Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers,
niet verschenen.
klageren verweerder als
de instelling.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
de Huisregels) is onder meer het volgende bepaald:
Op grond van de tabakswet, gevaar voor de gezondheid en vanuit het oogpunt voor de brandveiligheid/-preventie geldt voor alle gebouwen van [de instelling] een rookverbod. Ook de e-smoker valt onder dit verbod.”
de klachtencommissie). Daarin geeft klager aan het niet eens te zijn met het algeheel rookverbod. Hij zegt het roken nodig te hebben om rustig te worden. Door het rookverbod wordt hij gedwongen om met roken te stoppen omdat hij maar één keer per week ‘naar buiten’ mag en verder op zijn kamer of in de separatieruimte verblijft. Hij zegt niet met roken te willen stoppen en dat hij ook niet met dat doel in de instelling is opgenomen. [1]
Een cliënt van [Stichting] kan zich na 1 juli 2022 niet meer beroepen op de nakoming door [Stichting] van deze huisregels.
Omdat klager een klacht heeft ingediend over een huisregel die niet meer van kracht is, is de klachtencommissie niet bevoegd om de klacht te beoordelen. De klachtencommissie zal de klacht om die reden niet in behandeling nemen.”
de rechtbank). Daarin verzoekt hij de rechtbank om zijn klacht gegrond te verklaren op de grond dat het nieuwe rookverbod in strijd is met de Huisregels. [3] Klager voert onder meer aan dat de Huisregels door de nieuwe wetgeving niet automatisch zijn vervallen. De Huisregels, meer specifiek art. 11 daarvan Pro, zijn nog steeds van toepassing maar worden ten onrechte niet toegepast.
de bestreden beschikking) het verzoek van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt dat zij alleen een klacht kan beoordelen indien deze gaat over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van een in art. 10:3, eerste lid, Wvggz genoemde bepaling. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de klacht daar niet op. Omdat de huisregels geen bepaling kennen over het roken in de open lucht en het roken op de eigen kamer, heeft de klacht geen betrekking op het nakomen van een verplichting of een beslissing op grond van de huisregels en kan daarover niet worden geklaagd. De rechtbank kan de klacht van betrokkene daarom niet beoordelen. [12]
3.Juridisch kader
18 maart 2022. [15] Het ging in die zaak om de vraag of, bij het verlenen van verplichte zorg na het verstrijken van de geldigheidsduur van de zorgmachtiging, de betrokkene op grond van art. 10:3 lid Pro 1, aanhef en onder e, in verbinding met art. 8:7 lid 2 Wvggz Pro een klacht kon indienen bij de Wvggz-klachtencommissie. De Hoge Raad beantwoordde die vraag bevestigend. Hij overwoog onder meer dat de klachtenregeling in hoofdstuk 10 Wvggz is bedoeld als een toegankelijke voorziening, waarbij voor de betrokkene zo min mogelijk drempels worden opgeworpen om zijn klachten door een onafhankelijke commissie te laten beoordelen. [16] Legemaate merkt in zijn NJ-annotatie bij deze uitspraak op dat het andersluidende standpunt van de rechtbank in die zaak zou leiden tot een ‘
catch 22’:
beschikking van 9 november 2018 [22] overwoog de Hoge Raad, onder verwijzing naar art. 3 en Pro 8 EVRM en art. 11 Gw Pro, dat er voor beperkingen van de rechten van een patiënt een wettelijke grondslag moet bestaan. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis overwoog de Hoge Raad dat huisregels uitsluitend de ordelijke gang van zaken binnen de ggz-instelling dienen en algemeen geldende beperkingen bevatten, zoals over bezoekuren, bewegingsvrijheid en telefoongebruik. Huisregels moeten noodzakelijk en proportioneel zijn.
beschikking van 19 juli 2019 [23] overwoog de Hoge Raad dat huisregels op schrift moeten zijn gesteld en dat een mondeling meegedeelde beperking niet op een lijn kan worden gesteld met een huisregel in de zin van (toen) art. 37 Wet Pro Bopz. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis [24] motiveerde de Hoge Raad dat oordeel als volgt:
beschikking van 10 maart 2023 [26] bevestigde de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak over doel en reikwijdte van huisregels:
het Preventieakkoord). [28] In het hoofdstuk over roken gaat paragraaf C. over ‘Rookvrije zorg’. Onder ‘doelstellingen’ staat onder meer dat in 2030 de gehele zorg rookvrij dient te zijn. Alle ggz-instellingen die zijn aangesloten bij koepel GGZ Nederland dienen echter uiterlijk in 2025 al rookvrij te zijn. Ik citeer uit het Preventieakkoord (onderstrepingen toegevoegd): [29]
2030 is de gehele zorg rookvrij.
Instellingen zijn vrij in de manier waarop zij dat willen bereiken.
Uiterlijk in 2025 zijn alle GGZ instellingen aangesloten bij GGZ Nederland rookvrij: zij beschikken allen over beleid dat aansluit bij de gouden status volgens voornoemde systematiek.”
Rookvrijegebouwen en
terreinen.
de zorg in 2030 geheel rookvrijis, vastgelegd in het Preventieakkoord.
Het rookvrij maken van de zorg krijgt onder meer vorm in het rookvrij maken van gebouwen en terreinen en het ondersteunen van werknemers en patiënten bij het stoppen met roken. Met uitzondering van het afschaffen van rookruimtes, zijn deze ambities niet opgenomen in onderhavig besluit.” [31]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Roken in de open lucht” het volgende:
catch 22’ te ontstaan als door Legemaate werd gesignaleerd in zijn NJ-annotatie bij de beschikking van 18 maart 2022 (zie hiervoor, 3.3). Immers, klager klaagt erover dat het aangescherpte rookverbod niet in een huisregel is vervat, maar zou daarover niet kunnen klagen omdat dat verbod niet in de Huisregels staat.