Conclusie
1.Hydrauvision Systems B.V. (hierna: ‘Hydrauvision’)
Autoschade Rida Oostburg B.V.(hierna: ‘ Rida ’)
1.Feiten
fractuur anterieure zijde wervel L4”, in die zin dat een rand van het desbetreffende bot is afgebroken.
Besluit:
Ingekomen;
2.Procesverloop
Eerste aanleg
voor recht te verklaren dat Hydrauvision (…) en/of Rida (…) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door (…) [verweerder] ten gevolge van het arbeidsongeval van 3 maart 2016 geleden en nog te lijden schade” en om “
Hydrauvision (…) en/of Rida (…) hoofdelijk te veroordelen des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan (…) [verweerder] de schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het arbeidsongeval d.d. 3 maart 2016, nader op te maken bij staat”.
uitgangspunten” (rov. 3.6.) over de onderhavige zaak geoordeeld.
Eerste VGM instructieheeft ontvangen, alsmede in het bezit is gesteld van het bijbehorende
VGM Instructie boek voor tijdelijke en nieuwe medewerker, welke stukken tevens met hem zijn besproken. De kantonrechter verwijst naar de desbetreffende bescheiden die als bijlage aan de verklaring van getuige [getuige 5] zijn gehecht. [verweerder] heeft het instructieformulier op 26 februari 2015 getekend, en daardoor tevens bevestigd dat hij het VGM-handboek heeft ontvangen. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan de stelling van [verweerder] dat hij zich niet meer kan herinneren instructies te hebben gehad, hierbij tevens overwegende dat hij tijdens het getuigenverhoor uitdrukkelijk het handschrift op het VGM-formulier als het zijne heeft herkend.”
VGM Instructie boek voor tijdelijke en nieuwe medewerkervan Hydrauvision geciteerd:
4.L.M.R.A.
Vaststellen of potentiële gevaar direct op de werkplek (nog) aanwezig is en de kans bestaat dat men wordt blootgesteld aan dit gevaar.
Vaststellen hoe men kan voorkomen aan deze gevaren te worden blootgesteld.
Het nemen van beheersmaatregelen om deze gevaren te elimineren of te beheersen, zodat deze taak veilig uitgevoerd kan worden.
Is er struikelgevaar, kans op vallen of uitglijden in het loop- of werkgebied?
(…)
Chronologisch verloop na ongeval:
,A-G]
heeft verklaard op paletten gestaan te hebben en daar vanaf gevallen te zijn.
De zaken die in het spuitrek hingen voor mij om te schuren en te spuiten, waren daar opgehangen door stagelopers van Hydrauvision.”
Het is wel eens eerder [29] voorgekomen dat de spuitstukken niet goed hingen. Wij (Hydrauvision) hebben in die gevallen steeds voor verhanging zorg gedragen.”
Visualisatie van een radiolucente opklaring ter hoogte van L4 mogelijk in het kader van onderliggende spondylolyse.”
envanwege de korte gebruiksduur of de bestaande kenmerken van de arbeidslocatie. In dit geval is niet gebleken dat of waarom het gebruik van een ander, veiliger eenvoudig arbeidsmiddel (te weten: een langere haak voor het ophangen van de slangbreukventielen) niet gerechtvaardigd zou zijn geweest. Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof met zich dat Hydrauvision voor het verrichten van de arbeid niet zodanige maatregelen heeft getroffen dat kon worden voorkomen dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat dit geldt in alle mogelijke (en nu nog niet heldere) omstandigheden, dus ongeacht de vraag of [verweerder] zich nu op 100 cm of 50 cm van de vloer bevond en ongeacht de vraag of hij nu gebruik maakte van een regelmatig gekeurde trap of ladder, dan wel een rolsteiger.”
3.De zorgplicht en aansprakelijkheid van de werkgever op grond van art. 7:658 BW Pro
Inleiding en plan van behandeling
vergaande aansprakelijkheid voor gevaarzettingin, die weliswaar geen risicoaansprakelijkheid is, maar door de wijze waarop zij in de context van het werken op basis van een arbeidsovereenkomst wordt ingevuld wel meebrengt dat de werkgever niet snel vrijuit gaat (hierna randnummers 3.5 e.v.);
lage drempelvoor aansprakelijkheid. De werknemer kan volstaan met stellen en, bij betwisting, bewijzen dat hij schade heeft opgelopen tijdens zijn werkzaamheden (hierna randnummers 3.24 e.v.). Dat is voldoende voor aansprakelijkheid van de werkgever, zij het dat de werkgever nog aan deze aansprakelijkheid kan proberen te ontsnappen; [49]
ontsnappingsmogelijkheden: (1) ‘ik ben niet aansprakelijk, want ik heb voldoende zorg betracht’ (lid 2), (2) ‘ik heb misschien onvoldoende zorg betracht, maar ben toch niet aansprakelijk want de schade is in belangrijke mate toe te schrijven aan opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer’ (lid 2) en (3) ‘ik heb misschien onvoldoende zorg betracht, maar ben toch niet aansprakelijk want de schade zou ook zijn ontstaan wanneer ik wél voldoende zorg zou hebben betracht’ (het uit het systeem van het aansprakelijkheidsrecht voortvloeiende verweer van het ontbreken van
condicio-sine-qua-non-verband); [50]
eigen schuld-verweer hoeft de werkgever geen geld te zetten. [51] Art. 6:101 BW Pro heeft hier geen betekenis. In het kader van art. 7:658 BW Pro geldt (i) dat enkel opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer relevant is, [52] (ii) dat deze omstandigheid niet voor vermindering van de vergoedingsplicht maar enkel voor verval van aansprakelijkheid aanleiding kan geven, zodat de facto sprake is van een
alles-of-niets-systeem, [53] en (iii) dat verval van aansprakelijkheid in de praktijk uitzonderlijk is gelet op de strenge interpretatie die in de rechtspraak wordt gegeven aan ‘bewuste roekeloosheid’ [54] (ik laat de evenzeer schaarse opzet-gevallen nu even daar) én de voorwaarde, die opnieuw in de rechtspraak is gesteld, dat de tekortkoming van de werkgever als oorzaak van het ongeval bij het gedrag van de werknemer in het niet valt. [55]
Reclasseringsmedewerkerheeft Uw Raad dit als volgt geformuleerd: [57]
plaatswaar de werkzaamheden worden verricht, kan daarom een relevante factor worden genoemd. [60] De zorgplicht van de werkgever ziet eerst en vooral op de ‘arbeidsplaats’, omdat de werkgever daar zijn zeggenschap en instructiebevoegdheid en daarmee zijn invloed het beste kan laten gelden. Dat ligt anders wanneer de werknemer voor zijn werk ook op andere plaatsen komt, doch ook wanneer de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden op plaatsen komt die (bijvoorbeeld omdat de werkgever ter plaatse geen enkele zeggenschap heeft ten aanzien van de gesteldheid, de inrichting, het gebruik door anderen en de veiligheid) niet als ‘arbeidsplaats’ kan worden aangemerkt, kan de zorgplicht van art. 7:658 BW Pro meebrengen dat de werkgever ten aanzien van de uitoefening aldaar van de werkzaamheden maatregelen treft en aanwijzingen geeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. [61]
iederevorm van gevaar moet beschermen en hen absolute veiligheid moet bieden bij de uitoefening van hun werkzaamheden. In het arrest
[…] / […] [63] heeft Uw Raad het als volgt geformuleerd:
instructies(en waarschuwingen), veiligheids
maatregelenen een op het geval toegesneden
toezichtop de naleving van eventuele maatregelen en instructies. Zeker vanuit een oogpunt van effectiviteit van de te betrachten zorg is het niet onverschillig wat de werkgever doet. In de rechtspraak blijkt dan ook dat hij niet vrij kan kiezen tussen de genoemde ‘niveaus’. [64]
redelijkerwijsnodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat dat inhoudt (of maatregelen nodig zijn en, zo ja, welke), hangt volgens Uw Raad af van de omstandigheden van het geval. [65] In het arrest
[…] / […] [66] heeft Uw Raad het als volgt geformuleerd: [67]
Kelderluik-factoren [68] komt goed tot uitdrukking dat het bij art. 7:658 BW Pro in de kern gaat om ‘gevaarzetting’ in een specifieke contractuele context. [69] In dit verband wordt net als bij beoordeling van een gevaarzettingszaak onder de noemer van art. 6:162 BW Pro bij de vraag wat van de gevaarzetter kan worden verlangd gekeken naar eventuele geschreven normen en verder naar het ongeschreven recht. Bij dat laatste gaat het zowel bij toepassing van art. 6:162 als Pro van art. 7:658 BW Pro in het bijzonder om (weging van) de bekende
Kelderluik-factoren: [70] kans op een ongeval, aard en ernst van de eventuele gevolgen, bezwaarlijkheid van eventuele maatregelen en de kans dat potentiële slachtoffers zelf niet goed opletten. [71] De context van art. 7:658 BW Pro is daarbij wel heel relevant: waar bijvoorbeeld in de context van sport- en spelsituaties [72] en (feitelijk) ook in die van de ongelukjes in de particuliere sfeer een zekere verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt, [73] is dat juist niet het geval bij art. 7:658 BW Pro. Daar wordt juist streng(er) voor de gevaarzetter geoordeeld, juist omdat hij degene is die zijn werknemers aan (structurele) gevaren blootstelt terwijl hij daar ook wat aan kan doen (zeggenschap en instructiebevoegdheid) en juist in het kader van het werk rekening moet worden gehouden met onvoorzichtigheid en onoplettendheid bij potentiële slachtoffers (de werknemers). [74] Veel minder dan in het normale leven kan men er daarom op rekenen dat eigen verantwoordelijkheid (potentiële slachtoffers letten zelf wel op) ongevallen voorkomt. Dat gegeven kleurt juist de zorgplicht van de werkgever. En toch geldt, net als bij gevaarzetting in het algemeen, dat niet ieder risico uitgebannen kan worden en dat niet elke kans op schade verplicht tot het treffen van maatregelen. Ik kom daarop nog terug bij de bespreking van de zogenoemde ‘huis-, tuin- en keuken-ongelukken’ in randnummers 3.17-3.21.
Kelderluik-factoren, gaat het in de context van art. 7:658 BW Pro in het bijzonder om de aard van de werkzaamheden én het gegeven dat werknemers zelf niet altijd voorzichtig genoeg zijn. Beide factoren bepalen in belangrijke mate wat de risico’s zijn en wat daarom van de werkgever kan worden verlangd
Kelderluik-factor speelt bij art. 7:658 BW Pro een structurele rol. De zorgplicht van de werkgever wordt gekleurd door het gegeven dat werknemers niet steeds (optimaal) voorzichtig zijn. [78] Dat geldt (juist) ook voor ervaren krachten die eerder zullen terugvallen op routine. [79] Het gegeven kan meebrengen dat de werkgever er niet op kan rekenen dat de werknemer zelf wel goed oplet zodat hij niet achterover kan leunen maar juist gehouden is een maatregel te treffen, doch kan ook inhouden dat de werkgever een betere (lees: effectievere) maatregel moet nemen of juist toezicht op de naleving van instructies (om bijvoorbeeld bepaalde hulpmiddelen te gebruiken) moet houden. Zo had de werkgever er in de zaak
[…] / […]rekening mee moeten houden dat ‘werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is’. [80] Dat gegeven was in die zaak reden voor betere instructies, maar vooral ook voor een aanvullende maatregel: het verstrekken van veiligheidsschoenen. In de zaak
/Daltra Antilleshad de werkgever ervaren werknemers die werkzaamheden op een dak gingen verrichten niet alleen veiligheidsgordels ter beschikking moeten stellen, maar er ook op moeten toezien dat zij deze daadwerkelijk gebruikten. [81]
Fairplaybij het smeren van een zacht puntbroodje, [88] bij een val na het verliezen van haar evenwicht door een schoonmaakster bij het verwijderen van een koffievlek op een bureau, [89] bij een val van een schoonmaakster die uitglijdt op een door regen nat en glad geworden tegelvloer op het moment dat zij vanuit een hotelkamer de overdekte corridor betrad [90] en bij het ongelukkig neerkomen van een magazijnmedewerker bij het gebruik van een trapje bij het pakken van een doos op hoogte. [91]
structurelewijze met dat gevaar wordt geconfronteerd, niet is, zodat wel degelijk van de werkgever kan worden verlangd dat hij maatregelen treft.
[…] /Vendrig [95] en
[…] /Casa Grande. [96] In beide gevallen was de werknemer uitgegleden in een plas water, een risico dat eenieder bekend moet zijn uit het dagelijks leven. In
[…] /Vendrigwas de werkgever aansprakelijk en in
[…] /Casa Grandeniet. Ik meen dat het verband tussen de aard van de werkzaamheden en de daaropvolgende structurele blootstelling aan het risico ‘uitglijden in een plas water’ hier een verklarende factor kan zijn. In
[…] /Vendriggleed de werknemer uit in een wasserette waar veelvuldig waterplassen konden ontstaan vanwege de werkzaamheden aldaar. Hierdoor was er sprake van een structureel gevaar op uitglijden dat ontstond door de aard van de werkzaamheden. Hoewel de werknemer veiligheidsschoenen droeg, werd het de werkgever aangerekend dat er geen rubber matten, een effectief middel in dit verband, waren geplaatst. In
[…] /Casa Grandewas van een dergelijk structureel gevaar geen sprake, doch veeleer van een incidenteel gevaar: de betrokken schoonmaakster was uitgegleden toen zij vanuit een hotelkamer de door regen nat en glad geworden tegelvloer in de overdekte corridor betrad. Van de werkgever konden in dit geval, zo was althans de uitkomst, geen maatregelen worden gevergd. [97]
condicio-sine-qua-non-verband waarvan de werknemer het bewijsrisico draagt. [107] Oordeelt de rechter dat niet komt vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, dan strandt daarmee zijn vordering. Hier komt het de werknemer goed uit dat Uw Raad uitgaat van een ruime uitleg van ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’. [108]
dathij
tijdens de uitoefening van werkzaamheden schadeheeft geleden. [110] De werkgever heeft de mogelijkheid om dit (gemotiveerd) te betwisten. Het is dan aan de werknemer om te bewijzen dat hij tijdens de werkzaamheden schade heeft geleden. De werkgever die dit echter betwist enkel op de grond dat niemand het ongeval heeft zien gebeuren en met een ongeloofwaardige alternatieve lezing komt omtrent het ontstaan van de schade, zal niet snel worden gevolgd door de rechter. [111] Ik merk hierbij wel op dat de exacte toedracht nog wel een rol kan spelen bij de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. [112] In randnummers 3.31-3.32 ga ik hier nader op in.
condicio-sine-qua-non-verband ontbreekt tussen zijn tekortkoming en de door de werknemer geleden schade (anders gezegd dat de schade een andere oorzaak dan zijn tekortschieten heeft en dus ook zou zijn ontstaan wanneer hij voldoende zorg zou hebben betracht) of (ii) dat de schade in belangrijke mate is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
Kelderluik-factoren in beeld. In het kader van art. 7:658 BW Pro wordt de vraag of en zo ja welke zorg van de werkgever eerst en vooral bepaald door de aard van de werkzaamheden en het gegeven dat werknemers niet steeds (optimaal) voorzichtig zijn.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
sub-subonderdeel B.1-Igetuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof de hiervoor in randnummer 4.2 genoemde stellingen van Hydrauvision c.s., [129] inhoudende dat de val van [verweerder] gefingeerd is, kennelijk niet van belang heeft geacht voor de vraag of het ongeval heeft plaatsgevonden, dan wel dit onvoldoende heeft toegelicht. Indien het hof van oordeel was dat het deze stellingen niet had hoeven te behandelen, heeft het hof de devolutieve werking miskend; door het slagen van de grief van [verweerder] , had het hof alle in eerste aanleg gehanteerde argumenten geheel opnieuw moeten wegen.
sub-subonderdeel B.1-IIIbetogen Hydrauvision c.s. dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.5.1.-3.5.2. van het tussenarrest heeft geoordeeld dat uit “
objectief vastgestelde feiten volgt” dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De argumenten die het hof hiervoor aandraagt, kunnen dit oordeel, gezien het gemotiveerde verweer van Hydrauvision c.s., niet dragen. Hieruit volgt niet anders dan dat [verweerder] zelf zegt dat hij is gevallen en daarvan rugklachten heeft gekregen en ook tegen medici heeft gezegd dat hij rugklachten heeft. De door het hof genoemde feiten kunnen ook zeer wel in het beeld passen dat het ongeval gefingeerd is. Het sub-subonderdeel wijst hiervoor op de volgende redenen:
B.1-VIbrengen een drietal specifieke stellingen onder de aandacht die het hof ten onrechte niet of onvolledig heeft betrokken in zijn oordeel over het plaatsvinden van het ongeval in de bestreden arresten. Sub-subonderdeel B.1-IV ziet op de stelling van Hydrauvision c.s. dat de wijze waarop [verweerder] stelt te zijn gevallen onlogisch en onbegrijpelijk is (na een misstap van een rolsteiger op zijn rug op een balk voor hem). Hetzelfde geldt volgens sub-subonderdeel B.1-V voor de stelling dat het ongeloofwaardig is dat [verweerder] , zoals hij zelf heeft gesteld, direct na het ongeval, twee à drie kwartier op de grond heeft gelegen, daarna in gebukte houding heeft gezeten, vervolgens nog een aantal uren heeft doorgewerkt en zijn formele werkgever ( Rida ) een bericht heeft gestuurd dat hij de volgende ochtend weer zou komen werken. En sub-subonderdeel B.1VI betreft de stelling dat [verweerder] om verschillende redenen geen rolsteiger kan hebben gebruikt. Het hof heeft deze stelling slechts beperkt aangehaald in rov. 3.6.3. van het tussenarrest door enkel te noemen dat [verweerder] geen rolsteiger kan hebben gebruikt omdat deze volgens Hydrauvision c.s. niet is aangetroffen. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof ook miskend dat de gestelde toedracht wel een rol kan spelen bij de vraag in hoeverre kan worden vastgesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden. [131]
sub-subonderdeel B.1-VIIhad het hof de stelling van Hydrauvision c.s., inhoudende dat er mogelijk wel iets met de rug van [verweerder] aan de hand is geweest, maar dat er zoveel tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en wisselende verklaringen door [verweerder] zijn afgelegd dat het ongeval in de visie van Hydrauvision c.s. is gefingeerd, op grond van art. 25 Rv Pro moeten kwalificeren als een beroep van Hydrauvision c.s. op schending van art. 21 Rv Pro. Het hof had dit beroep niet onbesproken mogen laten en had op zijn minst moeten motiveren waarom het aan dit beroep voorbij is gegaan.
subonderdeel B.3betogen Hydrauvision c.s., in de kern, dat het hof niet in het midden mocht laten of [verweerder] gebruik heeft gemaakt van een rolsteiger en het bewijsaanbod dat deze er niet was niet mocht passeren. Het subonderdeel richt zich in het bijzonder tegen rov. 3.6.2., 3.6.3. en 3.10. van het tussenarrest en rov. 6.3., 6.10. en 6.15. van het eindarrest en bevat een viertal klachten.
sub-subonderdeel B.3-Igetuigt het van een onjuiste rechtsopvatting, is het althans onbegrijpelijk, dat het hof de door [verweerder] gegeven lezing of toedracht van het ongeval niet (meer) van belang acht door te oordelen dat in het midden kan blijven of [verweerder] nu een rolsteiger of een door [getuige 3] aangetroffen krukje heeft gebruikt. De toedracht is immers van belang voor de vraag of het ongeval daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hydrauvision c.s. hebben de door [verweerder] gestelde toedracht gemotiveerd verworpen en hebben hiervoor bewijs aangeboden, dat het hof op ontoereikende gronden heeft verworpen.
sub-subonderdeel B.3-III. Met dit sub-subonderdeel betogen Hydrauvision c.s. dat het hof de exacte toedracht van het ongeval niet in het midden mocht laten omdat de geloofwaardigheid van de gestelde toedracht verder afneemt als blijkt dat inderdaad komt vast te staan dat er in het geheel geen rolsteiger zoals [verweerder] stelt te hebben gebruikt, aanwezig was. Dit is vervolgens ook cruciaal voor de vraag of [verweerder] heeft bewezen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden.
Sub-subonderdeel B.3-IVbevat een veegklacht.
voor zover in hoger beroep van belang”. Over de vraag of het ongeval heeft plaatsgevonden, heeft het hof in rov. 3.5.1. voorlopig geoordeeld dat het het oordeel van de kantonrechter deelt dat uit objectief vaststaande feiten volgt dat het ongeval heeft plaatsgevonden en dat [verweerder] op 3 maart 2016 in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Het hof heeft hier de volgende (nietbetwiste) feiten aan ten grondslag gelegd:
dat[verweerder] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het was niet gehouden om, bij onduidelijkheid over de exacte toedracht, vast te stellen
hoe[verweerder] precies is gevallen. Daar komt nog bij, zoals ik in randnummers 4.29-4.35 nader zal bespreken, dat voor verwijzing naar de schadestaat het aannemelijk zijn van de mogelijkheid van schade volstaat. Het was in dit geval dus voldoende dat het hof zou vaststellen dat het
aannemelijkis dat [verweerder]
mogelijkschade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Tegen deze achtergrond moeten de klachten van subonderdelen B.1 en B.3 worden beoordeeld.
objectief vastgestelde feiten” het ongeval heeft plaatsgevonden omdat uit deze feiten niets anders zou volgen dan dat [verweerder] zelf zegt en tegen medisch specialisten heeft gezegd dat hij rugklachten heeft. De stellingen die Hydrauvision c.s. met sub-subonderdeel B-1-III aanvoeren, zijn echter van onvoldoende gewicht om het oordeel van het hof onbegrijpelijk te maken. Voor het WhatsApp-bericht waarin [verweerder] een onjuiste mededeling zou hebben gemaakt over wanneer hij een formulier heeft ingevuld, geldt dat de onduidelijkheid over de vraag hoeveel formulieren [verweerder] precies heeft ingevuld na het ongeval en van welk formulier hij precies melding maakte in het bewuste WhatsApp-bericht aan [getuige 2] van ondergeschikt belang zijn voor de vraag of het ongeval heeft plaatsgevonden. Zij zeggen immers niks over de vraag of het ongeval heeft plaatsgevonden. Dit is ook al door de kantonrechter geoordeeld [139] en het hof heeft zich daarbij aangesloten. [140] Wat betreft de stellingen dat [verweerder] tegen de medici die hij kort na het ongeval gezien heeft, alleen heeft gezegd dat hij rugklachten heeft, geldt dat het zeer onaannemelijk is dat [verweerder] door zijn huisarts nog dezelfde dag van het ongeval naar het ziekenhuis is gestuurd voor het maken van foto’s, vervolgens is behandeld met een korset en verschillende medisch specialisten voor zijn rug heeft gezien, enkel omdat hij tegen hen zou hebben
gezegddat hij last van zijn rug heeft. Het ligt, zo hebben de kantonrechter en het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen, voor de hand dat deze medici [verweerder] ook hebben onderzocht en hem op basis daarvan hebben behandeld. Dat [verweerder] mogelijk al rugklachten had, doet niets af aan het feit dat het aannemelijk is, zoals het hof ook in rov. 6.19. van het eindarrest heeft geoordeeld, dat [verweerder] bij een val van enige hoogte (minstens 50 cm) op het H-profiel van het spuitrek enige vorm van (rug)letsel heeft opgelopen.
wel degelijk” is gevallen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Nadat het hof tot het oordeel is gekomen dat [verweerder] is gevallen van een klimmiddel, was het voor het antwoord op de vraag of [verweerder] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden niet meer van belang om vast te stellen waar [verweerder] precies van af is gevallen (de door hem gestelde rolsteiger (die mogelijk niet aanwezig was bij Hydrauvision) of het door [getuige 3] aangetroffen krukje) en hoe dit precies is gebeurd (voorover met zijn rug of achterover met zijn rug). Hiermee hoefde het hof niet nader in te gaan op de stellingen van Hydrauvision c.s. die hiermee samenhingen. Het hof kon daarom ook volstaan met zijn oordeel in rov. 3.6.3. van het tussenarrest dat in het midden kon blijven of [verweerder] een rolsteiger of een krukje heeft gebruikt. Het is immers niet van belang dat de exacte toedracht wordt vastgesteld voor een antwoord op de vraag of de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Onduidelijkheid over de toedracht komt, als gezegd, voor risico van Hydrauvision c.s. Dat het onduidelijk was hoeveel en welke formulieren [verweerder] precies heeft ingevuld na het ongeval en welk formulier hij bedoelde in het bewuste WhatsApp-bericht aan [getuige 2] is van ondergeschikt belang voor de vraag of het ongeval heeft plaatsgevonden. Dit is ook al door de kantonrechter geoordeeld [142] en het hof heeft zich daarbij aangesloten. [143] Ook de stelling dat het ongeloofwaardig is dat [verweerder] na het ongeval nog enkele uren heeft doorgewerkt, is van onvoldoende belang om het oordeel van het hof dat het ongeval heeft plaatsgevonden succesvol te bestrijden. Het is immers goed denkbaar – en het hof zal ook langs die lijnen hebben geredeneerd – dat de schade vlak na het ongeval op het eerste gezicht misschien meeviel, dat de pijn werd onderdrukt (bijvoorbeeld ook door de adrenaline) en dat de ernst ervan pas later, na medisch onderzoek, voldoende duidelijk werd.
kanspelen bij de vraag of het ongeval heeft plaatsgevonden. Het hof heeft immers geoordeeld dat [verweerder] is gevallen, dat de kern van wat hij daarover naar voren heeft gebracht aannemelijk is en dat hij hierdoor schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden (zie hiervoor in randnummer 4.15). Het is dan niet meer van belang om vast te stellen
hoehij gevallen is, zolang dat niet afdoet aan de aannemelijkheid van het feit dat [verweerder] is gevallen. Mocht vast komen te staan dat hij niet van een rolsteiger is gevallen, dan blijft de conclusie op basis van de door het hof aangenomen “
objectieve feiten” gerechtvaardigd dat [verweerder] in ieder geval van een klimmiddel is gevallen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden.
objectieve feiten” geoordeeld dat het ongeval “
wel degelijk” heeft plaatsgevonden. Het heeft daarbij oog gehad voor het gemotiveerde verweer van Hydrauvision c.s. dat het ongeval om verschillende redenen zou zijn gefingeerd door [verweerder] , maar deze redenen van onvoldoende gewicht of belang geacht om te twijfelen aan zijn oordeel dat het aannemelijk is dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden mogelijk schade heeft geleden. Dat de exacte toedracht van het ongeval niet is vastgesteld, is daarvoor niet van belang. Hiermee falen sub-subonderdelen B.1-I, B.1-II, B.1-IV, B.1-V, B.1-VI, B.3-I, B.3-II en B.3-III.
Sub-subonderdelen B.2I en B.2-IIrichten zich, samengevat, tegen het oordeel van het hof dat in deze procedure slechts de aansprakelijkheid van Hydrauvision c.s. onderwerp van de rechtsstrijd is en dat het hof daarom kon volstaan met een voorlopig oordeel inhoudende dat het vooralsnog niet onaannemelijk is dat [verweerder] enige schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. Hiermee heeft het hof miskend dat er pas sprake kan zijn van werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW Pro als is komen vast te staan
datde werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en er een causaal verband aanwezig is. Een voorlopig oordeel hierover is onvoldoende.
Sub-subonderdeel B.2-IIIbevat een veegklacht.
aannemelijkis geworden dat de gelaedeerde (in de onderhavige zaak is dat [verweerder] als werknemer)
mogelijkschade heeft geleden. Anders dan de sub-subonderdelen suggereren, geldt dit ook voor een procedure waarin de werknemer zijn werkgever aansprakelijk stelt op grond van art. 7:658 BW Pro. [145] Daarbij kan de werknemer niet volstaan met het enkel stellen ‘dat hij schade heeft geleden’. Enige nadere concretisering van de schade mag wel van hem worden verwacht. [146] Hiervoor merkte ik al op dat arbeidsongevallen meestal gepaard gaan met fysiek letsel en dat in dat verband al snel aannemelijk is dat de gedupeerde mogelijk schade heeft geleden (randnummer 3.25). [147]
daadwerkelijkschade heeft geleden en dat er een
daadwerkelijkcausaal verband bestond tussen de schade en de uitoefening van zijn werkzaamheden.
sub-subonderdeel C.4-Iheeft het hof miskend dat het voor de vraag of Hydrauvision c.s. aan de op hun rustende zorgplicht op grond van art. 7:658 BW Pro hebben voldaan, bepalend is hetgeen door [verweerder] ten aanzien van de toedracht van het ongeval is gesteld: hij is bij het uitvoeren van werkzaamheden aan slangbreukventielen gevallen van een door hemzelf geplaatste rolsteiger. Volgens het sub-subonderdeel rust op [verweerder] een stelplicht ten aanzien van wat de schending van de zorgplicht precies inhield. [verweerder] heeft hier invulling aan gegeven door Hydrauvision c.s. te verwijten dat hij van een onveilige rolsteiger is gevallen. De val van een onveilige rolsteiger had het hof dan ook moeten toetsen in het kader van de mogelijke zorgplichtschending van Hydrauvision c.s. Door het gebruik van een rolsteiger in het midden te laten en vervolgens op andere gronden een schending van de zorgplicht aan te nemen (de slangbreukventielen hingen te hoog) is het hof buiten de rechtsstrijd getreden en heeft het art. 24 Rv Pro en art. 149 Rv Pro miskend.
sub-subonderdeel C.4-IIIstellen Hydrauvision c.s. dat het voorts, zonder nadere toelichting, rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof, gelet op de risico’s die verbonden zijn aan het werken op hoogte, ook wanneer die hoogte beperkt is, de kans op ongevallen bij het niet in acht nemen van de benodigde oplettendheid en voorzichtigheid groot acht. In de kern stellen Hydrauvision c.s. dat niet valt in te zien dat het hof de kans op schade bij een val van een geringe hoogte van 50 cm groot acht. Daarnaast zou het hof het valgevaar te algemeen hebben beoordeeld door het valrisico van
alleklimmiddelen te beoordelen. Het had zich moeten beperken tot de wijze waarop [verweerder] heeft gesteld dat hij is gevallen (van een rolsteiger met zijn rug voorover op het stalen H-profiel van het spuitrek), althans zich moeten beperken tot een val van de goedgekeurde klimmiddelen die in de spuitcabine aanwezig waren. Ook heeft het hof zich schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten. In rov. 6.8. van het eindarrest heeft het het arrest
[…] / […] [151] genoemd, maar geen van de partijen heeft in feitelijke instanties een beroep gedaan op dit arrest.
wat die schending van de zorgplicht nu precies inhield”. [154] Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door, kort gezegd, een zorgplichtschending aan te nemen voor een gebrekkige organisatie ten aanzien van de haken waar de te spuiten slangbreukventielen te hoog aan waren opgehangen, terwijl [verweerder] slechts heeft gesteld dat hij is gevallen van een onveilige rolsteiger, miskent het dat [verweerder] ook heeft gesteld dat hij een klimmiddel nodig had
omdatde slangbreukventielen te hoog voor hem hingen [155] en dat dit kwam doordat de slangbreukventielen aan te korte haken waren gehangen. [156] Hierop is ook gereageerd door Hydrauvision c.s. [157] en dit is uitgebreid besproken tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep. [158] Door een zorgplichtschending aan te nemen op grond van een gebrekkige organisatie van het te verrichten werk in plaats van de door [verweerder] gestelde onveilige steiger heeft het hof dan ook niet art. 24 Rv Pro en art. 149 Rv Pro miskend.
voor het verrichten van de arbeid niet zodanige maatregelen heeft getroffen dat kon worden voorkomen dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden.” Daarbij maakt het volgens het hof niet uit welk klimmiddel [verweerder] zou hebben gebruikt: “
het hof is van oordeel dat dit geldt in alle mogelijke (en nu nog niet heldere) omstandigheden, dus ongeacht de vraag of [verweerder] zich nu op 100 cm of 50 cm van de vloer bevond en ongeacht de vraag of hij nu gebruik maakte van een regelmatig gekeurde trap of ladder, dan wel een rolsteiger.” [159] Hydrauvision heeft volgens het hof, kort gezegd, onvoldoende gecontroleerd of de te spuiten slangbreukventielen aan haken met de juiste lengte werden opgehangen. [160] Het hof kon daarom in zijn beoordeling in het midden laten van wat voor klimmiddel [verweerder] gebruik heeft gemaakt en was niet gehouden om zich te beperken tot het klimmiddel dat door [verweerder] is gesteld of tot de specifiek in de spuitcabine aanwezige klimmiddelen. Ook als duidelijk was geworden dat [verweerder] gebruik had gemaakt van een goedgekeurde trap, blijft het verwijt van het hof staan dat Hydrauvision niet heeft kunnen voorkomen dat [verweerder] de noodzaak voelde c.q. in de verleiding kwam om een klimmiddel te gebruiken voor de uitoefening van zijn werkzaamheden, terwijl Hydrauvision deze noodzaak c.q. verleiding eenvoudig kon wegnemen door langere haken te gebruiken, zoals eigenlijk ook de bedoeling was.
[…] / […] [161] duidelijk alleen noemt om te illustreren dat een val van een geringe hoogte (in dat geval 30 cm) grote gevolgen kan hebben. Het hof is er in rov. 6.8. van het eindarrest in het algemeen van uitgegaan dat bij het werken op een hoogte van 50 cm de kans op een ongeval en daardoor te lijden schade niet is uitgesloten. De vermelding van het arrest
/ […] [162] is voor dit oordeel niet doorslaggevend. Anders dan sub-subonderdeel C.4-III betoogt, kan niet gezegd worden dat het hof zich hier schuldig heeft gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en buiten het debat van partijen is getreden.
sub-subonderdelen C.5-I-C.5-IIIgetuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof in rov. 6.7. en rov. 6.14. van het eindarrest heeft geoordeeld dat het ongeval niet kan worden gekwalificeerd als een ‘huis-, tuin- en keuken-ongeval’, dan wel dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Daartoe voeren de klachten, samengevat, het volgende aan. De zorgplicht van art. 7:658 BW Pro is niet absoluut en kent zijn ondergrens in ‘huis-, tuin- en keuken-ongevallen’. Daarbij gaat het om ongevallen die ontstaan door ‘alledaagse’ of ‘algemene’ gevaren. De subonderdelen leunen sterk op de stelling dat het onderscheidende kenmerk van ‘huis-, tuin- en keuken-ongevallen’ is dat er sprake is van een ‘incidenteel risico’ dat zich verwezenlijkt. Pas bij een structureel risico heeft de werkgever een zorgplicht. Volgens de sub-subonderdelen is het ongeval van [verweerder] duidelijk een verwezenlijking van een incidenteel risico. [verweerder] heeft gesteld dat de door hem te spuiten objecten altijd op de juiste hoogte hingen waardoor hij het werk staand kon uitvoeren. [163] Dat de objecten op de dag van het ongeval te hoog hingen, maakt dat er sprake is van een eenmalige situatie en daarmee van een incidenteel risico, aldus Hydrauvision c.s. Ook had het hof niet uit het voorhanden klimmateriaal in de spuitcabine, dat voor andere werkzaamheden werd gebruikt, mogen afleiden dat het niet gaat om een ‘huis-, tuin- en keuken-ongeval’. Het hof had moeten aanknopen bij hetgeen [verweerder] omtrent het ongeval heeft gesteld: hij is gevallen bij het spuiten van slangbreukventielen. Daarvoor gold dat het ongeval, zoals dat door [verweerder] is gesteld, de verwezenlijking van een incidenteel risico betrof. Daarom was het voor Hydrauvision c.s. onvoorzienbaar dat [verweerder] een klimmiddel zou gebruiken.
[…] /Shell Solar Energy. [164] In rov. 6.14. van het eindarrest heeft het hof herhaald dat er geen sprake is van een onvoorzien gebruik van een klimmiddel in een ‘huis-, tuin- en keukensituatie’: [verweerder] heeft bij de uitvoering van zijn werkzaamheden gebruik moeten maken van een middel om op hoogte te werken en de noodzaak daartoe is ook door Hydrauvision onderkend omdat er in de spuitcabine klimmiddelen stonden.
kan, zo heb ik zelf betoogd aan de hand van rechtspraak van Uw Raad, leiden tot een ontkennend antwoord op de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor de verwezenlijking van een bepaald ‘alledaags gevaar’, maar is niet doorslaggevend. Alleen al hierom falen de sub-subonderdelen.
nietgeoordeeld dat Hydrauvision iedere val van een hoogte van 50 cm had moeten voorkomen en daarom aansprakelijk is voor deze val. Het hof is hier dus niet van een risicoaansprakelijkheid uitgegaan.
de facto” betekent dat Hydrauvision c.s. aansprakelijk zijn omdat Hydrauvision niet “
elk risico” op vallen van een hoogte van 50 cm heeft voorkomen. Het hof heeft in rov. 6.13. van het eindarrest geoordeeld dat [verweerder] op een eenvoudige wijze het risico op vallen van [verweerder] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden in de spuitcabine kon voorkomen door de te spuiten slangbreukventielen aan, niet ongebruikelijke, langere haken op te hangen. Hieruit blijkt niet dat het hof Hydrauvision heeft verweten dat zij niet elk risico op vallen van een hoogte van 50 cm heeft uitgebannen.
onderdeel Dhetzelfde lot.