2.3In het arrest zijn de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte tenlastegelegde voorbereidingshandelingen met betrekking tot een transport cocaïne vanuit Vigo in Spanje in de periode van 1 februari 2012 tot en met 3 april 2012.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. In de kern komt zijn betoog er op neer, dat er geen direct bewijsmiddel in het dossier van de verdachte voorhanden is waaruit blijkt dat de door het openbaar ministerie aangehaalde gesprekken betrekking hebben op een partij cocaïne. Voorts zou bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte ontbreken en zou de verdachte geen significante bijdrage hebben geleverd. De verdachte heeft verklaard dat hij met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) naar voetbalwedstrijden in het buitenland ging en eind maart/begin april 2012 in Vigo was voor "hoeren en snoeren".
Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof het volgende.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bij herhaling contact heeft gehad met [betrokkene 1] die zich in die tijd bezig hield met het organiseren van cocaïnetransporten.
Het voorbereiden van transporten van andere goederen dan cocaïne door [betrokkene 1], in de tenlastegelegde periode is niet aannemelijk geworden en het hof houdt het ervoor dat ook de voor het bewijs gebezigde gesprekken betrekking hadden op het organiseren van cocaïnetransporten.
Het hof stelt vast dat het taalgebruik van alle betrokkenen – ook dat van de verdachte – in de voor het bewijs relevante in het dossier van de verdachte opgenomen (ping) gesprekken kan worden aangemerkt als versluierend. Indien gesproken zou zijn over legale transacties, dan was dat niet nodig geweest.
Zonder kennis van zaken zijn de gevoerde gesprekken onbegrijpelijk en de verdachte, die deelnam aan een aantal van die gesprekken, begreep zonder nadere uitleg waarover gesproken werd.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte een ingewijde is geweest en wist dat bedoelde gesprekken over het transporteren van cocaïne gingen.
Het hof vindt daarvoor een bevestiging in het feit dat op grond van algemeen ervaringsregels kan worden aangenomen dat met de organisatie van cocaïnetransporten grote geldbedragen gemoeid zijn en dat de bij het organiseren van die transporten betrokken personen behoren tot een groep die elkaar onderling vertrouwt, die goed geïnformeerd en geïnstrueerd is, weet wat er gaande is en wat er op het spel staat als partijen verloren gaan.
In dit verband is naar het oordeel van het hof verder van belang dat de verdachte desgevraagd in eerste aanleg noch in hoger beroep een concrete en overtuigende uitleg heeft gegeven van de gesprekken, die wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereidingen van het vervoer van cocaïne.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het oordeel van het hof dat wettig en overtuigend is bewezen dat hij samen met anderen in de periode mei 2010 tot en met april 2012 voorbereidingen heeft getroffen voor een cocaïnetransport vanuit Vigo in Spanje.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat [betrokkene 2] en de verdachte in dat verband naar Spanje (Vigo) zijn gereisd, de verdachte met [betrokkene 1] en [medeverdachte] in die periode met elkaar in contact stonden en elkaar op de hoogte hielden van de ontwikkelingen rond dat transport. De verdachte is verder betrokken geweest bij het zoeken naar een huurhuis in Vigo met een garage die nodig was om daarin cocaïne uit te pakken. De verdachte heeft in Spanje ook geld opgehaald dat in opdracht van [betrokkene 1] naar hem was overgemaakt.
Het handelen van de verdachte kan onder de gegeven omstandigheden en naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bezien, worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het voorbereiden van bedoeld transport van cocaïne dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte
daarop ook gericht is geweest. Hieraan kan niet afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. In de kern komt zijn betoog er op neer dat bewijs voor een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband ontbreekt, dat bovendien bewijs ontbreekt dat sprake was van het plegen van misdrijven als tenlastegelegd en dat de verdachte niet op de hoogte was van het oogmerk van de vermeende organisatie en hij geen deelnemingshandelingen heeft verricht.
Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) van de Opiumwet (thans artikel 11b Opiumwet) slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur kan onder meer worden gesproken wanneer twee of meer personen een gezamenlijk doel hebben waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is.
Samenwerken in gestructureerd verband
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben zich in de periode maart 2009 tot en met april 2012 ingezet om cocaïne in te voeren in Nederland en in dat verband is op internationale schaal samengewerkt met een aanzienlijk aantal personen, waaronder de verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn daarvoor ook onherroepelijk veroordeeld.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] reisden daar voor veel en vaak naar zogenaamde bronlanden in Zuid-Amerika. Verder hield [betrokkene 1] zich in Nederland bezig met het witwassen van de opbrengsten van die invoer van cocaïne en naar het oordeel van het hof hadden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] leidinggevende rollen in dit samenwerkingsverband.
Dat men zich in de tenlastegelegde periode met de invoer van cocaïne in Nederland bezig hield, baseert het hof op het feit dat [betrokkene 1] in zijn woning aan het [a-plein] in [plaats] gesprekken voerde – die zoals het hof eerder heeft overwogen – betrekking hadden op cocaïnetransacties, de verklaring van [betrokkene 3] over de activiteiten van [betrokkene 1] met betrekking tot de invoer van cocaïne, het ophalen en wegbrengen en verstoppen van gelden in Nederland en de vondst van een briefje in de woning van [betrokkene 1] in Amsterdam met daarop teksten met namen die lijken te verwijzen naar containerschepen, afkortingen die lijken te verwijzen naar bedrijven die actief zijn in de scheepvaart en termen die duiden op terminals en kaainummers in de haven van Antwerpen.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat met de invoer van cocaïne per schip via de haven van Antwerpen ook Nederlandse wateren worden bevaren en daarmee is de invoer in Nederland een feit.
Een duidelijke en overtuigende verklaring van de teksten op bedoeld briefje op grond waarvan de door het hof getrokken gevolgtrekking niet gerechtvaardigd zou zijn, bevindt zich niet in het dossier.
Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter kan worden gesproken aangezien van die samenwerking binnen de bewezen verklaarde periode is gebleken.
Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om misdrijven te plegen en de criminele organisatie in de zin van artikel 11a (oud) van de Opiumwet heeft naar het oordeel van het hof tot oogmerk gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in.de Opiumwet.
Deze bewezenverklaarde oogmerken van de organisatie zijn haar naaste doelen.
Deelnemen aan de organisatie
Zoals eerder overwogen met betrekking tot het bewezenverklaarde in feit 1, is het hof van oordeel dat de verdachte een ingewijde was en wist waar hij en de organisatie mee bezig was. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat hij een faciliterende functie vervulde binnen die organisatie. Hij reisde regelmatig mee naar het buitenland met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [medeverdachte], onderhield contacten en koppelde resultaten van gesprekken terug aan [betrokkene 1], voerde besprekingen, ontving geld en had bemoeienis met het huren van een locatie in Spanje waar cocaïne naar toe gebracht moest worden.
Dat de verdachte met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [medeverdachte] naar voetbalwedstrijden ging en ging "hoeren en snoeren", zoals door de raadsman is betoogd en door de verdachte is verklaard, wil het hof wel aannemen, maar dat betekent niet dat de verdachte zich niet ook heeft ingezet voor de genoemde organisatie. Het hof merkt ook nog op dat de verdachte naar eigen zeggen in die periode, behoudens zwart werk in een coffeeshop, geen werk, geen uitkering en geen schulden had en desgevraagd niet heeft kunnen uitleggen hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en deze reizen, hotelovernachtingen en dergelijke kon bekostigen, zonder dat daar iets tegenover stond. Voorts had de verdachte toen de beschikking over een Blackberry en in een periode van twee jaar beschikte hij over vijf verschillende nummers, terwijl ook [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [medeverdachte] over veel verschillende nummers beschikten. Het hof leidt uit het samenstel van deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte beschikte over een inkomstenbron afkomstig van deze organisatie.
Naar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het deelnemen aan voornoemde organisatie, het daarin een aandeel hebben en het verwezenlijken van criminele oogmerken van die organisatie dat het niet anders kan zijn dan dat zijn opzet daarop ook gericht is geweest.
De verdachte dient naar het oordeel van het hof dan ook te worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie en uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt ook dat hij in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.”