Conclusie
1.De cassatieprocedure
2.Het eerste middel
na het ingaan van de proeftijd.Dat geldt volgens de steller van het middel niet voor de andere bijzondere voorwaarden: “uit het dictum (volgt) dat deze van toepassing zijn tot het einde van de proeftijd en dus al van kracht zijn
vóór het ingaan van de proeftijd(cursivering AG). Dat is in strijd te achten met het bepaalde in art. 14c lid 2 Sr, waaruit voortvloeit dat bijzondere voorwaarden enkel gedurende de proeftijd van kracht kunnen zijn.”
algemenevoorwaarde dat de veroordeelde zich
voor het einde van de proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit (lid 1) en een veertiental
bijzonderevoorwaarden waaraan de veroordeelde
gedurende de proeftijdof – kort gezegd – een deel van de proeftijd heeft te voldoen (lid 2). In art. 14c Sr zijn ook nog twee
van rechtswege geldende bijzonderevoorwaarden opgenomen (lid 3). Deze voorwaarden zijn automatisch van toepassing als de rechter een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2 Sr heeft opgelegd. [1] De bijzondere voorwaarden van het tweede lid moeten door de feitenrechter zo precies mogelijk worden omschreven. Dat is niet alleen vereist in verband met de rechtszekerheid, het komt ook een doeltreffende invulling en uitvoering van het reclasseringstoezicht ten goede. [2] Ten aanzien van de algemene voorwaarde van lid 1 en de bijzondere voorwaarden van lid 3 zijn de eisen minder stringent. Deze zijn zelfs van toepassing als de rechter heeft verzuimd ze in de uitspraak op te nemen. [3]
voor het einde van de proeftijdvan drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende
voorwaarden(AG: cursivering telkens door mij)”. Vervolgens noemt het dictum vrijwel in één adem en – op één uitzondering na [4] – zonder onderscheid zowel de algemene voorwaarde van art. 14c lid 1 Sr, als de op art. 14c lid 2 Sr gebaseerde bijzondere voorwaarden, als de van rechtswege gelden bijzondere voorwaarden van art. 14c lid 3 Sr. Hiermee zou het dictum – op die ene uitzondering na – in strijd zijn met de wet. In art. 14c lid 2 Sr is immers bepaald dat bijzondere voorwaarden enkel
gedurende de proeftijdvan kracht kunnen zijn.
na het ingaan van de proeftijdheeft gemeld bij de reclassering, kan de reclassering feitelijk ook uitvoering geven aan de andere bijzondere voorwaarden. De formulering van de derde bijzondere voorwaarde, waar nog wel wordt gesproken over de duur van “de gehele proeftijd”, sluit hierbij aan. Bij deze interpretatie van het dictum is er geen sprake van strijd met de regelgeving.