Conclusie
Nummer21/00506
De procedure in cassatie
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 2 “
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, onder 5 “
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd en medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, artikel 2 onder Pro a, meermalen gepleegd” en onder 6 “
gewoontewitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast had de rechtbank voorwerpen verbeurd verklaard.
Het vijfde middel
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
“
hij op tijdstippen in de periode van 26 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Purmerend en/of te Heerhugowaard en/of te Noord-Beemster, gemeente Beemster, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, en/of in Iran en/of in Afghanistan, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,te weten het opzettelijk- bereiden, vervoeren en/of- vervaardigen en/of- binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van enig middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feitenimmers hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe- containers met de nummers [0001] en/of [0002] en/of [0003] voorhanden gehad en- die containers gevuld en/of doen en/of laten vullen met een lading auto-onderdelen en/of olie en/of grote hoeveelheden, te weten 1900 liter en/of 750 liter en/of 1000 liter azijnzuuranhydride en/of 1940 liter zoutzuur, en/of- die grote hoeveelheden azijnzuuranhydride en/of zoutzuur vervoerd en voorhanden gehad en/of doen/laten vervoeren en/of- voornoemde containers met daarin hoeveelheden azijnzuuranhydride en/of zoutzuur door [A] B.V en/of [B] en/of een andere transporteur van en/of naar Hamburg, Duitsland, en/of naar Heerhugowaard en/of Noord-Beemster, Nederland, en/of Antwerpen, België, en/of Bandar Abbas, Iran en/of Afghanistan (proberen te) laten vervoeren, en/of- daartoe (medewerkers van) [A] B.V. en/of [B] meermalen, per e-mail of telefoon transportopdrachten gegeven en/of documenten die op die transporten zagen toegestuurd- plastic flessen/jerrycans besteld en opgehaald en afgeleverd in Hamburg en/of gevuld en/of doen en/of laten vullen met azijnzuuranhydride en/of zoutzuur en/of olie, en/of die flessen/jerrycans beplakt en/of doen beplakken met etiketten bevattende valse productinformatie over olie, en/of die flessen/jerrycans verpakt in dozen beplakt met etiketten bevattende valse productinformatie over olie, en/of- een valse “Packlist & Invoice” opgemaakt en verstuurd en voorhanden gehad, en/of- telefonisch overleg gevoerd met medeverdachten/zakenpartner(s) in Hamburg, Duitsland, en/of Afghanistan;ENhij op tijdstippen in de periode van 26 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Purmerend en/of te Heerhugowaard en/of te Noord-Beemster, gemeente Beemster, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, als marktdeelnemers opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen, als omschreven in bijlage(s) van de Verordeningen nrs. 273/2004 en 111/2005 van het Europees Parlement en de Raad, te weten de invoer en uitvoer van grote hoeveelheden azijnzuuranhydride, die er op kunnen en/of konden wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht zullen worden misbruikt om verdovende middelen op illegale wijze te vervaardigen, hebbende hij, verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk grote hoeveelheden azijnzuuranhydride vervoerd en voorhanden gehad.”
Azijnzuuranhydride is een belangrijke stof voor het productieproces van drugs en van drugsprecursoren. Azijnzuuranhydride wordt meestal in relatie gebracht met de productie van heroïne in Afghanistan. Er is ookgeen legale behoefteaan invoer van azijnzuuranhydride in Afghanistan, de invoer is dan ook verboden. Zoutzuur is een chemische stof welke verschillende toepassingen heeft in het productieproces van drugs.De rechtbank acht gelet daarop wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door het (proberen te) vervoeren van azijnzuuranhydride en/of zoutzuur naar Afghanistan, het opzet heeft gehad op de voorbereiding van het bereiden van enig middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen ‘marktdeelnemer’ was in de zin van Verordening 237/2004, aangezien deze Verordening uitsluitend bedoeld is voor het in de handel brengen van stoffen in de EU, terwijl het in deze zaak juist de bedoeling was het een en ander buiten de EU te brengen. De verdachte moet dus van het tweede deel van feit 5 worden vrijgesproken.
Aan het middel voorafgaand
Het juridisch kader
“elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen”.Artikel 2, aanhef en onder f, Verordening 111/2005 definieert het begrip ‘marktdeelnemer’ als “
elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de in- en uitvoer van geregistreerde stoffen”.
“elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat die in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen”.In artikel 9 lid 1 Verordening Pro 111/2005 is een soortgelijke plicht opgenomen voor ‘marktdeelnemers’. Daarin staat vermeld:
“marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat dergelijke voor in- en uitvoer of intermediaire activiteiten bestemde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.”
1. Moeten natuurlijke personen en rechtspersonen die op zodanige wijze betrokken zijn bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen dat die betrokkenheid een op grond van artikel 2 lid Pro 1, aanhef en onder d, van het Kaderbesluit 2004/757 strafbaar te stellen feit oplevert, worden aangemerkt als “marktdeelnemer” als bedoeld in artikel 2 onder Pro d Verordening 273/2004? Indien het antwoord op deze eerste vraag bevestigend luidt:
Eerste vraag
3.3.1. (…) Alleen personen die betrokken zijn bij het binnen een legaal kader in de handel brengen van geregistreerde stoffen, kunnen worden beschouwd als “marktdeelnemer” (overweging 39). De werkingssfeer van Verordening 273/2004 is ook beperkt tot de legale handel in geregistreerde stoffen. Waar het gaat om illegale activiteiten met betrekking tot geregistreerde stoffen, is daarentegen het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel, van belang (overweging 53). Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van een illegale activiteit betrokken is bij het in de handel brengen van in de Europese Unie geregistreerde stoffen, is daarom geen “marktdeelnemer” in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, Verordening 273/2004 (overwegingen 55 en 56).
De bespreking van het vijfde middel
illegaleactiviteit is betrokken bij het in de handel brengen en bij de uitvoer van de geregistreerde stof azijnzuuranhydride. De verdachte kan in dat geval niet óók worden aangemerkt als ‘marktdeelnemer’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder d van Verordening 273/2004. Dat bestanddeel kan immers niet bewezen worden verklaard als de verdachte met betrekking tot geregistreerde stoffen gedragingen heeft verricht die een in de Opiumwet strafbaar gesteld feit opleveren. Nu ook de werkingssfeer van Verordening 111/2005 zich beperkt tot de
legalehandel in geregistreerde stoffen kan de verdachte, naar het mij voorkomt, evenmin worden aangemerkt als ‘marktdeelnemer’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder f van Verordening 111/2005. [1]
Het derde middel
1. hij omstreeks 30 december 2016 te Purmerend opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 1604 hennepplanten;
De raadsman deelt mee dat hij enkele gerichte vragen wil stellen zodat de verdachte nog een korte verklaring kan afleggen en dat de verdachte enkele bonnetjes heeft meegenomen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nieuwe stukken overgelegd teneinde te onderbouwen dat hij van 28 december 2016 tot en met 2 januari 2017 met de auto van zijn zoon een familielid van zijn vrouw in Napels heeft opgezocht, daar één nacht heeft verbleven en vervolgens weer naar Nederland is gereden en hij in genoemde periode dus niet in Nederland was. De verklaring van de getuige [betrokkene 1] is dus onbetrouwbaar.
De toelichting op het derde middel
“Aan de hand van telefoonlijsten, tankbonnetjes, een verkeersboete en verklaringen van de vrouw en zoon van verzoeker is onderbouwd dat verzoeker in het buitenland was, en dat het aldus niet mogelijk is dat hij, zoals volgens het gerechtshof door de getuigen(n) is verklaard, die getuige(n) naar het pand heeft gebracht”, aldus de steller van het middel. Nu het hof zich niet heeft uitgelaten over de inhoud van deze overgelegde stukken – in het bijzonder de telefoonlijsten die mogelijkerwijs informatie kunnen verschaffen over de locatie van de verdachte gedurende meerdere dagen – is het oordeel van het hof dat de verdachte in Nederland was zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk en bovendien in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv.
“niet meegaat in dat betoog, reeds omdat de auto – van de zoon van verdachte – is geflitst bijna een etmaal na de rit waar [betrokkene 1] over heeft verklaard”. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank daarmee miskend (i) dat de bekeuring een onderbouwing is van het standpunt van de verdachte dat hij van 28 december 2016 tot en met 2 januari 2017 in het buitenland verbleef en bovenal (ii) dat dit standpunt daarnaast in hoger beroep aanvullend is onderbouwd met andere stukken waarover de rechtbank zich niet kon uitlaten en het hof zich niet heeft uitgelaten.
Het beoordelingskader inzake de motivering van bewijsoordelen
De bespreking van het derde middel
“De overgelegde bonnetjes betreffen allerlei kosten, maar nergens blijkt uit dat die door de verdachte zijn gemaakt (…) Verder is onduidelijk hoe de verkeersboete ter zake waarvan een bekeuring is overgelegd op de naam van de verdachte kan staan, terwijl hij zelf heeft verklaard dat hij in de auto van zijn zoon reed en ten tijde van de overtreding niet is aangehouden.”Ten overvloede merkt het hof op dat de stukken nog steeds de mogelijkheid openlaten dat de gang van zaken is geweest zoals door de getuige [betrokkene 1] is verklaard en dat het hof daaraan dan ook, evenals de rechtbank, vasthoudt. [3]
de auto van de zoonvan de verdachte (een Citroën Xsara) op 31 december 2016 om 17.09 uur in Oostenrijk, zoals blijkt uit de verkeersboete, niet onverenigbaar met het scenario dat
de verdachteop 30 december 2016 omstreeks 20.00 uur de drie getuigen (in een Volkswagen Polo) heeft weggebracht naar de [a-straat 1] te Purmerend.
Het tweede middel
De bewijsvoering van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde
Bewijsoverwegingen
(…) Hieruit concludeer ik dat de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] een belangrijke rol hebben gespeeld in de bewijsconstructie en aanzien van de feiten 1 en 2. Kunnen die verklaringen echter het gewicht dragen dat de advocaat-generaal eraan verbindt?
De toelichting op het tweede middel
“alleen-pleger”betrokken is geweest bij het telen van deze hennep en het stelen van de stroom. De bestreden uitspraak is daardoor niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het tweede middel
Het vierde middel
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van feit 6
hij op tijdstippen in de periode van 15 november 2016 tot en met 18 april 2017, te Purmerend en/of te Heerhugowaard, althans in Nederland, telkens een voorwerp, te weten geldbedragen opgeteld met een hoogte van EUR 22.615,52 aan huursommen van bedrijfspanden en/of transportkosten voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt, en/of van die geldbedragen, de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat die bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”
De verdachte verklaart als volgt:
Mijn cliënt heeft in kaart proberen te brengen hoe hij ondanks het faillissement aan legale liquide middelen kon komen. De partiële vrijspraak is juist. Ten onrechte heeft het openbaar ministerie geen nader onderzoek gedaan. Mijn cliënt heeft een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd en die is in hoger beroep niet nader onderzocht. Om die reden moet hij worden vrijgesproken.”
Ten aanzien van feit 6
Het hof kan zich vinden in de motivering van de rechtbank, behalve ten aanzien van de overweging over de [c-straat 1-2] te Purmerend (halverwege pagina 15 van het vonnis). Niet de huurinkomsten die hij heeft ontvangen, maar de bedragen die de verdachte maandelijks voor de huur van het pand [c-straat 1-2][ik begrijp: [c-straat 1-2], D.A.]
aan zijn verhuurder heeft betaald, heeft hij witgewassen.”
De eerste en tweede deelklachten van het vierde middel
Het beoordelingskader omtrent het bewijs van witwassen
2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
De eerste deelklacht van het vierde middel
“de bedragen die hij maandelijks voor de huur van het pand [c-straat 1-2] aan zijn verhuurder heeft betaald”heeft witgewassen. Daartoe voert de steller aan dat
“verzoeker niet (vermag) in te zien welke bedragen, die hij voor welke maanden voor de huur van dit pand heeft betaald, hij zou hebben witgewassen”en dat met ’s hofs overweging dat de verdachte huur heeft betaald voor het pand [c-straat 1-2], niets is gezegd over
“waar dit geld vandaan kwam”.
De beoordeling van de eerste deelklacht van het vierde middel
“uit illegale onderhuur ontvangen gelden”, gaat het uit van een verkeerde lezing van de desbetreffende overweging. Het heeft immers slechts overwogen dat de verdachte de bedragen die hij maandelijks voor de huur van het pand aan zijn verhuurder heeft betaald, heeft witgewassen, en niet dat hij de huur heeft betaald met geld dat door middel van illegale onderhuur is verdiend.
De tweede deelklacht van het vierde middel
“een oom een bedrag van € 15.000,- aan de zoon van verdachte heeft geleend ten behoeve van bedrijfsactiviteiten”voor de herkomst van dat bedrag geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Volgens de steller van het middel is dat oordeel onjuist c.q. onbegrijpelijk.
De beoordeling van de tweede deelklacht van het vierde middel
“Zo heeft verdachte eerst verklaard dat de lening aan zijn zoon zou zijn verstrekt door zijn grootvader en ter terechtzitting dat het om een oom zou gaan genaamd ‘[betrokkene 9]’. Daarnaast zijn voornoemde gestelde inkomsten niet met enig bewijsstuk gestaafd.”Kennelijk heeft het hof daarmee tevens tot uitdrukking willen brengen (b) dat het de verklaring van de verdachte, in het licht van de overige feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier, op voorhand hoogst onwaarschijnlijk heeft geacht. Deze oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk. De klacht faalt.
“wat de verdachte van wie had geleend”,heeft geen kans van slagen. Uit het door de verdediging overgelegde bewijsstuk (
“Ik heb € 13.000,- aan mijn dochter geleend”), waarop de steller van het middel kennelijk doelt, volgt enkel dat de schoonvader van de verdachte aan zijn dochter € 13.000,- heeft geleend, maar meer ook niet.
De derde deelklacht van het vierde middel
kunnenoordelen dat de bedoelde geldbedragen zijn omgezet, maar – zonder nadere toelichting –
nietkunnen oordelen dat de verdachte de werkelijke aard en de herkomst van deze bedragen heeft verborgen of verhuld. Ook dan nog blijft in cassatie naar mijn inzicht – naast het bewijs van het omzetten – het (in zoverre niet bestreden) bewijsoordeel omtrent het voorhanden hebben, overdragen én gebruikmaken van die geldbedragen overeind. Daardoor komt aan het middel m.i. onvoldoende rechtens te respecteren belang toe om cassatie te kunnen rechtvaardigen. Uit de strafmotivering blijkt niet dat het hof aan de bewezenverklaring van het verbergen en verhullen bijzonder gewicht in strafverhogende zin heeft toegekend. Anders dan de steller van het middel in het slot van haar toelichting betoogt, meen ik dan ook dat niet kan worden gezegd dat in het geval het bedoelde ‘verbergen’ en ‘verhullen’ uit de bewezenverklaring zou wegvallen, de aard en ernst van het bewezen verklaarde in hun geheel beschouwd worden aangetast.