Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel houdt in dat de veroordeling door het hof nadat de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank was vrijgesproken heeft geleid tot een situatie die in strijd is met art. 14, vijfde lid, IVBPR. De steller van het middel wijst in dit verband op de beslissing van het VN-mensenrechtencomité van 2 september 2022 in de zaak Jaddoe tegen Nederland (CCPR/C/135/D/3256/2018). Hij meent, zo leid ik uit de toelichting af, ‘dat de veroordeling om die reden niet in stand kan blijven’. Uit die toelichting leid ik af dat de steller van het middel meent dat Uw Raad het arrest van het hof zou dienen te vernietigen waarna het hof het openbaar ministerie ‘alsnog niet-ontvankelijk zal moeten verklaren in het ingestelde hoger beroep’.
tweedemiddel bevat de klacht dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen. Middel en toelichting bevatten een aantal deelklachten.
doekoe” moest hebben.
op basis van het proces-verbaal van bevindingen d.d 10 januari 2017 (…) begrijpt het hof dat bedoeld wordt [telefoonnummer 12], het telefoonnummer van [betrokkene 13]) belt in op ...[telefoonnummer 9] ( [slachtoffer] ). Er vindt geen gesprek plaats. ...[telefoonnummer 9] ( [slachtoffer] ) straalt een CELL-ID aan de Snelliusstraat 91 te Groningen, in de directe omgeving van de Papiermolenlaan 3 te Groningen (…).