Conclusie
1.[verweerster 1] B.V.(hierna: ‘ [verweerster 1] ’)
Attero B.V.(hierna: ‘Attero’)
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Ik heb een persoon opgeroepen die op dat moment op de weegbrug was. Die zei dat de deur dicht mocht. Ik wist dat er niemand meer was en ik was toch boven. Het is een soort nooduitgang. Ik dacht ik zal vragen of de deur dicht mag. Ik hoefde daar nooit in de buurt te komen.
deur dichtdeed had ik die portofoon in de hand. Ik wilde die in mijn borstzak doen toen ik naar beneden liep. Hij zat niet in mijn borstzak toen ik was gevallen. Ik denk dat hij uit mijn hand is gevallen. Hij lag een paar centimeter van mijn gezicht af. Ik kon met mijn neus het knopje indrukken en praten. Ik ben inderdaad voorovergevallen.
Ten tijde van het ongeval voldeed de voorziening voor het overbruggen van het hoogteverschil bij de nooddeur aan de gestelde voorschriften uit het bouwbesluit. De arbeidsinspecteur heeft geen oorzakelijk verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het, ingevolge artikel 9, eerste lid, van diezelfde wet, meldingsplichtige arbeidsongeval, zoals bedoeld in artikel 1, derde lid, onder 1, van diezelfde wet. Daarom wordt volstaan met het opmaken van deze brief.”
3.De zorgplicht en aansprakelijkheid van de werkgever op grond van art. 7:658 BW Pro
iederevorm van gevaar moet beschermen en hen absolute veiligheid moet bieden bij de uitoefening van hun werkzaamheden. [17]
instructies(en waarschuwingen), veiligheids
maatregelenen op het geval toegesneden
toezichtop de naleving van eventuele maatregelen en instructies. Zeker vanuit een oogpunt van effectiviteit van de te betrachten zorg is het niet onverschillig wat de werkgever doet. In de rechtspraak blijkt dan ook dat hij niet vrij kan kiezen tussen de genoemde ‘niveaus’. [19]
redelijkerwijsnodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat dat inhoudt (of maatregelen nodig zijn en, zo ja, welke?), hangt volgens Uw Raad af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. [20]
Kelderluik-factoren: [24] kans op een ongeval, aard en ernst van de eventuele gevolgen, bezwaarlijkheid van eventuele maatregelen en de kans dat potentiële slachtoffers zelf niet goed opletten. [25] In de context van art. 7:658 BW Pro gaat het in het bijzonder ook om de aard van de werkzaamheden én het gegeven dat werknemers zelf niet altijd voorzichtig genoeg zijn. [26] Beide factoren bepalen in belangrijke mate wat de risico’s voor de werknemer zijn en wat daarom van de werkgever kan worden verlangd.
Fair Playbij het smeren van een zacht puntbroodje, [33] bij een val na het verliezen van haar evenwicht door een schoonmaakster bij het verwijderen van een koffievlek op een bureau, [34] bij een val van een schoonmaakster die uitglijdt op een door regen nat en glad geworden tegelvloer op het moment dat zij vanuit een hotelkamer de overdekte corridor betrad [35] en bij het ongelukkig neerkomen van een magazijnmedewerker bij het gebruik van een trapje bij het pakken van een doos op hoogte. [36]
structurelewijze met dat gevaar wordt geconfronteerd, niet is, zodat wel degelijk van de werkgever kan worden verlangd dat hij maatregelen treft. [40]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
beschouwende positie van het gedrag van [eiser]” en niet steeds vanuit de vraag of de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Het hof heeft weliswaar enige elementen van de zorgplicht van de werkgever genoemd in de bestreden rechtsoverwegingen, maar deze zijn enkel aanvullend of concluderend van aard (zoals in rov. 3.9.2.) [45] of vermengd met het oordeel over de verantwoordelijkheid van [eiser] (rov. 3.9.4.). De elementen die zijn terug te vinden in de overwegingen betreffen de zichtbaarheid van de locatie (rov. 3.9.3.), het te verwachten gebruik van de treden (rov. 3.9.3.), de verlichting van de ruimte (rov. 3.9.4.) en de inrichting van de ongevalslocatie (rov. 3.10.). Apart genoemd is het plaatsen van de ‘traanplaat’ na het ongeval (rov. 3.11.). Ook hier verwijt [eiser] het hof dat het uiteindelijk de feiten niet (voldoende kenbaar) heeft beschouwd vanuit de specifieke functie van de nooduitgang waardoor [eiser] het bedrijfspand binnenkwam en de te nemen maatregelen dus niet vanuit dat perspectief heeft beoordeeld. De argumenten van [eiser] hadden ook in dat licht moeten worden beoordeeld. [46]
Komend vanaf een galerij boven in de bedrijfshal van Attero, heeft [eiser] twee treden bestegen die respectievelijk een hoogte van 10 (onderste trede) en 13 centimeter (bovenste trede) overbrugden om een openstaande deur van een nooduitgang te sluiten. Na het sluiten van de deur is [eiser] de treden weer afgelopen en daarbij is hij ten val gekomen.” [49] Daar heeft het hof in rov. 3.7. aan toegevoegd dat het, op basis van de verklaring van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg, als vaststaand feit aanneemt dat [eiser] “
ten tijde van de val bezig was om zijn portofoon terug te steken in zijn borstzakje”. [50]
daaromeen bewijsopdracht had moeten geven. Het hof was enkel gehouden tot een bewijsopdracht indien het tot de conclusie was gekomen dat voor de beslissing relevante feiten nog moesten worden bewezen. [60] Uit de hiervoor weergegeven motivering van het hof met betrekking tot zijn oordeel dat Attero en [verweerster 1] aan hun zorgplicht hebben voldaan, [61] blijkt niet dat er nog onduidelijkheid bestond over feiten die relevant waren voor de beslissing of Attero en [verweerster 1] aan hun zorgplicht hebben voldaan. Daarom kan ook niet worden gezegd dat het hof zijn oordeel om Attero en [verweerster 1] geen bewijsopdracht te verstrekken ten aanzien van hun stelling dat zij hun zorgplicht zijn nagekomen onvoldoende inzichtelijk en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Ik merk hierbij op dat [eiser] niet in dit subonderdeel en evenmin in de toelichting op de klachten van onderdeel 1 heeft aangegeven ten aanzien van
welkefeiten het hof Attero en [verweerster 1] een bewijsopdracht had moeten geven.
onderdeel 2wordt aan de orde gesteld dat het hof ten onrechte niet (geheel) is ingegaan op alle stellingen van [eiser] in het kader van zijn beroep op de schending van de zorgplicht. Hierdoor is volgens dit onderdeel de beslissing van het hof onbegrijpelijk, en in ieder geval onvoldoende inzichtelijk. [62] Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.
op het moment van het ongeval” nauwelijks zichtbaar waren, mogelijk door het kleurverschil tussen de trap en de ondervloer of omdat de lichtkoepels nauwelijks licht doorlieten. Ook had het hof hier moeten meewegen dat [eiser] is gevallen toen hij het pand betrad na de deur van de nooduitgang te hebben gesloten, terwijl een nooduitgang niet bedoeld is om het bedrijfspand te betreden.
het zicht op de traptreden op het moment van het ongeval niet goed was en de lichtkoepels nauwelijks licht doorlieten” verworpen. In het oordeel dat de ongevalslocatie adequaat verlicht was, ligt immers ook besloten dat de treden voor [eiser] voldoende zichtbaar moeten zijn geweest op het moment van het ongeval.
subonderdeel 2.2heeft het hof geen expliciete aandacht besteed aan ‘de klacht’ van [eiser] dat hij niet is gewaarschuwd voor het hoogteverschil op de desbetreffende locatie, een nooduitgang. Voor zover het hof hier wel op is ingegaan door te overwegen dat er geen bijzondere instructie nodig was, [68] had het hof de omstandigheden waar [eiser] een beroep op heeft gedaan teneinde te betogen dat Attero en [verweerster 1] niet aan hun zorgplicht hebben voldaan, niet alleen op zichzelf maar tevens in onderling verband moeten beoordelen. Een dergelijke overweging van het hof ontbreekt waardoor zijn motivering onvoldoende inzichtelijk is. [eiser] vermeldt niet welke ‘omstandigheden’ hij hier precies op het oog heeft, maar ik neem aan dat hij doelt op de stellingen die hij bij subonderdeel 2.1 heeft opgesomd: [69]
waarschijnlijkheidsvraag” uit de kelderluikcriteria die het hof voor ogen dient te houden. Hoewel de kans dat iemand de werkplek betreedt via een nooduitgang vermoedelijk gering is, is de kans op personenschade groter dan gebruikelijk omdat nooduitgangen niet zijn ingericht voor het betreden van een ruimte. Deze kans wordt nog verder vergroot als, zoals in onderhavig geval, markeringen ontbreken die vanuit de positie van de ‘binnentreder’ zichtbaar zijn. Attero en [verweerster 1] hebben niet gesteld dat zij in dit verband voorzorgsmaatregelen hebben getroffen, maar dit had wel van hen mogen worden verwacht gezien de door het hof vastgestelde feiten en de stelplicht van de werkgever. In dit licht had het hof ook moeten meewegen dat [eiser] de situatie ter plaatse niet kende. In relatie tot zijn verwijt dat Attero hem niet heeft gewaarschuwd, heeft [eiser] immers in zijn memorie van grieven nadrukkelijk gesteld dat hij niet bekend was met de situatie bij de nooduitgang. [70] Het hof had dit dan moeten bezien in het licht van het feit dat [eiser] aan het binnentreden was via een daartoe niet bedoelde nooduitgang en had zich de vraag moeten stellen of de werkgever tegen de risico’s daarvan voldoende heeft gewaarschuwd. Dat een dergelijke overweging achterwege is gelaten door het hof, onderstreept dat het hof een onvoldoende strikte stelplicht op de werkgever heeft gelegd (zie daartoe klachtonderdeel 1), althans een onvoldoende inzichtelijk oordeel heeft gegeven.
subonderdeel 2.3richt [eiser] zich tegen rov. 3.11. waarin het hof heeft geoordeeld dat het gegeven dat Attero na het ongeval een plaat heeft geplaatst over de twee traptreden waar [eiser] van af gevallen is niet dwingend leidt tot de conclusie dat in de oude situatie Attero niet aan haar zorgplicht van art. 7:658 lid 1 BW Pro heeft voldaan. Volgens het subonderdeel is deze overweging, zonder nadere motivering, onvoldoende begrijpelijk en gelet op de stelplicht van de werkgever in het kader van art. 7:658 lid 2 BW Pro onvoldoende gemotiveerd. Zowel [verweerster 1] als Attero hebben niet duidelijk gemaakt waarom de plaat precies is geplaatst. Als de plaat is geplaatst om een veiligere situatie te creëren, dan is het de vraag waarom dit niet eerder is gebeurd en of het bezwaarlijk was om deze maatregel eerder te treffen. [eiser] heeft immers onbetwist gesteld, aldus het subonderdeel, dat de aanwezigheid van de plaat het ongeval had kunnen voorkomen.
hindsight bias. Wanneer een achteraf getroffen maatregel mag meewegen bij de beantwoording van de vraag of de werkgever voor het ongeval aan zijn zorgplicht had voldaan, is het verleidelijk om te oordelen dat de werkgever die maatregel ook voor het ongeval al had kunnen en vooral moeten treffen. [76] Aan die verleiding moet weerstand worden geboden. Daarbij moet worden bedacht dat er verschillende redenen zijn om na een eventueel ongeval een maatregel te treffen. Zo kan het zijn dat de werkgever na het ongeval een maatregel treft om in ieder geval ‘iets te doen’ om een soortgelijk ongeval in de toekomst te voorkomen. Dit zegt echter nog niks over de vraag of van hem ook op straffe van aansprakelijkheid kon worden verlangd dat hij deze maatregel al voor het ongeval had getroffen. [77] Zoals in randnummer 3.6 aan de orde kwam, hangt dit af van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. [78]
onderdeel 3hetzelfde lot.