoende is. Zo overweegt het hof bijvoorbeeld dat nergens uit blijkt dat en waarom het bij de onderburen uitgevoerde geluidsonderzoek ondeugdelijk zou zijn geweest. Het hof licht dit vervolgens uitvoerig toe. Uit deze motivering volgt ook wat Huurders naar het oordeel van het hof op dit punt in redelijkheid nog meer hadden kunnen aanvoeren om te komen tot een voldoende betwisting van de stellingen van Woonborg.
2.5.4
Het oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk te noemen in het licht van de stellingen van Huurders in feitelijke instanties, waarnaar wordt verwezen in de procesinleiding. In nrs. 30-31 van de appeldagvaarding stellen Huurders weliswaar (zonder verwijzingen) dat zij gemotiveerd hebben betwist dat zij overlast bezorgen aan omwonenden, maar deze stelling houdt op zichzelf nog geen voldoende gemotiveerde betwisting in. Huurders hebben voorts gesteld dat de overlastmeldingen van de bovenburen en de onderburen ongeloofwaardig zijn. Het hof heeft overwogen (i) in rov. 5.5 dat de meldingen van de onderburen steun vinden in de meldingen van de bovenburen en
vice versaen (ii) in rov. 5.6 dat Huurders niet duidelijk maken dat, waarom en op welke wijze de onderburen en de bovenburen zouden hebben samengespannen. De overige vindplaatsen waarnaar de procesinleiding verwijst, houden geen betwisting in of vormen onderdeel van de grieven die het hof in rov. 5.6 gemotiveerd heeft besproken. [7]
2.6
Het onderdeel klaagt voorts (in
nr. 2), dat niet valt in te zien wat Huurders in redelijkheid nog meer hadden moeten stellen om de betwisting van de door Woonborg gestelde overlast te onderbouwen, mede gelet op het feit dat het hier gaat om een negatief feit dat het centrale punt van de procedure vormt, en dat zij hebben aangeboden getuigen te doen horen die kunnen verklaren over het al dan niet ervaren van overlast door Huurders.
2.7
Deze klacht slaagt niet. Het lag op de weg van Huurders om in deze procedure de door Woonborg gestelde overlast voldoende te betwisten. Het oordeel van het hof dat zij niet hebben gedaan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk te noemen. Het verwijt van Huurders (schriftelijke toelichting nr. 5) dat het hof de stelplicht te streng heeft toegepast en dat dit zich niet verhoudt met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) gaat, gelet op het voorgaande, in deze zaak niet op.
2.8
Tot slot klaagt het onderdeel (in
nr. 2) dat het hof in rov. 5.13 het bewijsaanbod van Huurders niet had mogen passeren.
2.9
De klacht faalt. In rov. 5.13 overweegt het hof dat Huurders hun betwisting noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep voldoende feitelijk hebben onderbouwd. Bij die stand van zaken, waarvan gelet op het voorgaande in cassatie moet worden uitgegaan, kon het hof op grond van artikel 149 Rv Pro de stellingen van Woonborg als vaststaand aannemen, en oordelen dat aan (tegen)bewijslevering niet wordt toegekomen.
Onderdeel 2
2.1
Onderdeel 2stelt (in
nr. 4) voorop dat het hof tot bewijswaardering is overgegaan door in rov. 5.5 en 5.6 onder meer de meldingen en verklaringen van de onderburen en de bovenburen en de filmpjes van Huurders te waarderen. Tegen die achtergrond klaagt het onderdeel dat het hof het tegenbewijsaanbod van Huurders met betrekking tot de over en weer gestelde overlast niet had mogen passeren.
2.11
De klacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft in rov. 5.5 en 5.6 de meldingen en verklaringen van de onderburen en de bovenburen, alsmede de filmpjes van Huurders, meegewogen bij zijn beoordeling van de kwaliteit van enerzijds de stellingen van Woonborg en anderzijds de daartegenin gebrachte stellingen van Huurders. Daarbij ontkomt het hof er weliswaar niet aan om vast te stellen of de verklaringen en filmpjes (kunnen) strekken tot onderbouwing van de stellingen van de partijen, maar daarmee is het hof in dit geval nog niet toegekomen aan bewijswaardering. [8]
2.12
Het onderdeel verwijst (in
nr. 4) nog naar hetgeen Huurders hebben gesteld over de overlast van de onderburen. Het hof heeft dit betrokken bij zijn beoordeling in rov. 5.5 en 5.6. Het hof heeft dus niet miskend dat deze stellingen voor de beoordeling relevant zijn.
Onderdeel 3
2.13
Onderdeel 3bevat (in
nr. 5) een voortbouwklacht voor het geval dat de voorgaande klachten slagen.
2.14
Deze klacht faalt in het verlengde van de falende
onderdelen 1 en 2.
2.15
Het onderdeel bevat voorts (in
nr. 5) de klacht dat rov. 5.8 onbegrijpelijk is voor zover het hof daarin geoordeeld zou hebben dat het enkele – door Huurders erkende – nachtelijke aanbellen bij de onderburen de zelfstandige grondslag voor de ontbinding vormt.
2.16
Deze klacht gaat niet op, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het oordeel van het hof berust immers op alle in rov. 5.5 bedoelde stellingen van Woonborg.
Slotsom
2.17
De slotsom is dat alle klachten van het cassatiemiddel falen, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen. De klachten maken het niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Zie voor een volledig overzicht van de vaststaande feiten hof Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1593, rov. 3.1-3.33. Zie voor de procedure bij de kantonrechter Rb. Noord-Nederland 25 mei 2021, zaaknr. 8652291 (niet gepubliceerd) en het herstelvonnis van 13 juli 2021.
2.Op hun beurt hebben Huurders een reconventionele vordering ingesteld. De reconventionele vordering hield in dat, in het geval de vorderingen van Woonborg toegewezen zouden worden, Woonborg wordt gelast om voor Huurders een vergelijkbare vervangende woonruimte te verzorgen, met betaling van een billijke verhuiskostenvergoeding. Deze vordering speelt in cassatie geen rol meer.
3.Het hof verwijst hier naar Huurder 1, waar het kennelijk Huurders bedoelt.
4.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, 2020, nr. 68-69.
5.Zie met verwijzingen naar rechtspraak van de Hoge Raad de conclusie van A-G Hartlief van 8 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:453, nrs. 3.3-3.8. Vgl. voorts V. van den Brink, Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding, TvPP 2008-4, par. 4.1-4.2; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, par. 3.4.2, 3.4.4, 3.5.2 en 11.7.1; B.T.M. van der Wiel, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 55-56.
6.Zie V. van den Brink, Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding, TvPP 2008-4, par. 4.2, slot; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, par. 3.4.2, 3.4.4, 3.5.2 en 11.7.1. Wel staat de mogelijkheid van (bijvoorbeeld) een voorlopig getuigenverhoor open, mits aan de vereisten van artikel 187 Rv Pro is voldaan.
7.In de schriftelijke toelichting namens Huurders wordt ook verwezen naar passages van de verklaring van Huurders in productie 23 bij hun akte die is ontvangen door de rechtbank op 1 maart 2021 (en die is gedateerd 11 februari 2021; plv.). Daarbij wordt echter niet verwezen naar vindplaatsen in de processtukken waar een beroep is gedaan op deze verklaring.
8.Anders dan, mogelijk, het geval was in HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, waarnaar de procesinleiding verwijst. De Hoge Raad liet in rov. 3.5.2 van dit arrest in het midden of het oordeel van het hof in die zaak moest worden begrepen als een voorlopige bewijswaardering.