Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Vast slaat dat in 2011, derhalve in het jaar voorafgaand aan de ontbinding van de gemeenschap, de effectenportefeuille van de Holding was overgeheveld naar privé. Een eerdere waardepeildatum dan de datum van ontbinding acht de rechtbank niet mogelijk. In 2014 heeft de man de effectenportefeuille, met verlies, weer teruggebracht in de Holding. De rechtbank is van oordeel dat de man gelet op het bepaalde in artikel 3:170 BW Pro niet zonder toestemming of medewerking van de vrouw ingrijpende beslissingen met betrekking tot de tot de gemeenschap behorende effectenportefeuille en de daarmee samenhangende schuld aan de Holding had mogen nemen. Daarnaast is genoegzaam komen vast te slaan dat de Holding -ook nadat de daaronder liggende onderneming was verkocht en de hoofdactiviteit werd het beheren van vermogen -altijd feitelijk is gedreven door de man en dat de vrouw slechts haar medewerking verleende aan eventuele noodzakelijke formele handelingen. De man had, nu de aandelen van ieder van partijen tot de ontbonden gemeenschap behoorden, in ieder geval vanaf 11 oktober 2012 mede rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van de vrouw. Dat hij bij het nemen van ingrijpende beslissingen enig overleg met de vrouw heeft gevoerd is echter niet komen vast te staan. Waardewijzingen zijn uitsluitend het gevolg van het door de man gevoerde beleid. De waardestijging dan wel waardedaling dient dan ook voor rekening en risico van de man te komen. De stelling van de man dat de vrouw nooit, ook niet na het feitelijk uiteengaan van partijen, bezwaren heeft geuit tegen de wijze waarop hij werkte en beslissingen nam, laat zulks onverlet.”