ECLI:NL:PHR:2023:482

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
9 mei 2023
Zaaknummer
21/04464
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 SrArt. 40 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op overmacht wegens eigen schuld na beschadiging auto na val van balkon

De verdachte sprong op 29 juli 2019 van een balkon en verbrijzelde daarbij zijn beide benen en enkels. Om aandacht te trekken van bewoners gooide hij een fles tegen een personenauto die aan een ander toebehoorde, waarbij de auto beschadigd raakte.

De verdediging voerde een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand aan, stellende dat de verdachte door zijn ernstige verwondingen niet anders kon handelen. Het hof oordeelde echter dat geen sprake was van een objectieve noodtoestand, omdat de verdachte zichzelf in deze situatie had gebracht door het gebruik van speed en het springen van het balkon.

Het hof stelde dat het handelen van de verdachte niet proportioneel was, omdat hij ook door te schreeuwen aandacht kon trekken. De eigen schuld van de verdachte stond een beroep op noodtoestand in de weg. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel, waarbij het hof voldoende gemotiveerd had dat sprake was van eigen schuld en dat het beroep op overmacht daarom faalde.

Uitkomst: Het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand wordt verworpen vanwege eigen schuld van de verdachte, waardoor de veroordeling voor beschadiging van de auto in stand blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04464

Zitting14 maart 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 25 oktober 2021 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 14 feiten, waaronder het in de zaak met parketnummer 03-203903-19 onder 2 bewezenverklaarde, dat oplevert “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof ter zake van twee bewezenverklaarde feiten de verdachte telkens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden ontzegd. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03-203903-19 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof
i)in het ongewisse heeft gelaten of er al dan niet sprake is geweest van een conflict tussen belangen en/of plichten en
ii)ontoereikend gemotiveerd heeft aangenomen dat sprake is van eigen schuld bij de verdachte die aan een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand in de weg staat.
Het hof heeft ten laste van de verdachte met betrekking tot feit 2 onder parketnummer 03-203903-19 bewezenverklaard dat:
“hij op 29 juli 2019 in de gemeente [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk/type Honda Civic), die aan [betrokkene 1] toebehoorde, heeft beschadigd”.
5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in zijn bewijsoverweging als volgt samengevat en verworpen:
“[…] Voorts heeft de raadsvrouw ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-203903-19 onder 2 tenlastegelegde een beroep gedaan op overmacht.
Feit 2 onder parketnummer 03-203903-19
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte in verband met een geslaagd beroep op overmacht in de zin van, zo begrijpt het hof, noodtoestand ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte op die betreffende 29ste juli 2019 in de vroege ochtend van het balkon is gevallen waarbij hij zijn benen en enkels heeft verbrijzeld. Doordat er om 06.50 uur niemand op straat was en de verdachte niet in staat was om naar de deurbel te kruipen, heeft de verdachte een fles tegen de Honda aangegooid om zodoende de aandacht te trekken. Verdachte kon op dat moment volgens de raadsvrouw op geen andere wijze handelen dan hij heeft gedaan. Gelet op de schade en de plek waar de verdachte de fles tegen de auto heeft aangegooid was het handelen van de verdachte op dat moment naar het oordeel van de raadsvrouw proportioneel.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof begrijpt dat door de raadsvrouw een beroep is gedaan op de rechtvaardigingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand. Nu overmacht in de zin van noodtoestand een rechtvaardigingsgrond is en, zo een dergelijk verweer mocht slagen, de wederrechtelijkheid aan de gedraging ontneemt dient gelet op de wettekst bij een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand de verdachte te worden vrijgesproken. Het hof vat het gevoerde verweer dan ook op als een bewijsverweer.
Het hof stelt voorop dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele, concrete nood, die is geëigend aan die nood (het belangenconflict) een einde te maken en die voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak noch uit de stukken van het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting een aanknopingspunt volgt dat zich ten aanzien van het tenlastegelegde een dergelijke situatie, te weten een objectiveerbare (actuele) noodtoestand, heeft voorgedaan.
Uit het dossier volgt dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij die ochtend van het balkon is gesprongen en hij daarbij zijn beide benen/enkels heeft gebroken/verbrijzeld. Verdachte heeft naar zijn zeggen getracht om de aandacht te trekken van de bewoners. Verdachte heeft geschreeuwd, de ruit van de centrale hal vernield en de fles, welke bij de hoofdingang stond, tegen een auto aangegooid. Tevens heeft de verdachte tegen politieambtenaar [verbalisant] gezegd dat hij al drie dagen wakker zou zijn door het gebruik van speed.
Voorts volgt uit het dossier dat getuige [betrokkene 2] omstreeks 06.45 uur geschreeuw hoorde en de verdachte op de grond zag liggen. Gelijk hierop zag hij dat de verdachte met een fles de onderste ruit van de centrale toegangsdeur insloeg en daarna de fles tegen een auto gooide.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is van een noodtoestand, omdat de verdachte zichzelf in die situatie heeft gebracht. De eigen schuld van de verdachte staat een beroep op noodtoestand in de weg. Niet gezegd kan worden dat het belangenconflict of het conflict van plichten onvermijdelijk was. Door in een eerdere fase een andere keuze te maken, dan het gebruik van speed waardoor hij al drie dagen wakker was, zou het dilemma waarvoor de verdachte zich uiteindelijk geplaatst zag niet zijn ontstaan. Het handelen van de verdachte is derhalve niet te beschouwen als een adequate reactie op de situatie waarin hij door eigen toedoen was geraakt.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen.”
6. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 350 lid 1 Sr Pro. Dit artikel luidt:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
7. Overmacht in de zin van noodtoestand is geregeld in art. 40 Sr Pro. Dit artikel luidt:
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.”
8. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. [1] Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval dus meebrengen dat in een overtreding van een wettelijk verbod gerechtvaardigd is. [2]
9. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat:
- de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij die ochtend van het balkon is gesprongen en hij daarbij zijn beide benen/enkels heeft gebroken/verbrijzeld;
- de verdachte heeft getracht om de aandacht te trekken van de bewoners;
- de verdachte heeft geschreeuwd, de ruit van de centrale hal heeft vernield en de fles, welke bij de hoofdingang stond, tegen een auto heeft aangegooid;
- de verdachte tegen een politieambtenaar heeft gezegd dat hij al drie dagen wakker zou zijn door het gebruik van speed;
- de getuige [betrokkene 2] omstreeks 06.45 uur geschreeuw hoorde en de verdachte op de grond zag liggen, terwijl hij gelijk hierop zag dat de verdachte met een fles de onderste ruit van de centrale toegangsdeur insloeg en daarna de fles tegen een auto gooide.
10. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat noch uit de stukken van het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting een aanknopingspunt volgt dat zich ten aanzien van het tenlastegelegde een objectiveerbare (actuele) noodtoestand heeft voorgedaan, geeft op zichzelf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uit die vaststellingen komt immers naar voren dat de verdachte, nadat hij beide benen/enkels had gebroken/verbrijzeld, met het gooien van een fles tegen een auto heeft getracht de aandacht van bewoners te trekken, terwijl dit doel ook met zijn schreeuwen kon worden en werd bereikt en een situatie van overmacht dus feitelijk niet aan de orde was. Dit is evenwel niet de gedachtegang van het hof geweest. Op grond van de vastgestelde omstandigheden komt het hof immers vervolgens tot het oordeel dat weliswaar sprake was van een belangenconflict of een conflict van plichten, maar dat er geen sprake was van een noodtoestand omdat de verdachte zichzelf in die situatie heeft gebracht en de eigen schuld van de verdachte aan een beroep op noodtoestand in de weg staat. Dit wijst erop dat het hof het beroep op noodtoestand op juridische gronden heeft verworpen.
11. Op grond van het voorgaande faalt de klacht die inhoudt dat het hof in het ongewisse heeft gelaten of er al dan niet sprake is geweest van een conflict tussen belangen en/of plichten.
12. Daarmee kom ik toe aan de tweede klacht die inhoudt dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft aangenomen dat sprake is van eigen schuld bij de verdachte die aan een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand in de weg staat, omdat het hof heeft nagelaten met voldoende mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel aan te geven waaraan het heeft ontleend dat de verdachte van het balkon is gesprongen (en, anders dan de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard en door zijn raadsvrouw is betoogd, niet naar beneden is gegleden c.q. is gevallen).
13. Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat indien de rechter zich in een bewijsoverweging beroept op voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden die niet al in de opgenomen bewijsmiddelen zijn vermeld, hij die feiten en omstandigheden met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging moet aanduiden en het wettige bewijsmiddel moet aangeven waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. [3]
14. Het hof heeft bij zijn oordeel dat de eigen schuld van de verdachte een beroep op noodtoestand in de weg staat, onder meer in aanmerking genomen dat uit het dossier volgt dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij die ochtend van het balkon is gesprongen en hij daarbij zijn beide benen/enkels heeft gebroken/verbrijzeld. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte bij de politie blijkt dat de verdachte het voorgaande heeft verklaard. Daarmee heeft het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn bewijsoverweging aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het dit feit heeft ontleend. [4] Gelet hierop faalt de klacht dat het hof zijn oordeel dat sprake is van eigen schuld bij de verdachte die een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand in de weg staat, ontoereikend heeft gemotiveerd.
15. De tweede klacht faalt eveneens.

Slotsom

16. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938,
2.HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5967,
3.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1958, r.o. 2.4 en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858,
4.Een blik over de papieren muur bevestigt dat het (enige) proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 augustus 2019 (PL2300-2019118368-14, p. 62-65) inhoudt dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de ochtend van de vernieling van het balkon was gesprongen en dat hij daardoor zijn beide benen heeft gebroken/verbrijzeld.