ECLI:NL:PHR:2023:729
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens verjaring recht tot strafvervolging valsheid in geschrift
De verdachte werd in 2002 door het gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf wegens meermalen gepleegde valsheid in geschrift. Het cassatieberoep richt zich op de vraag of het recht tot strafvervolging is verjaard.
De tenlastelegging betreft het valselijk vervaardigen van verkoopwissels/bonnen met valse handtekeningen van het slachtoffer, gepleegd rond 4 februari 2000. De verjaringstermijn voor dit feit bedraagt twaalf jaren, omdat de maximale straf zes jaar gevangenisstraf is.
De verjaring werd in 2002 door betekening van de appeldagvaarding gestuit, waarna de termijn opnieuw begon te lopen. Een daad van vervolging vond plaats op 25 maart 2004 met een mededeling van uitspraak aan de griffier, wat opnieuw de verjaring stuitte. Daarna is geen nieuwe daad van vervolging verricht binnen twaalf jaar, zodat de verjaring in 2014 is voltooid.
De conclusie van de advocaat-generaal is dat het recht tot strafvervolging is verjaard en dat het arrest van het gerechtshof vernietigd moet worden, behoudens voor zover het vonnis van de politierechter is vernietigd. Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Tevens is de redelijke termijn overschreden, maar dit leidt niet tot rechtsgevolgen in deze zaak.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvervolging.