Conclusie
Nummer22/02139
Inleiding
Periode Jemen
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens deelname aan terroristische organisaties, waaronder Al Qaida op het Arabisch Schiereiland (AQAP). Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de verdachte, het langdurige verblijf in door AQAP gecontroleerd gebied, het ontvangen van geld, onderdak en een identiteitskaart van AQAP.
De verdediging stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was en dat het hof ten onrechte uitsluitend op de opgaven van de verdachte had vertrouwd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ook andere bewijsmiddelen had gebruikt, zoals de inbeslagname van contant geld bij terugkeer in Nederland, en dat het hof de motiveringsplicht had nageleefd door het ongeloofwaardig achten van het verweer dat de verdachte enkel uit liefdadigheid was onderhouden.
De Hoge Raad bevestigde dat deelname aan een terroristische organisatie vereist dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die het oogmerk van de organisatie ondersteunen. Het hof had dit voldoende vastgesteld en gemotiveerd. Het cassatiemiddel werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor deelname aan AQAP.