Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
'27 juni "louw in liecht"(D-066 8/14);
(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
3.Beoordeling van het eerste en het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 onvolledig heeft laten doen door zijn belastingadviseur. Verdachte en zijn broer hadden in Marokko een garnalenpelbedrijf opgericht, waarvan de inkomsten niet volledig waren aangegeven bij de Belastingdienst. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte op 11 juni 2010 een onvolledige aangifte had ingediend, mede gebaseerd op de omstandigheid dat verdachte zijn belastingadviseur niet had geïnformeerd over het aanmerkelijk belang in het bedrijf.
De Hoge Raad herhaalt de voorwaarden voor het gebruik van redengevende feiten en omstandigheden die niet in bewijsmiddelen zijn vermeld, zoals uiteengezet in eerdere jurisprudentie. Het hof had nagelaten met voldoende nauwkeurigheid aan te geven aan welke bewijsmiddelen het de omstandigheid ontleende dat verdachte zijn belastingadviseur niet had geïnformeerd over het aanmerkelijk belang.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft met betrekking tot het jaar 2008 en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting over de aangifte inkomstenbelasting 2008.