Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
witwassen” veroordeeld. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.
blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 14 juni 2019”.
NJ2010/102 m.nt. Borgers, geformuleerde eisen. Wat betreft het beroep in cassatie geldt in het bijzonder de eis dat de volmacht inhoudt de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep.
Het oordeel van de rechtbank
”. Deze huurinkomsten zijn dan ook niet meegenomen in het totaalbedrag dat verdachte volgens het openbaar ministerie heeft witgewassen. Immers, de verhuuropbrengsten ad € 16.000,- zijn van het totaalbedrag van € 228.790,- afgetrokken, zodat een totaalbedrag van (€ 228.790,- -/- € 16.000,- =) € 212.790,- resteert.
” beperkt zijn tot een bedrag van € 16.000,-. Anderzijds heeft verdachte de kwitanties die zijn verhaal, dat er meer stortingen bij zijn die betrekking hebben op huur, zouden kunnen onderbouwen, niet overgelegd. Evenmin is door de verdediging verzocht deze kwitanties, die zich volgens verdachte in een opslagloods bevinden waartoe hij geen toegang heeft omdat hij de huur al enige tijd niet heeft betaald, aan het dossier toe te voegen.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd met vervanging van de laatste alinea op pagina 3 van het vonnis. Door de laatste alinea op pagina 3 van het vonnis te vervangen door een nieuwe bewijsoverweging, is het door het hof bevestigde vonnis onbegrijpelijk (gemotiveerd).
tweede middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde geldbedrag onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond, heeft de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak samengevat en ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (waaronder artikel 420bis Sr) het volgende overwogen:
playstationverkocht en hij had het casino bezocht. Het hof verwierp dit verweer en overwoog daartoe dat de verdachte, anders dan zijn eigen verklaring, geen stukken had overgelegd waaruit de legale herkomst van dit geld zou blijken. De Hoge Raad casseerde en overwoog dat het hof ten onrechte in het midden had gelaten of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van het geldbedrag.
NJ2019/299 m.nt. Rozemond, oordeelde het hof dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling waaruit bleek van een surplus van ongeveer € 55.000,- aan contante uitgaven dat niet kon worden verantwoord uit legale contante inkomsten, het vermoeden van witwassen rechtvaardigde en dat onder die omstandigheden van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring zou geven waaruit volgt dat dit surplus niet van misdrijf afkomstig was. De verdachte verklaarde in hoger beroep dat het in de kasopstelling opgenomen beginsaldo onjuist was omdat hij aan het begin van de kasopstelling beschikte over een groot bedrag aan contant spaargeld dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan zijn huwelijk had opgebouwd. Het hof was echter van oordeel dat deze verklaring niet concreet, noch te verifiëren en bovendien op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was. Bij zijn oordeel nam het hof onder meer in aanmerking dat de verdachte niet kon aangeven hoeveel spaargeld hij had, niet kon meedelen waaraan en wanneer hij het spaargeld had uitgegeven en dat hij zijn spaargeld niet bij een bank bewaarde. Evenmin kon de verdachte verklaren wáár hij zijn spaargeld precies bewaarde. Hij had daarover wisselend verklaard. Hij had dit spaargeld bij de Belastingdienst niet opgegeven en ook in de huwelijkse voorwaarden was niets vermeld over spaargeld. Tot slot waren er geen getuigen die verdachtes spaargeld ooit hadden gezien. Daaruit volgde naar het oordeel van het hof dat er geen legale inkomstenbron aannemelijk was geworden en dat het niet anders kon zijn dan dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen. Dit oordeel liet de Hoge Raad in stand.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond, had de verdachte een boot gekocht ter waarde van € 142.000,-. Hij had dit bedrag voldaan door een andere boot in te ruilen die op naam stond van een medeverdachte. Het resterende verkoopbedrag van € 90.000,- had hij contant voldaan. De verdachte verklaarde dat de door hem betaalde contante geldbedragen afkomstig waren uit privévermogen. Volgens de verdachte genoot hij als fiscaal jurist een riant salaris, ontving hij neveninkomsten en kreeg hij ook een geldelijke vergoeding voor werkzaamheden die hij verrichtte voor vrienden en kennissen. Daarbij had de verdachte ook concrete bedragen genoemd. De Hoge Raad casseerde en achtte het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van het geld niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdachte met een concrete verwijzing naar zijn inkomsten uit arbeid had gesteld dat de geldbedragen een legale herkomst hadden. De vaststelling van het hof dat de verdachte, ondanks een door hem gedane toezegging, geen relevante stukken had overgelegd deed daaraan niet af.
derde middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met artikel 422 Sv Pro geen blijk heeft gegeven dat het bestreden arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting”.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in feitelijke instanties is geschonden.
waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn”. [9] Nu het middel geheel in het midden laat waarom de door het hof gegeven beslissing ten aanzien van de redelijke termijn, zoals hiervoor onder 12 weergeven, onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn, kan het niet worden aangemerkt als cassatiemiddel in de zin van de wet.
vijfde middelklaagt dat het hof geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het door de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
zesde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd terwijl de bevestigde uitspraak niet een weergave bevat van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en het hof de bewijsmiddelen ook niet heeft aangevuld.
zevende middelbevat de klacht dat het hof tijdens de behandeling van de zaak geen bijzondere aandacht heeft geschonken aan de positie van de verdachte die zonder raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen. In het bijzonder klaagt het middel dat het hof de verdachte ten onrechte niet de informatie heeft verstrekt die hij voor zijn verdediging behoeft, dat het hof ten onrechte de verklaring van de verdachte niet heeft opgevat als een onderzoekswens alsmede dat het hof niet heeft gezocht naar de materiële waarheid.