Conclusie
adv.: J. van Duivendijk-Brand
verweerder in cassatie
niet verschenen
1.Feiten en procesverloop
- i) [eiser] en [verweerder] zijn broers en de enige erfgenamen van hun [moeder] (verder: moeder). Moeder heeft op 29 oktober 2015 een testament (verder: het testament) opgemaakt bij het notariskantoor van [de notaris] . In dat testament is (na haar echtgenoot, maar die is voor moeder overleden) [verweerder] aangewezen als executeur.
- ii) In het testament is over de taak en bevoegdheden van de executeur het volgende opgenomen:
- iii) Moeder is op 5 juni 2019 overleden. [verweerder] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. [verweerder] en [eiser] hebben beiden de nalatenschap (waarin zij voor gelijke delen als erfgenaam waren benoemd) aanvaard.
- iv) De nalatenschap – in de aanslag erfbelasting gesteld op € 642.052 (te verdelen saldo) – omvatte onder meer een huis (verkocht voor € 820.000) en een vakantiewoning op een park in [plaats] . Over de vraag wat er met de vakantiewoning moest gebeuren ontstond onenigheid tussen de broers.
- v) [verweerder] heeft het kantoor van [de notaris] ingeschakeld bij de afwikkeling van de nalatenschap. [de notaris] is als betrokken notaris ingeschreven in het boedelregister. Een medewerkster van [de notaris] heeft [verweerder] op 19 augustus 2019 geschreven dat zij onafhankelijk optreedt en geen partijadviseur is. In die brief is ook het tarief voor de werkzaamheden genoemd.
- vi) [eiser] heeft veelvuldig met de notaris gecorrespondeerd.
- vii) De notaris heeft de vakantiewoning in de verkoop gezet. Nadat de aangezochte makelaar zelf interesse toonde voor de woning is de opdracht aan hem ingetrokken. De vakantiewoning is uiteindelijk door [eiser] en [verweerder] samen verkocht en op 15 juni 2020 aan de koper geleverd. De verkoopopbrengst van € 151.257,32 is op de ervenrekening bijgeschreven.
als erfgenaamten bedrage van € 10.158 niet voor rekening van de nalatenschap komen en derhalve door [verweerder] dienen te worden voldaan. Zij heeft de nalatenschap zo verdeeld dat aan [eiser] te voldoen was € 172.097,43 en aan [verweerder] € 177.880,15. De rechtbank heeft de vermelde vorderingen in reconventie toegewezen. [2]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ivan het middel.
Het hof stelt voorop − zeer kort samengevat − dat kosten van de executele schulden van de nalatenschap zijn (art. 4:7 lid 1 onder Pro d BW), dat getoetst moet worden of de executeur in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen (rov. 3.4), dat niet onredelijk is dat de executeur de notaris heeft ingeschakeld (rov. 3.5) en dat fouten van de notaris niet zonder meer voor rekening van de executeur komen (rov. 3.6). Hiertegen zijn de
onderdelen II tot en met IVvan het middel gericht.
Het hof verwerpt vervolgens het standpunt van [eiser] dat de kosten in verband met de voorbereiding van de verkoop van de vakantiewoning niet ten laste van de boedel mogen worden gebracht (rov. 3.8). Hierover klaagt
onderdeel V, dat is opgedeeld in de
subonderdelen V.1 tot en met V.6.
onderdeel VIklachten in de
subonderdelen VI.1 en VI.2.
onderdeel VIIeen voortbouwklacht.
Voor de uitoefening van deze bevoegdheid treedt de executeur volgens art. 4:147 lid 2 BW Pro zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen over de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking. Als bij een erfgenaam bezwaar bestaat tegen een voorgenomen tegeldemaking, stelt de executeur die erfgenaam in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen. Dit tweede lid bevat regelend recht; het staat de erflater vrij om de bevoegdheid van de executeur uit te breiden en hem toe te staan goederen te verkopen zonder voorafgaand overleg met de erfgenamen. Op grond van art. 4:147 lid 3 BW Pro kan de erflater echter ook bepalen dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed toestemming van de erfgenamen nodig heeft, die kan worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter.
De executeur dient bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer (art. 4:151 BW Pro). Dit stelt de erfgenamen in staat om te beoordelen of hij heeft gehandeld als een goed executeur. Zij kunnen hem eventueel voor geleden schade aansprakelijk stellen. [13]
Volgens het onderdeel is rov. 3.4 onbegrijpelijk, voor zover daaruit blijkt dat het hof de stellingen van [eiser] anders heeft uitgelegd dan dat zij inhouden dat de notariskosten niet zien op werkzaamheden van de executeur en om die reden niet als kosten van de executele kunnen worden aangemerkt.
nr. 2van de procesinleiding) in de eerste plaats dat rechtens niet juist is het uitgangspunt dat het bij de afwikkeling van een nalatenschap noodzakelijk of wenselijk kan zijn dat de executeur hulppersonen inschakelt.
Het onderdeel klaagt voorts − onder verwijzing naar
onderdeel V− dat het uitgangspunt van rov. 3.5 onjuist is, omdat de bekritiseerde werkzaamheden (‘de vakantiewoning in de verkoop zetten’) niet op de afwikkeling (konden) zien nu de executeur niet kon verdelen en afwikkelen.
Anders dan de eerste klacht lijkt te veronderstellen, is daartoe niet vereist dat sprake is van een ‘gecompliceerde’ nalatenschap (nog afgezien van de complicaties die zich in de praktijk zouden kunnen voordoen bij beantwoording van de vraag of een bepaalde nalatenschap al dan niet ‘gecompliceerd’ is). [32] Het hof ziet ruimte voor het inschakelen van de notaris als hulppersoon van de executeur, ook voor zover het niet verplichte notariële werkzaamheden betreft. Dit is naar mijn mening een correct uitgangspunt. De notaris heeft ervaring met en kennis van het (praktisch) afwikkelen van nalatenschappen, ook voor zover dat niet wettelijk verplichte notariële werkzaamheden betreft. Voor een executeur behoeft dit niet het geval te zijn. Het is dan veelal te billijken – dus niet onredelijk − dat de executeur een beroep doet op de notaris voor (ook) bepaalde andere werkzaamheden dan verplichte werkzaamheden.
onderdeel IIIhet ‘afwikkelen’ van de nalatenschap betrekt op het ‘verdelen’ daarvan. Het woord “afwikkeling” heeft echter, zoals gezegd (zie hiervoor in 2.13), geen specifieke juridische betekenis, doch dient ertoe de feitelijke afhandeling van een nalatenschap aan te duiden. Het woord afwikkelen kán in dit verband op verdelen zien, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Het hof heeft in deze zaak met afwikkelen in ieder geval niet verdelen op het oog. Zo spreekt het hof in rov. 3.8 van het treffen van voorbereidingen voor de verkoop van de woning ter onderscheiding van de verdeling. Dit punt komt terug bij de bespreking van
onderdeel V (hierna in 2.33 e.v.).
nr. 3) dat de overweging over de verslechterde verstandhouding tussen de beide broers rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is voor zover het hof ermee heeft bedoeld dat de werkzaamheden van de notaris als ‘communicator’ tussen de broers als werkzaamheden in het kader van de executele kunnen worden aangemerkt. Daartoe voert het middel aan dat voor de executeur in de zienswijze van de wetgever geen taak is weggelegd in het ‘bemiddelen, apaiseren en tot elkaar brengen van partijen’, hetgeen betekent dat de executeur deze taak ook niet aan een notaris kan delegeren. Volgens het middel volgt hieruit dat waar [verweerder] aan de notaris heeft gevraagd de communicatie met [eiser] van hem over te nemen, hij dit heeft gedaan in zijn hoedanigheid van erfgenaam, zodat de kosten niet als kosten van de nalatenschap kunnen worden aangemerkt.
nr. 3van het onderdeel faalt echter, omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan de klacht veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat de notaris (als hulppersoon van de executeur) in het kader van de executele tussen de erfgenamen als zodanig heeft bemiddeld, geapaiseerd of heeft getracht de erfgenamen tot elkaar te brengen. Het hof heeft het begrijpelijk en niet onredelijk geacht dat de executeur de communicatie met [eiser] aan de notaris heeft overgelaten, omdat de verslechterde verstandhouding tussen de broers de afwikkeling van de nalatenschap bemoeilijkte. [verweerder] heeft volgens het hof dus niet gehandeld in strijd met de van een goed executeur te verwachten zorg door de communicatie met [eiser] die van hem als executeur werd gevergd, aan de notaris over te laten.
Volgens het onderdeel geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof heeft bedoeld dat de executeur een eigen verantwoordelijkheid heeft om de door hem ingeschakelde notaris aan te spreken op (grove) fouten en daaruit voortvloeiende kosten.
subonderdelen V.1 en V.2betreffen de overwegingen over de uitleg van het testament in de tweede tot en met vierde volzin van rov. 3.8. Volgens
subonderdeel V.1is de overweging in de tweede volzin rechtens onjuist als het hof hiermee blijk geeft van de opvatting dat de bevoegdheden van de executeur door de erflater kunnen worden uitgebreid tot verdeling van de nalatenschap.
Volgens de rechtsklacht van
subonderdeel V.2zijn de overwegingen in de derde en vierde volzin rechtens onjuist als het hof heeft bedoeld dat het ontbreken van de door het hof genoemde termen er niet aan in de weg staat dat in het testament moet worden gelezen dat moeder [verweerder] tot (afwikkelings)bewindvoerder heeft benoemd. Het middel bestrijdt met name de hiervoor (in 2.16.3) genoemde opvatting van Schols en betoogt dat de eerder (in 2.16.2) geciteerde opmerking in de parlementaire geschiedenis betrekking heeft op gevallen waarin sprake is van een ‘slip of the pen’ in de aanduiding, maar waarin de regeling van het testament voor het overige dwingt tot de conclusie dat is beoogd een bewind in te stellen. Het subonderdeel bevat voorts drie motiveringsklachten.
subonderdeel V.2op zichzelf terecht op enige verschillen tussen bewind en executele. Deze verschillen staan, zo meen ik met de literatuur, als zodanig niet in de weg aan de mogelijkheid dat in een testament zowel een executele als een bewind wordt ingesteld. Het middel betoogt ook niet het tegendeel (zie
nr. 4bij het subonderdeel), maar benadrukt dat uit het testament moet blijken welke figuur de testateur op het oog heeft.
Uiteraard zal uit het testament moeten blijken of daarin een executele en/of bewind wordt ingesteld. Dit dient door uitleg van het testament te worden vastgesteld. Anders dan het subonderdeel (in
nr. 5) aanvoert, meen ik dat het enkele gegeven dat het testament niet de term ‘bewind’ bevat op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan de conclusie dat daarin een executele en afwikkelingsbewind wordt ingesteld.
Dit strookt met de hiervoor (in 2.16.2) geciteerde opmerking in de parlementaire geschiedenis. Dat in die opmerking wordt gesproken van een foutieve benaming, houdt mijns inziens slechts de constatering in, dat de term executeur in geval van een executele-afwikkelingsbewind de lading niet meer dekt.
subonderdeel V.3is de overweging in de zesde volzin, dat niet is gebleken dat [verweerder] feitelijk als afwikkelingsbewindvoerder heeft gefungeerd, onjuist of onbegrijpelijk nu [verweerder] zich als bewindvoerder heeft gedragen door de voorbereidende handelingen voor de verkoop van de vakantiewoning aan de notaris te delegeren.
Volgens
subonderdeel V.4geven de overwegingen in de zevende en achtste volzin dat de zogenaamde ‘tweesterrenexecuteur’ de nalatenschap verdelingsrijp mag maken en voorbereidingen mag treffen voor de verdeling, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de executeur de nalatenschap niet in staat van verdeling mag brengen. Hierop voortbouwend bestrijdt
subonderdeel V.5de overweging over de indruk die de notaris wekte over de bevoegdheid van [verweerder] om de vakantiewoning te verkopen.
Volgens
subonderdeel V.6zijn de slotoverwegingen, kort gezegd, dat [verweerder] als executeur moest meewerken aan de verdeling (art. 4:145 lid 1 BW Pro) en daarbij de notaris mocht inschakelen, onnavolgbaar en onvoldoende gemotiveerd. De klacht voert aan dat de door [eiser] bekritiseerde werkzaamheden van de notaris en de daarvoor in rekening gebrachte kosten zien op voorbereidingen van de verkoop en niet op de verdeling van de netto-opbrengst van de woning of de medewerking door [verweerder] in zijn hoedanigheid van executeur aan de levering van de vakantiewoning, omdat de notaris daarmee geen bemoeienis meer had.
Het hof is mijns inziens echter niet van een ander uitgangspunt uitgegaan. Het hof spreekt immers van het
verdelingsrijpmaken van de nalatenschap en van het in dat verband treffen van
voorbereidingenvoor de verkoop. Het hof heeft hier kennelijk het oog op andere werkzaamheden dan werkzaamheden die betreffen het
in staat van verdeling brengenvan de nalatenschap. De klachten van het middel beschouwen dit echter wel als werkzaamheden in het kader van het in staat van verdeling brengen van de nalatenschap. Ik bezie dit punt hieronder. Daartoe is het nodig nader in te gaan op de terminologie van verdelen, in staat van verdeling brengen en verdelingsrijp maken.
verdelingaan iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. [37] Men kan dit kort omschrijven als de rechtshandeling waarbij de deelgenoten vaststellen wat aan ieder van hen toekomt. [38] De verdeling kan in beginsel geschieden in de vorm en op de wijze die partijen goeddunkt (vgl. art. 3:183 lid 1 BW Pro) en zo nodig door de rechter op een van de in art. 3:185 lid 2 BW Pro genoemde wijzen of op een andere wijze. [39] Een van de genoemde wijzen is de verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht (art. 3:185 lid 2 onder Pro c BW). Partijen kunnen hiertoe uiteraard ook in onderling overleg overgaan. In overeenstemming hiermee verwijst het hof in rov. 3.8 naar de (partiële)
verdelingvan de nalatenschap in de vorm van het toedelen van de vakantiewoning aan een van de erfgenamen of de verdeling van de netto-opbrengst van de verkoop van de vakantiewoning onder de erfgenamen.
in staat van verdelingte brengen. De term
in staat van verdeling brengenwordt niet in Boek 3 omschreven. Men kan daarbij denken aan het treffen van voorbereidingen voor de verdeling, [40] in het bijzonder het te gelde maken van (delen van) het actief met het oog op de verdeling van de opbrengst. [41]
verdelingsrijpte maken en
voorbereidingen voor de verdelingte treffen. Dit is in abstracto ruim omschreven, maar mijns inziens niet te ruim voor dit geval.
allevoorbereidingshandelingen voor de verdeling tot de taken en bevoegdheden van de executeur behoren.
Het hof heeft dit m.i. niet miskend, omdat het hof in rov. 3.8 per saldo slechts een oordeel heeft gegeven over de vraag of in dit geval de kosten van de werkzaamheden van de notaris die zien op de
voorbereiding van de verkoopvan de vakantiewoning kunnen worden gerekend tot de kosten van de executele.
onderdelen II en III. Blijkens deze overwegingen dient in cassatie tot uitgangspunt, kort gezegd, dat tot de kosten van de executele behoren de kosten die de executeur in redelijkheid kon maken en dat daartoe, in dit geval, behoren de kosten die [verweerder] heeft gemaakt voor het inschakelen van de notaris voor andere dan de verplichte notariële werkzaamheden. In deze sleutel lees ik ook het slot van rov. 3.8, waarin het hof onder verwijzing naar art. 4:145 lid 1 BW Pro – op zichzelf terecht − overweegt dat [verweerder] in zijn hoedanigheid van executeur moest meewerken aan de verdeling, dat wil hier zeggen de vervreemding van de vakantiewoning door [verweerder] en [eiser] als erfgenamen. Het hof overweegt vervolgens dat niet valt in te zien dat [verweerder] daarbij geen notaris mocht inschakelen. Het woord ‘daarbij’ in de voorlaatste volzin van rov. 3.8 verwijst mijns inziens niet specifiek naar de in art. 4:145 lid 1 BW Pro bedoelde rol van de executeur. Ik begrijp dit deel van rov. 3.8 zo dat de executeur sowieso in beeld zou komen bij de vervreemding van de vakantiewoning en dat daarom denkbaar is dat hij ook betrokken is in een voorstadium daarvan.
In rov. 3.8 ligt besloten dat deze kosten volgens het hof niet zien op de verdeling van de opbrengst van de vakantiewoning of op het in staat van verdeling brengen van de nalatenschap door de verkoop van de vakantiewoning. Deze kosten betreffen volgens het hof de voorbereiding van de verkoop. Daarmee brengt het hof deze kosten onder de algemene noemer van de beheerstaken van de executeur.
De omvang van de beheerstaak kan niet steeds scherp worden afgebakend.Het beheer kan allerlei praktische aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap omvatten die dienstig kunnen zijn voor een ordelijke voorbereiding van de verdeling der nalatenschap. Denkbaar is dat bepaalde kosten de ene keer (meer) liggen in de sfeer van het in staat van verdeling brengen van de nalatenschap en de andere keer meer in de sfeer van het beheer van de nalatenschap. [44] Het hof beschouwt de notariskosten in dit geval als kosten die de executeur in redelijkheid kon maken. Het oordeel of de executeur, gelet op zijn taak en de vervulling daarvan, in redelijkheid niet tot het maken van bepaalde kosten heeft kunnen komen, is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het oordeel in rov. 3.8 over de kosten die in dit geval waren gemoeid met de inschakeling van de notaris, geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoeft geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Op het voorgaande stuiten de klachten van de
subonderdelen V.3 tot en met V.6af.
aan wiede executeur de gegevens moet verstrekken kunnen verschillen, aangezien art. 4:148 BW Pro gaat over het verstrekken van informatie aan de erfgenamen, terwijl art. 4:151 BW Pro een verplichting oplegt jegens degene die na de executeur tot het beheer bevoegd is. In de onderhavige procedure zijn dit dezelfde personen.
subonderdeel VI.1, samengevat, geeft de overweging dat art. 4:148 BW Pro na de beëindiging van de executele geen basis meer kan bieden voor een vordering tot informatieverstrekking blijk van een onjuiste rechtsopvatting in het geval de op dit wetsartikel ingestelde vordering is ingesteld vóór het einde van de executele/het beheer. Het subonderdeel betoogt (in
nr. 6) dat een redelijke wetstoepassing en de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat de vordering op de voet van art. 4:148 BW Pro wordt beoordeeld indien de daarop gebaseerde vordering voor het einde van de executele/het beheer is ingesteld. [53]
onderdeel VII).
In de eerste plaats ontbreekt belang omdat – ook indien het middel terecht zou klagen over het oordeel van het hof dat [eiser] aan art. 4:148 BW Pro geen aanspraak op stukken meer kan ontlenen − de informatieplicht van de executeur betrekking heeft op dezelfde gegevens als waarover hij op grond van art. 4:151 BW Pro bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording schuldig is. Dit betekent dat het oordeel in het kader van art. 4:148 BW Pro niet anders zou zijn uitgevallen dan het oordeel in rov. 3.19. Niet is aangevoerd dat tussentijdse informatieverschaffing op de voet van art. 4:148 BW Pro meer of anders zou hebben opgeleverd dan informatieverschaffing in het kader van art. 4:151 BW Pro.
In de tweede plaats ontbreekt belang bij de klacht van het subonderdeel voor zover de inlichtingenvordering betrekking had op de onderbouwing van de overige vorderingen van [eiser] tegen [verweerder] (zo wijst
subonderdeel VI.2in
nr. 3op het belang van de inlichtingenvordering in verband met het “bewijs dat de notaris, onder het mom van 'delegatie' van bevoegdheden door de executeur aan hem, zich bevoegdheden heeft aangemeten die de executeur niet had en dat hij dusdoende werkzaamheden heeft verricht die niet tot het takenpakket van de executeur behoorden en dus ook qua kosten niet ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht.”). Het hof heeft de overige vorderingen van [eiser] tegen [verweerder] beoordeeld. Voor zover het middel daartegen klachten richt in de
onderdelen I tot en met V, is hiervoor geconcludeerd dat deze klachten niet slagen. Hieruit volgt dat het oordeel van het hof definitief wordt. Ook hieruit volgt dat belang bij de inlichtingenvordering ontbreekt.
subonderdeel VI.1(in
nr. 7) dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen en grieven van [eiser] , voor zover het hof met zijn overweging omtrent de strekking van de inlichtingenplicht heeft bedoeld dat het verzoek om inlichtingen uitsluitend het doel heeft een klacht tegen de notaris voor te bereiden.
onderdelen I tot en met VIniet slagen. Dit geldt dan ook voor
onderdeel VII, dat louter een voortbouwklacht bevat. De slotsom is dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.