Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij:
- de aankoop van de verdovende middelen,
- het aanschaffen van de (koeriers)auto,
- het inbouwen van een verborgen ruimte,
- besprekingen met de koeriers,
- het plaatsen van drugs in de (koeriers)auto, of
- het uithalen van de drugs uit de (koeriers)auto.
Van vol opzet is dan ook naar het oordeel van de verdediging geen sprake. Heeft [verdachte] dan de aanmerkelijke kans aanvaard dat de illegale lading in de (koeriers)auto bestond uit een hoeveelheid harddrugs?
De Advocaat-generaal heeft in de ondervraging van [verdachte] maar ook in het requisitoir zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] zich ook al voor het transport naar Zweden had gestort op de smokkel van harddrugs (zaak Peru). Voor zover het Openbaar Ministerie hiermee bedoeld heeft te zeggen dat [verdachte] nu hij in de zaak Peru bezig was met het importeren van harddrugs (cocaïne) en er dus redelijkerwijs rekening mee had moeten houden dat zich in de (koeriers)auto ook harddrugs bevonden gaat deze vlieger niet op. Vooral omdat in de zaak Peru (harddrugs) andere verdachten in beeld komen dan in de zaak Zweden. In het bijzonder speelt de organisator van het transport [betrokkene 8] in de zaak Peru geen rol. Ook verschilt de modus operandi in beide zaken. Immers, in de zaak Zweden is sprake van een transport per auto van Nederland naar Zweden. In de zaak Peru is sprake van een transport van harddrugs vanuit Peru per vliegtuig naar Nederland.
Een tweede reden die door het Openbaar Ministerie wordt aangevoerd om mogelijk voorwaardelijk opzet aan te nemen is dat “ [verdachte] zich al ruimschoots voor het transport naar Zweden met drugssmokkel bezig hield met [betrokkene 1] en [betrokkene 6] en [betrokkene 5] .
Dit kwam ook ter sprake tijdens de ondervraging door uw Hof waarbij uw Hof wees op verklaringen die zich in het dossier bevinden van verdachten/getuigen die hebben verklaard over mogelijke betrokkenheid van [verdachte] bij eerdere drugs transporten waaronder mogelijk harddrugs.
In dit verband wijst de verdediging op haar appelschriftuur waarbij onder 3 en 5 worden opgegeven de getuigen [betrokkene 19] [betrokkene 5] . Deze getuigen worden, aldus het schriftuur, opgegeven omdat de rechtbank onder 4.4.1 van het vonnis (redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten 1 en 2) overweegt dat [betrokkene 19] , de zoon van [betrokkene 5] , voor verdachte verdovende middelen naar Denemarken heeft vervoerd en ten aanzien van [betrokkene 5] hij, in Duitsland is aangehouden in verband met de invoer/vervoer van 9 kilo weed en 2 kilo hasj.
Het gerechtshof heeft deze getuigen afgewezen (zie pagina 14 proces-verbaal terechtzitting en 9 juni 2017) waarbij voor de getuige [betrokkene 19] geldt dat deze op 16 april 2015 in aanwezigheid van de verdediging bij de rechter-commissaris is gehoord en dat tegen die achtergrond bezien en gelet op de aan het verzoek ten grondslag liggende onderbouwing het Hof de noodzaak tot een hernieuwde oproeping van deze getuige niet noodzakelijk acht. In dit verband merkt de verdediging op dat [betrokkene 19] als getuige bij de rechter-commissaris op 16 april 2015 het volgende heeft verklaard.
“U houdt mij voor dat ik toen gezegd zou hebben dat ik weet dat [betrokkene 15] en [betrokkene 6] wel vaker ritjes deden waarbij ze cocaïne wegbrachten naar het buitenland en dat ze dat deden in opdracht van een man genaamd [verdachte] . Ik heb dat gezegd om mijn stiefmoeder te naaien. Ik vind het een kutwijf, ik heb het gewoon geroepen, maar het is helemaal niet waar. Ze heeft me 15 jaar in een hel laten leven!”
Zonder nader verhoor van [betrokkene 19] kan uw gerechtshof de overwegingen dienaangaande van de rechtbank niet overnemen.
De getuige [betrokkene 5] is door uw Hof afgewezen omdat “tegen de achtergrond van de tenlastelegging is het Hof van oordeel dat het horen van deze getuige niet van belang is voor enig rechtens door het Hof te nemen beslissing.”
De verdediging heeft uw gerechtshof tijdens de ondervraging van [verdachte] erop gewezen dat kennelijk uw gerechtshof eerdere transporten (die ook niet zijn tenlastegelegd) in het kader van de beantwoording van de vragen van 348/350 Sv niet van belang acht. Het niet kunnen horen van deze getuigen, in ieder geval [betrokkene 5] , blokkeert naar het oordeel van de verdediging de mogelijkheid om met verwijzing naar mogelijk eerdere transporten via een voorwaardelijk opzet redenering te komen tot het bewijs van het vervoeren van de uitvoer van harddrugs naar Zweden.