Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.De uitleg van uiterste wilsbeschikkingen
in aanvulling opde voor alle rechtshandelingen geschreven bepaling van art. 3:33 BW Pro enkele uitlegregels te formuleren. [5] Die uitlegregels houden volgens de toelichtende stukken verband met de ‘ingrijpende bijzondere regel’ dat de verklaring die een uiterste wil inhoudt, alleen onaantastbaar rechtsgevolg heeft indien zij in een bepaalde nauwkeurig voorgeschreven vorm is afgelegd. [6] Ik kom hierna 3.38 e.v. uitvoerig terug op de betekenis van de totstandkomingsgeschiedenis van art. 4:46 BW Pro, in het bijzonder met het oog op de moeizame verhouding tussen het eerste en tweede lid van dat artikel.
overeenkomsten.Beide regelingen kozen een geheel vergelijkbare insteek. Volgens art. 932 BW Pro (oud) gold dat als de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, men daarvan door uitlegging niet mag afwijken. En volgens art. 1378 (oud) gold geheel overeenkomstig dat als de bewoordingen van een overeenkomst duidelijk zijn, men daarvan door uitlegging niet mag afwijken.
testamentengesproken. [8]
ongerichterechtshandeling. [10] Van de tweeslag van de wilsvertrouwensleer is daarom alleen art. 3:33 BW Pro in beeld en niet ook art. 3:35 BW Pro. [11]
begrepen wil.Dit begrijpen is niets anders dan uitleggen, waarbij zoals gezegd het erop aankomt dat aan de context van een wilsverklaring zoveel als mogelijk recht wordt gedaan.
bepaaldepartij (bij meerzijdige rechtshandelingen de wederpartij, bij eenzijdige rechtshandelingen de geadresseerde) redelijkerwijs aan de wilsverklaring heeft mogen hechten en ook niet, wat niet werkelijk iets anders is, de redelijke verwachtingen van die partij naar aanleiding van die verklaring. Het juiste perspectief is in plaats daarvan dat van een objectief persoon die de wilsverklaring en de rechtsgevolgen waarop zij is gericht, naar beste weten begrijpt. [12]
DSM/ […] [16] van de cao-norm als betrekking hebbend op ‘geschriften en verhoudingen’ waarvan de aard meebrengt dat bij uitleg in beginsel objectieve maatstaven centraal moeten staan. Welnu, het maakt nogal uit of een geschrift dan wel een rechtsverhouding het object van uitleg is.
relevant. Dat zou slecht passen zowel bij de verplichte schriftelijke vorm als bij de gewone notariële bemoeienis; de voordelen van beide zouden gemakkelijk verloren gaan, met schade voor de rechtszekerheid. Ik heb ook geen twijfel dat de uitlegregels van het huidige art. 4:46 BW Pro veronderstellen dat de in die uiterste wil opgenomen wilsverklaring als zodanig voorwerp van uitleg is. Het ligt mijns inziens reeds besloten in de formulering van de aanhef van het eerste lid: ‘Bij de uitleg
vaneen uiterste wilsbeschikking…’
Onteigening SNS [22] naar objectieve maatstaven plaats, ‘overeenkomstig het arrest van HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (DSM/ […] )’, wat op te vatten is als overeenkomstig de zogenaamde cao-norm. [23] Die cao-norm komt neer op een beperking van de bij uitleg in aanmerking te nemen omstandigheden, in de zin dat niet-openbare stukken en andere voor derden niet-kenbare gegevens buiten beschouwing blijven. [24] De beschikking
Onteigening SNSnoemt als argumenten voor deze maatstaf dat de 403-verklaring ‘een niet tot een bepaalde partij gerichte, eenzijdige rechtshandeling is, dat bij een dergelijke rechtshandeling per definitie derden geen invloed hebben op haar bewoordingen en dat de overwegingen die ten grondslag liggen aan de wijze waarop de betrokken bepalingen zijn geredigeerd, voor die derden niet kenbaar zijn’.
SNS-beschikking) uw Raad het ‘eenzijdige karakter’ van de rechtshandeling als ratio vermeldt. Vergelijking met het geval van de 403-verklaring leert ons echter dat de juridisch-technische kwalificatie als eenzijdige, ongerichte rechtshandeling hier niet bedoeld kan zijn. Niet voor niets leidt het arrest uit 2012 de verwijzing naar het eenzijdige karakter van de aanwijzing van de begunstigde in met de overweging dat die aanwijzing ‘een uitsluitende bevoegdheid van de verzekeringnemer’ is.
de allereerste plaats. [27] Een beperking in de bij die vaststelling te gebruiken gegevens, past daarbij niet goed (we zagen zojuist dat in het geval van een aanwijzing van de begunstigde in het geval van een sommenverzekering ook meedoen eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar).
voor de erflater, namelijk dat na zijn overlijden inderdaad conform zijn beschikking erfgenaam zullen zijn de personen die hij daartoe heeft aangewezen, dat het door hem beoogde legaat aan de door hem bedoelde persoon zal worden uitgekeerd, enzovoort.
Dierechtszekerheid wordt met een beperking van de bij uitleg in aanmerking te nemen gegevens niet gediend. Integendeel, een zodanige beperking vergroot de kans dat een uiterste wilsbeschikking anders uitpakt dan door de erflater is bedoeld. [28]
de allereerste plaatsstaat, niet anders dan bij de uitleg van de aanwijzing van de begunstigde in het geval van een levensverzekering (hiervoor 3.22 e.v.), en ook de woorden van een uiterste wilsbeschikking op zichzelf nooit duidelijk zijn (hiervoor 3.4 e.v.), moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
lijkente zeggen, is dus niet bepalend. In plaats daarvan behoren wij ons de vraag te stellen welke verhoudingen de erflater met zijn uiterste wilsbeschikking op het oog heeft gehad (dezelfde zoals die naar de peildatum van zijn overlijden bestaan, dan wel andere?) en onder welke (overige) omstandigheden hij die uiterste wil heeft gemaakt. Ons zo verplaatsend in de positie van de erflater ten tijde van het maken van de uiterste wil, geven wij aan de uiterste wilsbeschikking haar juiste betekenis.
kennelijkwenst te regelen’), mogelijk beperkend is bedoeld, in de zin dat een veronderstelde ‘duidelijke zin’ van de bewoordingen van de uiterste wil alleen in sprekende gevallen door een andere uitleg ter zijde mag worden gesteld. [31] In verband met art. 932 BW Pro (oud) (vergelijk hiervoor 3.4) sluit ik niet uit dat Meijers het oorspronkelijk zo heeft bedoeld, maar in zijn toelichting op art. 4.3.1.8 lees ik het niet. Ook overigens vind ik er in de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling geen aanwijzing voor. Hoe dan ook, reeds in 1965 [32] zei uw Raad dat ‘mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij de beschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt’, dus de formulering van het ontwerp overnemend
met weglating van het woordje ‘kennelijk’.Verder staat niet ter discussie dat in voorkomende gevallen met getuigenverklaringen mag worden bewezen wat de verhoudingen zijn die de erflater met zijn uiterste wil wenste te regelen en wat in dat verband toen de relevante omstandigheden waren. [33] Ook daaraan staat het ‘kennelijk’ van lid 1 dus niet in de weg.
daden of verklaringenvan de erflater buiten de uiterste wil ‘slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien de uiterste wil zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft’. Deze bepaling heeft tot veel verwarring geleid en doet dat nog.
met uitzondering vande in lid 2 bedoelde daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil. Wordt vastgesteld dat de uiterste wilsbeschikking geen duidelijke zin heeft, dan gaat de tweede fase in. In die fase vindt uitleg van de uiterste wilsbeschikking alsnog plaats met inachtneming van ook daden en verklaringen van erflater buiten de uiterste wil. Heeft de uiterste wilsbeschikking wél ook zonder daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil een duidelijke zin, dan wordt aan de tweede fase niet toegekomen, en blijft het bij de uitleg zoals die van de eerste fase het resultaat is. [34]
ten vollein aanmerking te nemen verhoudingen en omstandigheden in beginsel (namelijk in de veronderstelde eerste fase)
willekeurigzou uitsluiten gegevens die bij die vaststelling – veelal
bij uitstek– behulpzaam kunnen zijn (namelijk daden en verklaringen van de erflater). Zo’n willekeurige uitsluiting kán geen recht zijn. Kolkman zegt het zo: [35]
op het verkeerde been zeten verleidt tot de ‘in het huidige erfrecht’
onjuisteopvatting dat een ogenschijnlijk duidelijk testament niet (nader) mag worden uitgelegd
.Dit komt er dus op neer dat in het huidige art. 4:46 BW Pro niet staat wat er staat.
daarentegendaden of verklaringen van de erflater buiten het testament
slechtswanneer de uiterste wil zonder die daden of verklaringen ‘geen duidelijke zin’ heeft.
niet duidelijkvan de Toelichting-Meijers afstand is genomen. Nauwkeurige beschouwing van de wetsgeschiedenis leert ons echter dat dit
op subtiele wijzeonmiskenbaar wél heeft plaatsgevonden, namelijk in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer, als volgt.
niet uitvoerbaarals
niet redelijknoemde, de vraag gesteld of ‘interpretatie niet een materie is, die zich bij uitstek slecht voor regeling door wetsbepalingen leent’ en of het niet de voorkeur verdient om voor de uitleg van testamenten géén voorschriften te geven. [41]
zelfniet een gesloten karakter dragen, maar slechts dat
het complex van die regels(dus de leden 1-3 tezamen genomen) niet gesloten is. Dat laat zich eventueel zo lezen dat naast die regels eventueel ook nog andere kunnen worden aanvaard. Lezen we de memorie inderdaad in deze zin, dan rijst echter onmiddellijk de vraag of het resultaat van zo’n andere regel ook tegengesteld mag zijn aan wat lid 2 ons als gesloten regel presenteert. Dat lijkt onverenigbaar met de pretentie van de wetgever dat de in art. 4:46 BW Pro gegeven regels de rechtszekerheid bevorderen. Maar wat bedoelt de memorie dan? Zij is toch onmiskenbaar een reactie op de kritiek van Glastra van Loon, welke kritiek niet inhoudelijk door de memorie wordt weersproken? De strekking van de opmerking dat de wettelijke uitlegregels geen gesloten stelsel vormen, moet dan toch zijn dat deze kritiek daardoor ten minste wordt gerelativeerd?
ruimte geeft, namelijk om rekening te houden met een reactie van de erflater op een omstandigheid die pas na het maken van de uiterste wil is ingetreden. Die ruimte is echter beperkt tot daden of verklaringen. Waarom? Slechts om een niet-doen als relevant interpretatiegegeven uit te sluiten en wel
met nameeen niet-herroepen van de gemaakte uiterste wil. In de tweede alinea wordt het belang van dit laatste uitgewerkt met een beroep op het vormvoorschrift waaraan uiterste wilsbeschikkingen onderworpen zijn. Terecht zegt de memorie dat met dat vormvoorschrift logisch onverenigbaar is ‘elke andere wilsuiting van de overledene’ gelijk te stellen met de in de juiste vorm gegeven uiterste wilsbeschikking. En dan volgt in het slot van de alinea de duiding dat
ondanks lid 2ook andere wilsuitingen van de erflater als kenbron van de wil van de erflater toegelaten zijn, afhankelijk van een afweging tussen het belang dat met het vormvoorschrift is gediend en het belang dat de wil van de overledene binnen de grenzen van de testeervrijheid zoveel mogelijk tot zijn recht komt. In deze uiteenzetting is de opvatting volgens welke uitleg in twee fasen plaatsvindt, niet herkenbaar meer (anders dan dat in de aanhef lid 2 wordt weergegeven, waarvan de
formuleringop zichzelf het onderscheid in de beide fasen suggereert). In plaats daarvan ligt alle nadruk op de ruimte die de rechter heeft om aan de wil van de overledene zoveel mogelijk recht te doen, zonder het belang dat met de toepasselijke vormvoorschriften wordt gediend te veronachtzamen.
EersteKamer presenteert ons lid 2 bondig als een regel die ‘nog ruimer’ is dan die van lid 1, waarbij slechts terloops aan de orde komt dat dit veronderstelt dat de conclusie van toepassing van lid 1 is dat de uiterste wil zo ‘geen duidelijke zin heeft’. [45] Dat het stelsel van lid 2 beperkend bedoeld zou zijn, wordt niet benoemd en heeft al helemaal geen nadruk. Ten slotte nog, de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer stond in het teken van de regel van lid 3 [46] en niet van die van lid 2.
in plaats vande uiterste wil worden geplaatst, wat er immers op neer zou komen dat een uiterste wil ook op andere wijze dan bij nieuwe uiterste wil kan worden herroepen. Terecht achtte de wetgever iets dergelijks niet verenigbaar met het bestaan en de functie van de vormvoorschriften zoals die voor de totstandkoming van uiterste wilsbeschikkingen gelden. [47] Wie zegt dat lid 2 dan beter gemist kan worden, omdat het op het verkeerde been zet, geef ik gelijk. Het voorstel van de Commissie Erfrecht van de KNB om lid 2 te schrappen, is terecht.
zoals die ten tijde van het maken van de uiterste wil bestond, niet anders dan daden en verklaringen voorafgaand aan die uiterste wil. Dit geldt niettegenstaande de letter van art. 4:46 lid 2 BW Pro zonder enige beperking. Wat velen in die bepaling nog lezen, namelijk dat daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil alleen in aanmerking komen
nadat vooraf is vastgesteld dat de uiterste wil geen duidelijke zin heeft, is een misverstand. Komt de rechter mede op grond van daden en verklaringen van de erflater uiteindelijk tot een bepaalde uitleg van diens uiterste wil, dan ligt daarin besloten dat die wil niet een andere in aanmerking komende ‘duidelijke zin’ heeft. En omdat dit zo is, is de vraag naar de juiste duidelijke zin van een uiterste wil niet te beantwoorden met wegdenken van relevante daden en verklaringen van de erflater, ook niet in een eerste fase.
mits deze met de vereiste hoge mate van zekerheid vaststaan. [51]
tegenoverandere uitleggevens, waarbij dan die laatste aan een verhoogde bewijsstandaard moeten voldoen. In de context van uitonderhandelde contracten hebben we met formuleringen die aan tekstuele uitlegargumenten in beginsel voorrang verlenen slechte ervaringen opgedaan. [52] Beter lijkt me ook voor uiterste wilsbeschikkingen te aanvaarden dat voor uitleg alle omstandigheden van het geval van belang zijn, met als
gezichtspuntdat in verband met de vormvoorschriften die voor uiterste wilsbeschikkingen gelden en de rol van het notariaat in het algemeen veelal grote betekenis zal toekomen aan de taalkundige betekenis van de in de uiterste wil gekozen bewoordingen. Hoe hoog de maatlat moet worden gelegd voor gegevens die de bedoelde taalkundige betekenis van de in de uiterste wil gekozen bewoordingen ter zijde stellen, is mijns inziens niet in abstracto te bepalen. Voor zover het omstandigheden betreft die redelijkerwijs binnen het blikveld van de testateur en de notaris lagen, zal de lat hoog liggen, omdat zonder overtuigende aanwijzingen in andere zin vast is te houden aan de veronderstelling dat met die omstandigheden rekening zal zijn gehouden. Zijn daarentegen de omstandigheden na het opstellen van de uiterste wil ingrijpend gewijzigd en is aannemelijk dat de mogelijkheid ervan door testateur en/of notaris niet is voorzien, dan ligt de lat mijns inziens wezenlijk lager; in feite zegt de tekst, die vanuit een ander blikveld is geformuleerd, dan niet veel over de juiste omgrenzing van wat de bedoeling van de erflater is geweest (vergelijk hierna 3.56 e.v.). Verder moet steeds worden gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. [53] Als ik zeg dat de taalkundige betekenis van een uiterste wilsbeschikking gekozen bewoordingen in het algemeen van grote betekenis is, bedoel ik dus
nietgrammaticale uitleg.
a contrariogelezen, dan is zij alsnog gevaarlijk. Kunnen wij vaststellen dat de erflater zich ‘klaarblijkelijk’ in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist terwijl de juiste bedoeling van de erflater ‘ondubbelzinnig’ blijkt, dan is
uiteraarddie juiste bedoeling leidend. Dit sluit geenszins uit dat ook anderszins uitleg volgens de maatstaven van art. 3:33 en Pro 4:46 lid 1 BW ertoe kan leiden dat een in een uiterste wil opgenomen aanduiding van een persoon of goed anders wordt uitgelegd dan op
het eerste gezichtin de gebruikte bewoordingen zou kunnen worden gelezen. Bij uitleg is immers behalve op de woorden steeds ook op de context te letten. En het sluit ook niet uit dat andere vergissingen dan die in de aanduiding van een persoon of goed door een gepaste uitleg worden geredresseerd.
gewijzigdten opzichte van de omstandigheden zoals die ten tijde van het opstellen van de uiterste wil waren. (Het woord ‘omstandigheden gebruik ik nu in een ruime zin, die de ‘verhoudingen’ in de zin van art. 4:46 lid 1 BW Pro mede omvat.)
imprévision-bepaling van art. 6:258 BW Pro. Een pendant daarvan kent het erfrecht slechts met betrekking tot
ná het overlijden van de erflateringetreden omstandigheden in art. 4:123 (wijziging of opheffing van een legaat) en 4:134 BW (wijziging of opheffing van een testamentaire last). Naast art. 6:258 BW Pro staat echter uitleg van de overeenkomst en wel, als ik het goed zie, in twee variaties. Indien bijvoorbeeld de vraag is of van een in vredestijd gesloten overeenkomst ook in oorlogstijd nog nakoming kan worden gevorderd, is in de eerste plaats denkbaar dat de rechter de overeenkomst aldus uitlegt dat volgens hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten de in de overeenkomst voorziene rechtsgevolgen uitsluitend in vredestijd gelding hebben (of juist ook in oorlogstijd). [55] Aan toepassing van art. 6:258 BW Pro komen wij dan niet toe. Aldus dicht de rechter aan partijen dus redelijke verwachtingen toe met betrekking tot de omstandigheden zoals die inmiddels zijn geworden. In plaats daarvan, dus in de tweede plaats, kan hij ook ontkennen dat de overeenkomst voor het geval van die omstandigheden iets inhoudt. Deze uitleg leidt dan tot een leemte, die vervolgens met toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid zal moeten worden gedicht (art. 6:248 lid 1 BW Pro). Ook zo komen wij aan toepassing van art. 6:258 BW Pro niet toe. [56]
Gezwollen banksaldo. [57] De erflaatster had in haar testament al haar bank- en girotegoeden aan haar nicht gelegateerd en voor het overige haar broer tot enig erfgenaam benoemd. Vlak voor haar overlijden heeft zij haar woning verkocht en de koopsom ontving zij op haar bankrekening. Vervolgens heeft zij een ander woonhuis gekocht, maar zij is overleden voordat de eigendom hiervan aan haar was overgedragen. Op het moment van haar overlijden stond de koopsom van de vorige woning nog op haar bankrekening. De bewoordingen van het testament van erflaatster zijn grammaticaal duidelijk: het legaat voor de nicht van erflaatster omvatte de koopsom voor de oude woning, waardoor de nalatenschap voor de broer per saldo negatief uitviel. Die broer moest immers voldoen aan de verplichting die erflaatster op zich had genomen om de nieuwe woning te kopen, maar hij beschikte niet over de koopsom van de oude woning, omdat die koopsom (althans op het eerste gezicht) behoorde tot het legaat van de nicht van erflaatster. De broer en nicht van de erflaatster sloten een vaststellingsovereenkomst waarin zij overeenkwamen dat het de bedoeling van erflaatster was geweest dat de voormelde koopsom geen deel uitmaakte van het legaat. Desondanks hief de belastinginspecteur belasting bij de nicht. Het hof oordeelde dat zich hier niet een situatie voordeed waarbij de uiterste wilsbeschikking geen duidelijke aanwijzing bevatte voor wat erflaatster wilde dat na haar overlijden met haar vermogen zou geschieden. Het hof hield daarom vast aan de bewoordingen van het testament, volgens welke bewoordingen de koopsom deel uitmaakte van het legaat van de nicht van erflaatster. Uw Raad achtte dit oordeel onbegrijpelijk. De uitleg die de broer en nicht van erflaatster aan de uiterste wilsbeschikking hadden gegeven was ‘alleszins begrijpelijk’, gelet op de omstandigheden dat erflaatster (i) haar oude woning had verkocht, (ii) een nieuwe woning had gekocht en (iii) de verkoopprijs van de oude woning had bestemd voor de aankoop van de nieuwe woning.
geenerfstelling bevat. De leemte die aldus ontstaat, wordt door het versterferfrecht opgevuld. Het spreekt vanzelf dat dit laatste met het oog op de rechtszekerheid een aanzienlijk voordeel is ten opzichte van wat in het contractenrecht geldt (opvulling van de leemte met toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid). [61]
nietovertuigend dat het hof ‘de maatstaf van art. 4:46 BW Pro’ (enkelvoud) niet had miskend. Hoewel uw Raad dat niet uitdrukkelijk zegt, moet de gevolgtrekking uit het arrest daarom zijn dat die tweefasenopvatting niet juist is. Alleen zo is verklaarbaar dat uw Raad tegenover het cassatiemiddel niet zegt dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat de beschikking zonder daden of verklaringen van de erflaatster buiten de uiterste wil geen duidelijke zin had. [64] Voor wat wel de juiste opvatting van art. 4:46 lid 2 BW Pro is, verwijs ik naar wat hiervoor 3.38 e.v. is gezegd (met conclusie onder 3.47 e.v.).
nietbetrekt. In de context van de uitleg van een uiterste wilsbeschikking is allerminst denkbeeldig dat een partij
meentdat een bepaalde uitleg van de uiterste wil onontkoombaar is, bijvoorbeeld in verband met een onjuiste opvatting van de uitlegregels van art. 4:46 BW Pro, en daarom ervan afziet om die uitleg te bestrijden, maar zich wél op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beroept. In verband met art. 24 Rv Pro is de rechter gebonden aan de eenstemmige uitleg die de procespartijen aan de uiterste wilsbeschikking hebben geven. Welnu, in dit geval is het mijns inziens zeer gewenst dat alsnog met toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid een gepaste uitkomst kan worden bereikt.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1richten zich tegen rechtsoverwegingen 3.3, 3.5 en 3.7 tot en met 3.9 van het arrest van 22 maart 2022. Behalve die overwegingen citeer ik ook de tussenliggende overwegingen:
Onder 1.3is echter ook de klacht te lezen dat ‘in ieder geval’ onjuist is dat vereist zou zijn dat de erflater bij het opmaken van het testament op toekomstige omstandigheden (het hertrouwen van erflater na een echtscheiding van zijn eerste echtgenote en het nalaten van afstammelingen) is vooruitgelopen. Deze klacht slaagt.
onder 1.5slagen. Het hof heeft bij de uitleg van het testament ten onrechte ‘geen begrijpelijke aandacht’ besteed aan de ten tijde van het opmaken van het testament ‘niet voorziene’ wijziging in de huwelijks- en gezinssituatie van erflater. Het oordeel van het hof dat de erfstelling van [de broer] ook gold in die gewijzigde, niet voorziene situatie, is onbegrijpelijk, althans behoefde minst genomen een nadere motivering.
subsidiairkarakter droeg; zij gold alleen indien het huwelijk van erflater met zijn eerste echtgenote op zijn sterfdag niet meer zou bestaan. Gelet daarop is mijns inziens weinig aannemelijk dat erflater ook een beschikking heeft willen geven met gelding in het geval hij zou hertrouwen. Dat zou immers betekenen dat naar de veronderstelde bedoeling van erflater een eventuele toekomstige echtgenote bij zijn broer ten achter zou staan,
ondanks de omstandigheid dat zijn eerste echtgenote dat niet deed.Het hof lijkt eraan voorbij te hebben gezien dat ondanks het gewicht dat de formulering van een uiterste wil heeft, steeds behoort te worden gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg in de ene dan wel andere zin. Dit geldt in versterkte mate in de situatie waarin de omstandigheden na het opstellen van de uiterste wil wezenlijk zijn gewijzigd (hiervoor 3.52).
subsidiaireerfstelling van [de broer] door erflater een beschikking is getroffen die ook het eventuele geval van hun toekomstige bestaan omvatte. Ook dat kan ik me maar moeilijk voorstellen. De erfstelling heeft niet alleen ten behoeve van [de broer] plaatsgevonden, maar meer subsidiair ook ten behoeve van diens afstammelingen (zie hiervoor 2.1 onder iii). Dit betekent dan dat erflater bij voorbaat voorrang zou hebben willen verlenen aan de kinderen en/of kleinkinderen van zijn broer bóven eventuele toekomstige
eigenkinderen. Ook in dit verband geldt dat de motivering van het hof aan de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg in de ene dan wel andere zin ten onrechte geen aandacht besteedt.
onderdeel 2is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan de stellingen van [de weduwe en de kinderen] inhoudende dat het vasthouden aan de subsidiaire erfstelling van [de broer] in het testament naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [77]
onderdeel 3heeft het hof de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep miskend, voor zover het hof de door [de weduwe] in eerste aanleg ingenomen stellingen over de uitleg van het testament van erflater niet (kenbaar) in zijn beoordeling heeft betrokken. [78]