In deze zaak staat de overschrijding van de redelijke termijn centraal in een profijtontnemingsprocedure. De redelijke termijn begon op 7 mei 2010, de datum van het eerste beslag onder de ING Bank. De procedure duurde bijna elf jaar, wat een overschrijding van circa zeven jaar betekent ten opzichte van de redelijke termijn van twee jaar per instantie.
De verdediging betoogde dat de overschrijding ernstig was en dat de betalingsverplichting daarom op nihil moest worden gesteld, mede gezien de financiële problemen van de veroordeelde. Het hof mat de betalingsverplichting echter slechts tot €25.000, een korting van ruim 20% op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van €31.500.
De Hoge Raad toetst in cassatie het oordeel van het hof over de overschrijding en het daaraan verbonden rechtsgevolg slechts beperkt. Hij oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en voldoende heeft gemotiveerd waarom de betalingsverplichting werd gematigd. Wel wijst de advocaat-generaal op een overschrijding van de inzendingstermijn in cassatie, waardoor de betalingsverplichting verder gematigd moet worden tot €26.500.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en wijst deze terug voor vermindering volgens de gebruikelijke maatstaf. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.