ECLI:NL:HR:2012:BW1361
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stuiting verjaring strafvordering na wetswijziging art. 72 Sr
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verjaring van het recht tot strafvordering was gestuit door het uitbrengen van een dagvaarding die later nietig werd verklaard. De verdachte werd verdacht van verduistering gepleegd tussen maart en juni 2001. De dagvaarding was op 17 december 2002 aan de griffier uitgereikt, maar werd door het hof nietig verklaard.
De wetswijziging van 1 januari 2006 aan art. 72 Sr Pro schafte de eis af dat een daad van vervolging de verdachte bekend of betekend moet zijn om de verjaring te stuiten. De Hoge Raad bevestigde dat deze wijziging ook geldt voor lopende zaken, mits de verjaring nog niet voltooid was onder de oude wet.
De Hoge Raad oordeelde dat het uitreiken van de dagvaarding aan de griffier op 17 december 2002 een daad van vervolging was die de verjaring heeft gestuit, ondanks de nietigheid van de dagvaarding en het ontbreken van betekening aan de verdachte. Het beroep van de verdachte werd verworpen, waarmee het hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaarde in de vervolging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verjaring is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding ondanks de nietigheid en het ontbreken van betekening.