Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
a contrarioworden afgeleid dat een kind dat reeds door een ander was erkend en daardoor al een juridische vader heeft, op grond van het BWNA (oud) nogmaals rechtsgeldig door een andere man zou kunnen worden erkend
.Uit het afstammingsrecht volgt indirect dat een kind slechts twee juridische ouders kan hebben. [4] Dit blijkt onder meer uit de regels in het BWNA (oud) inzake adoptie die bepalen dat adoptie geschiedt op verzoek van een echtpaar [5] (één man en één vrouw) [6] en dat door adoptie de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouders ophoudt te bestaan en de geadopteerde de staat krijgt van wettig kind van de adoptiefouders. [7]
Kroon/Nederland. [8] Deze zaak betrof een kind dat was verwekt door een man met wie de moeder een affectieve relatie had. Ten tijde van de geboorte van het kind was de moeder getrouwd met een andere man, die als gevolg van het huwelijk de juridische vader van het kind was. Onder de destijds toepasselijke afstammingsregels van het voor Nederland geldende BW was het voor de moeder niet mogelijk om het vaderschap van haar echtgenoot (die al voor de geboorte met onbekende bestemming was vertrokken) aan te tasten om daarmee de weg vrij te maken voor de erkenning van het kind door de verwekker. Het EHRM achtte een schending aanwezig van art. 8 EVRM Pro (recht op respect voor
family life) nu het Nederlandse recht onvoldoende mogelijkheden bood voor de verwekker om een juridische band met zijn kind tot stand te brengen. Uit het feit dat de verwekker zijn kind pas kon erkennen op het moment dat het vaderschap van de echtgenoot van de moeder was aangetast, volgt dat de erkenning van een kind dat reeds een juridische vader had onder het toenmalige Nederlandse afstammingsrecht niet mogelijk was. Onder het BWNA (oud), dat op dit punt gelijkluidend was, lag dit niet anders. Mede naar aanleiding van het arrest
Kroon/Nederlandheeft de Nederlands-Antilliaanse wetgever bij de invoering van het nieuwe BWNA in 2001 de mogelijkheden om het vaderschap te ontkennen, verruimd. [9]
Tjebbes e.a. [17] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) overwogen dat het verlies van rechtswege van de nationaliteit onverenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel indien in het individuele geval op geen enkel moment de mogelijkheid bestaat om de gevolgen van het verlies van de nationaliteit voor de betrokkene vanuit het oogpunt van het Unierecht te toetsen. In de zaak die in cassatie aan de orde is, gaat het echter niet om de vraag of verzoekster het Nederlanderschap heeft verloren, aangezien zij het Nederlanderschap nimmer heeft
verkregen. Dat de mededeling van de overheid aan verzoekster dat zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft, door haar kan zijn ervaren als verlies van het Nederlanderschap [18] , maakt dit niet anders. [19] Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn de wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen, limitatief opgenomen in de RWN en de voor Nederland geldende verdragen en is onder die wijzen van verkrijging
nietbegrepen de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. [20]