Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“1. Is voor de vaststelling dat sprake is van een “ouder recht” van een derde als bedoeld in art. 6 lid 2 van Pro de ingetrokken richtlijn 2008/95/EG
2. Is bij de beantwoording van vraag 1 nog van belang of de merkhouder een nog ouder (in de wetgeving van de betrokken lidstaat erkend) recht heeft ten aanzien van het als merk ingeschreven teken en zo ja, of de merkhouder op grond van dit nog oudere erkende recht het gebruik door de derde van het gestelde “oudere recht” kan verbieden?”;
1) Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling dat er sprake is van een “ouder recht’ in de zin van deze bepaling niet vereist is dat de houder van dit recht het gebruik van het jongere merk door de houder ervan kan verbieden;
2) Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/95 moet aldus worden uitgelegd dat kan worden erkend dat een derde een “ouder recht’ in de zin van deze bepaling heeft in een situatie waarin de houder van het jongere merk een in de wetgeving van de betrokken lidstaat erkend nog ouder recht heeft op het als merk ingeschreven teken, voor zover de houder van het merk en het nog oudere recht krachtens deze wetgeving de derde op basis van zijn nog oudere recht niet meer kan verbieden om gebruik te maken van zijn jongere recht.”;
2.Nadere bespreking van onderdelen I, II en IX van het principale cassatieberoep
onderdeel Iklaagt [eiseres] dat het hof in rov. 7-12 van het bestreden arrest [8] is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting althans dat het oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. De centrale (rechts)vraag die [eiseres] aan de orde stelt is wanneer sprake is van een ‘ouder recht’ in de zin van art. 2.23 lid 2 (oud) BVIE. Deze bepaling vormt de implementatie van art. 6 lid 2 van Pro de ingetrokken Richtlijnen 89/104 EEG en 2008/95/EG en luidt als volgt:
Eerste vraag
onderdeel II. Daarin voert zij aan dat voor zover het hof in rov. 7 zou hebben geoordeeld dat [eiseres] zou erkennen dat CCC c.s. al een beroep konden doen op de beperking van art. 2.23 lid 2 (oud) BVIE en het hebben van een geldige reden in de zin van art. 2.20 lid 1 onder d (oud) BVIE in het geval dat CCC c.s. voorafgaand of al ten tijde van het depot van het merk op 15 januari 2008 de handelsnaam gebruikten, dit oordeel gelet op de stellingen van [eiseres] onbegrijpelijk is. Hoewel [eiseres] hier een punt heeft dat van erkenning geen sprake is (zie mijn eerste conclusie in punt 2.13), is na de Luxemburgse uitspraak mijns inziens duidelijk dat ook zonder een mogelijke erkenning door [eiseres] de uitkomst is dat CCC c.s. zich op art. 2.23 lid 2 (oud) BVIE kunnen beroepen. Zoals ook al aangegeven in 2.13 van mijn eerdere conclusie, hangt het belang bij de klacht van onderdeel II af van de vraag of voor de invulling van ‘ouder recht’ van belang is of CCC c.s. hun handelsnaamgebruik als verweer tegen [eiseres] ’s merk kunnen inroepen gelet op het handelsnaamrechtelijke voor-voorgebruik van [eiseres] hier. Nu de beantwoording uit Luxemburg duidelijk maakt dat dit niet uitmaakt, ontbreekt belang bij deze klacht.
onderdeel IXevenmin slagen [10] .