Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
om in de nieuwe situatie tot eenzelfde netto duur van de gevangenisstraf te komen. Het hof heeft daarbij overwogen/geoordeeld dat de verdachte
daarmee tevensis gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn. Dit oordeel is onbegrijpelijk nu verdachte daardoor feitelijk niet gecompenseerd is. Indien het oordeel van het hof zo gelezen moet worden dat het hof gemeend heeft dat volstaan kon worden met de constatering van schending van de redelijke termijn dan is dat oordeel onbegrijpelijk gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn”, aldus het middel.
medeplegen samen
met een anderbewezen, bij feit 2 het
plegenen bij feit 3 het
medeplegen samen
met anderen.
“Ik weet dat je nu vanwege mij in de gevangenis zit.”Ten slotte komt op de regiezitting nog aan de orde dat het hof heeft geconstateerd dat uit het dossier blijkt dat in het opsporingsonderzoek naar het derde feit bloedsporen zijn veiliggesteld voor eventueel nader DNA-onderzoek en een aantal voorwerpen in beslag is genomen voor onderzoek naar biologische sporen, maar dat uit het dossier niet blijkt of die onderzoeken zijn uitgevoerd en wat ze in dat geval hebben opgeleverd.
Het hof acht dit onderzoek noodzakelijken stelt de stukken (ook voor dit onderzoek) in handen van de raadsheer-commissaris.
nietheeft gelopen in de periode tussen de regiezitting van 16 oktober 2019 en de datum waarop het verhoor van de getuige [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden, te weten 3 september 2020. Het hof zegt dat weliswaar niet expliciet, maar het volgt wel uit de passage: “De enige traceerbare getuige is gehoord op 3 september 2020. Op dat moment is de redelijke termijn
verdergaan lopen [cursivering AG]. Dit arrest heeft als uitspraakdatum 8 september 2021. In totaal zijn
buiten toedoen van de verdediging[cursivering AG] ongeveer twintig maanden verstreken in hoger beroep. Dat levert een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer vier maanden op.” Uit de formulering en de genoemde data en termijnen volgt dat het hof van oordeel is dat de tijd die verstrijkt tussen het moment waarop het verzoek tot het horen van een door de verdediging verzochte getuige toewijst en het moment waarop het verhoor wordt afgenomen (in casu bijna elf maanden) geheel en al voor rekening en risico komt van degene die om het verhoor heeft gevraagd en dat dit tijdsverloop (daarom) niet meetelt bij de berekening van de redelijke termijn. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel over het ‘niet lopen’ van de redelijke termijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Ik ben dat met de stellers van het middel eens en licht dat als volgt toe.
zonder meervoor rekening van de verdachte komen, concludeer ik dat dat oordeel geen steun vindt in het recht en daarom niet in stand kan blijven.
tevens (is) gecompenseerdvoor de overschrijding van de redelijke termijn” [cursivering AG]. Uit dit alles kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat het hof bij het matigen van de straf alleen rekening heeft gehouden met de per 1 juli 2021 gewijzigde regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling en niet met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.