ECLI:NL:PHR:2023:783

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2023
Publicatiedatum
7 september 2023
Zaaknummer
21/05219
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schatting wederrechtelijk verkregen voordeel bij witwassen en toepassing ontnemingsmaatregel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2021, waarin betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen witwassen en veroordeeld tot betaling van een bedrag van €57.481,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof had het voordeel vastgesteld op €62.481,-, bestaande uit 10% van de contante stortingen van €564.315,- op bankrekeningen van bedrijven en betrokkene, vermeerderd met €6.050,- voor de aanschaf van een bedrijfsauto die betrokkene gebruikte. De verdediging voerde aan dat de schatting van het voordeel niet voldoende was gemotiveerd en dat het percentage van 10% onbegrijpelijk was, gelet op gesprekken waaruit een vergoeding van 1% zou blijken.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de schatting van het voordeel kon baseren op wettige bewijsmiddelen, waaronder tapgesprekken en financiële rapportages, en dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het voordeel op 10% werd gesteld. Ook de waardering van het voordeel uit het gebruik van de bedrijfsauto op de aanschafwaarde werd als begrijpelijk en voldoende onderbouwd beoordeeld.

Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de ontnemingsmaatregel reparatoir is en dat het voordeel kan worden geschat op basis van feiten en omstandigheden, waarbij niet vereist is dat het voordeel daadwerkelijk tot het vermogen van betrokkene is gaan behoren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €62.481,- blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/05219 P

Zitting12 september 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 december 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 62.481,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 57.481,00 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/05079, 21/05167 en 21/05221. In de eerste twee zaken zal ik vandaag ook concluderen, in de zaak 21/05221 heeft de enkelvoudige kamer van Uw Raad op 16 mei 2023 arrest gewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. D. Bektesević, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelkomt op tegen de onderbouwing van ‘s hofs beslissing om het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast te stellen op € 62.481,00.
Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):

Beoordeling: [1]
Bij arrest van dit hof van 10 december 2021 (parketnummer 21-006362-15) is betrokkene onder meer veroordeeld ter zake van “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 maart 2015”.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) wederrechtelijk verkregen voordeel zijn. In artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is evenwel bepaald dat aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie - zoals hier het geval is - de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat óf dat misdrijf óf andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dit lid bepaalt voorts dat in dat geval kan worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan en voorwerpen die hem zijn gaan toebehoren in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten c.q. aan de verkrijging van de bedoelde voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
Bij de berekening van de feitelijke contante uitgaven is in genoemd proces-verbaal onder meer uitgegaan van de navolgende bedragen: [2]
Contante stortingen bankrekening [A] € 353.055,-
Contante stortingen bankrekening [B] € 164.550,-
Contante stortingen bankrekening [betrokkene 1] € 46.750,-
Contante uitgave bedrijfsauto € 6.050,-
Het hof heeft evenwel in het arrest in de strafzaak overwogen dat op de bankrekening van [A] een bedrag van € 353.035,- is gestort en dat op de bankrekening van [B] een bedrag van € 164.530.- is gestort. Het hof neemt deze bedragen in het voordeel van verdachte over.
Uitgangspunt is dat, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het ontnemingsvoordeel wordt uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene gezegd kan worden in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk te hebben genoten. Betrokkene heeft met een ander, te weten [betrokkene 2] van een of meerdere strafbare feiten geprofiteerd.
Uit de camerabeelden van contante stortingen op de rekening van [A] blijkt dat [betrokkene] onder meer op 6 november 2014 [3] , 12 november 2014 [4] en 13 november 2014 [5] voornoemde stortingen van contante bedragen steeds feitelijk heeft uitgevoerd. Op 13 november 2014 stort [betrokkene] een bedrag van € 6.250,- op de rekening van [A]. Uit onderzoek blijkt dat [betrokkene] voorafgaand aan die storting contact heeft met [betrokkene 2].
Op 13 november 2014 om 16.32 uur wordt [betrokkene] gebeld door [betrokkene 2] waarna het volgende gesprek plaatsvindt: [6]
[betrokkene 2]: Ja moi, tot hoe laat ken jij gaan storten?
[betrokkene]: Tot een zes uur, zeven uur toch. Zes uur denk ik ja, half zeven sorry
[betrokkene 2]: Zes, halfzeven. Dus als ik zorg dat jij dadelijk die papieren krijgt, dan kun jij dan vanavond met spoed allemaal overmaken?
[betrokkene]: Ja.
Dezelfde dag om 16.49 uur wordt [betrokkene] opnieuw door [betrokkene 2] gebeld waarna het volgende gesprek plaatsvindt: [7]
[betrokkene 2]: Hoeveel was het van die Turk?
[betrokkene]: 6 duizend zoveel is het hoor. Ik heb het hier... 'kheb dat papiertje
[betrokkene 2]: Jaa
[betrokkene]: ja wacht ft ik pak het hier, ik pak ft het papiertje ... eeeh .... 6215 (zesduizend tweehonderd en vijftien)
[betrokkene 2]: enneh hoeveel is dat stroom?
[betrokkene]: 350
[betrokkene 2]: Hij neemt dadelijk het geld mee voor die stroom enne voor eeh die eeeeh... Turk dadelijk meteen storten, meteen alles betalen, morgenochtend wil ik betaling van jou zien
[betrokkene]: Ok, rustig aan meneer, ok?
[betrokkene 2]: is goed, hoi.
Op 20 november 2014 om 15:24 wordt [betrokkene] gebeld door [betrokkene 2]. Samenvattend komt het gesprek op het volgende neer: [8]
([betrokkene 2] = [betrokkene 2], [betrokkene] = [betrokkene])
[betrokkene 2] vraagt hoe het gaat. Rustig he zegt [betrokkene]. [betrokkene 2] vraagt of [betrokkene] al heeft gestort. [betrokkene] heeft gestort zegt hij. [betrokkene 2] vraagt of ‘het’ al binnen is. [betrokkene] zegt dat het er morgen is. [betrokkene 2] vraagt of [betrokkene] ook op de [A] rekening heeft gekeken. Dat heeft [betrokkene] gedaan, er was nog niks. Ze zien elkaar dadelijk of morgen.
Afscheid
Op 15 januari 2015 om 16:14 uur vindt het volgende gesprek plaats tussen [betrokkene 2] en [betrokkene]. [9]
([betrokkene 2] = [betrokkene 2], [betrokkene] = [betrokkene])
Begroeting. Dan letterlijk:
[betrokkene 2] zegt: Luister eens. Kun jij dadelijk ehhhh heb je nog mails binnen gehad? Nee he?
[betrokkene] zegt: Nee.
[betrokkene 2] zegt: Oke. Kun jij dadelijk [betrokkene 3] (fon) een bericht sturen dat wij morgen even dat geld over gaan maken....
[betrokkene] zegt: Oke.
[betrokkene 2] zegt:....voor die invoice die hun gestuurd hadden. Snap je? Dus wel het bedrag erbij zetten en zo of het invoice nummer erbij zetten dat ze weten waar het over gaat. En dan krijg jij gelijk geld voor de rekeningen te betalen. Volgens mij is die rekening maar iets van 10 duizend he? Alles bij elkaar, 11 duizend nog wat dollar volgens mij.
[betrokkene] zegt: Ja.
[betrokkene 2] zegt: Dus dan geef ik jou ehhh sowieso 15 voor de bestelling te betalen en ehhhh de rekeningen te betalen.
[betrokkene] zegt: Hmmm
[betrokkene 2] zegt: En dan neem ik ook nog ehhhh die 5 extra mee voor jou.
[betrokkene] zegt: Oke is goed.
[betrokkene 2] zegt: Ja dus dan ehhh komt ie dadelijk komt ie bij jou. Ik weet nog niet hoe laat, we zijn nog
Op 30 januari 2015 om 16:03 uur vind het volgende gesprek plaats tussen [betrokkene 2] en [betrokkene]. [10]
([betrokkene 2] = [betrokkene 2], [betrokkene] = [betrokkene])
[betrokkene]: Eentje komt te kort he? Dat weet je toch of niet? Zo dadelijk even gestort allemaal.
[betrokkene 2]: Hoezo kom ik te kort?
[betrokkene]: Luister. He dat bedrag van 26 ..
[betrokkene 2]: Ja!
[betrokkene]: keer 99 (fon) ja ... dat is 23 800
[betrokkene 2]: Ja en daarvoor vroeg ik jou, heb jij die van de.....ik weet toch wat ik jou gegeven heb? Ik weet het toch.
[betrokkene]: Ja, ik heb .. je hebt me 22 50 gegeven ja ..
[betrokkene 2]: Maar goed, in ieder geval uuuhh, ik weet het, want namelijk we hadden het berekend op de bedrag van die 24.000 dollar.
[betrokkene]: Dan is het goed meneer.
[betrokkene 2]: Maar heb ehh [betrokkene 4] (fon) al geld overgemaakt?
[betrokkene]: Ik ga nu gelijk naar de bank en dan zie ik het allemaal daar, oke?
[betrokkene 2]: Oke, want als het goed is moet [betrokkene 4] (fon) overgemaakt hebben, en anders kun je maandag dat geld uh dat geld pas maandag erop staat van [betrokkene 4] kun je dat geld gewoon d'r bij gebruiken he.
[betrokkene]: Ja nee .. ntv .. gewoon.
[betrokkene 2]: Ja. En als ze geld over hebben dan kun je gewoon die 230 euro van jou, die kun je d'r ook nog af halen voor jezelf.
[betrokkene]: Ja is goed.
Afscheid.
Uit het bovenstaande concludeert het hof dat blijkt dat het contante geld dat op de bankrekeningen van [A] en [B] gestort wordt, afkomstig is van [betrokkene 2]. [betrokkene] verricht de betalingen en de contante stortingen op de rekeningen van [A] en [B]. Hij doet dit echter in opdracht van [betrokkene 2].
Die gestorte geldbedragen komen ten goede aan de bedrijven. Het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 2] daarvan de feitelijke baas is. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat die gestorte bedragen naar veroordeelde gaan. Uit de tapgesprekken wordt wel duidelijk dat veroordeelde voor het doen van die stortingen zelf geld ontvangt. Het hof kan niet goed afleiden hoeveel dat is. Uit het gesprek van 15 januari 2015, 16.14 uur, zou afgeleid kunnen worden dat het gaat om 1/3 deel. Namelijk: 15 voor de bestelling en ‘5 extra voor jou’. Maar uit het gesprek van 30 januari 2015, 16.03 uur gaat het kennelijk om een storting van 23.800 en een bedrag van ‘230 euro van jou, die kun je d’r ook nog afhalen voor jezelf’. Dan zou het gaan om een bedrag van 1 %.
Aangezien verdachte niet wil verklaren hoeveel hij voor zijn werkzaamheden voor [betrokkene 2] heeft verdiend, schat het hof die op 10% van de bedragen die hij stortte, plus het voordeel van de auto waarin hij kon rijden. Het hof gaat ervan uit dat hij die bedragen kreeg buiten de gestorte bedragen om.
Verdachte heeft gelden op de bankrekeningen van [A] (€ 353.035,-) en van [B] (€ 164.530) en op de bankrekening van [betrokkene 1] (€ 46.750,-) gestort. In totaal een bedrag van € 564.315,-
Daarnaast heeft betrokkene daarnaast ook voordeel gehad uit de aanschaf van de bedrijfsauto voor [A]. Uit het dossier blijkt dat hij die gebruikte. Deze is aangeschaft voor een bedrag van € 6.050,-
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan derhalve als volgt worden berekend: 10% x € 564.315,- = € 56.431,- + € 6.050,- =
€ 62.481,-
Vaststelling wederechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande, ontleent het hof aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen de schatting van het voordeel op een bedrag van
€ 62.481,-.’
6. De raadsman van de betrokkene heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep die gehouden is op 26 november 2021 het woord tot verdediging gevoerd en daarbij onder meer het volgende aangevoerd:
‘Ik kan het begrip voordeel in de berekening van het openbaar ministerie gewoon niet volgen. Ik moet een beetje denken aan de Hawala-jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij omzet en winst twee verschillende zaken zijn. Ik zie dat het geld van [betrokkene 2] afkomstig is, wat ook uit het dossier naar voren komt en door de verdediging reeds eerder is aangegeven. Het geld gaat geheel of gedeeltelijk naar [betrokkene] en die stort het op rekeningen die niet van hem zijn. De gelden worden gebruikt voor de handel en voor betalingen, maar niet voor betalingen aan [betrokkene]. Krijgt hij daar nu een vergoeding voor. In theorie zou je kunnen zeggen dat die € 17.000,- die op zijn rekening is gestort als een vergoeding kunnen zien. Wat is dan zijn genoten voordeel. Juist, die € 17.000,-. Als ik geld links aanpak en rechts weggeef dan is dat toch geen genoten voordeel. Ik probeer te begrijpen waar het voordeel zit. De gelden zijn weliswaar op rekeningen gestort waarvoor cliënt gemachtigd was maar de gelden zijn niet in zijn voordeel gebruikt. Er zijn rekeningen mee betaald. Er is fruit mee gekocht. Je kunt echter niet laten zien dat van die gelden iets naar [betrokkene] is gegaan, behalve de gelden die op zijn eigen rekening zijn gestort. Er wordt door het openbaar ministerie gesteld dat [betrokkene 2] ongeveer € 660.000,- ter beschikking heeft gehad. Een groot deel daarvan is naar de rekeningen van de bedrijven doorgestort. Ik weet niet of dat het voordeel van [betrokkene 2] is, maar mijn stelling is dat het voordeel zoals dat door het openbaar ministerie wordt gesteld, niet het door [betrokkene] genoten voordeel is. Het is een soort handelsgeld dat van A naar B gaat. Mijn cliënt heeft voor het storten van het geld een geringe vergoeding gekregen. Hij valt niet te koppelen aan de herkomst van die gelden. Ik denk dat u niet verder kunt komen dan de gelden die hij op zijn rekening heeft gekregen. Dat is het voordeel dat door cliënt is genoten. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen.’

Bespreking van het middel

7. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat ’s hofs schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover het betreft het voordeel dat de betrokkene zou hebben gekregen uit de bedragen die hij stortte, ‘niet ontleend is aan wettige bewijsmiddelen, althans is dat oordeel, mede gelet op de in de uitspraak weergegeven telefoongesprekken van 15 januari 2015 en 30 januari 2015, zonder nadere motivering niet begrijpelijk’. Het hof zou gehouden zijn geweest ‘tot een nadere motivering (…) waarom het tot een percentage van tien procent is gekomen, in het bijzonder omdat uit één gesprek zonder meer blijkt dat de vergoeding 1% zou bedragen’.
8. Het hof heeft overwogen dat contante stortingen van in totaal € 564.315 op de rekeningen van [A], [B] en [betrokkene 1] hebben plaatsgevonden, dat dit contante geld afkomstig is van [betrokkene 2], dat betrokkene de betalingen en stortingen op de rekeningen van [A] en [B] in opdracht van [betrokkene 2] verrichtte en dat de betrokkene zelf geld heeft ontvangen ‘buiten de gestorte bedragen om’. Het hof heeft voorts overwogen dat de betrokkene niet heeft willen verklaren ‘hoeveel hij voor zijn werkzaamheden voor [betrokkene 2] heeft verdiend’. Tegen deze vaststellingen en overwegingen worden in cassatie geen klachten geformuleerd.
9. Het hof overweegt dat het (uit de tapgesprekken) niet goed kan afleiden hoeveel de betrokkene voor het doen van de stortingen ontvangt. Volgens het hof zou uit het gesprek van 15 januari 2015, 16.14 uur, ‘afgeleid kunnen worden dat het gaat om 1/3 deel. Namelijk: 15 voor de bestelling en ‘5 extra voor jou’.’ De steller van het middel meent, zo begrijp ik, dat ‘de (voorzichtige) gevolgtrekking die het hof uit het eerste gesprek maakt’ onbegrijpelijk is, nu niet aannemelijk zou zijn dat ‘voor het enkele storten van het geldbedrag een vergoeding klaar zou liggen van 1/3e van dat bedrag’. Die conclusie heeft het hof uit dit gesprek evenwel ook niet getrokken, zo blijkt uit het vervolg van ’s hofs overwegingen. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof de aanwijzing inzake de verhouding tussen de gestorte bedragen en de aan betrokkene betaalde bedragen die het uit dit gesprek afleidt, mede aan het bepalen van het percentage van 10% ten grondslag heeft kunnen leggen. Daaraan doet niet af dat het hof aan het tweede gesprek ontleent dat het daarin kennelijk zou gaan om ‘een storting van 23.800’ en een bedrag van ‘230 euro van jou, die kun je d’r ook nog afhalen voor jezelf’, en dat het bij die storting daarmee om ‘een bedrag van 1%’ zou gaan.
10. In verband met de onderbouwing die vereist is ingeval het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat als een percentage van een bedrag, wijs ik op een arrest van Uw Raad van 30 november 2004. [11] Het hof had aannemelijk geacht dat ‘bij de verkoop van de gestolen partij kobalt de veroordeelde en zijn mededaders minimaal een opbrengst van 15 procent van de marktwaarde van de partij kobalt zouden hebben verkregen’. Dat de omvang van het voordeel volgens het hof in dit geval ‘bepaald diende te worden aan de hand van een schatting van de opbrengst die de betrokkene en zijn mededaders bij verkoop van de kobalt in het illegale circuit minimaal zouden hebben kunnen realiseren’, getuigde volgens Uw Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk (rov. 4.5). In een arrest van 14 februari 2006 oordeelde Uw Raad dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk was, ‘in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de inkoopwaarde € 151.503,11 bedroeg en dat het Hof voor wat betreft de waarde in het "helingcircuit" is uitgegaan van 20% van dat bedrag’. [12] De Zanger leidt uit deze rechtspraak af dat dergelijke verkooppercentages ‘geen bewijsmiddel (lijken) te behoeven’. [13] Aan de eis dat de rechter de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontleent ‘aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen’ (artikel 511f Sv) kan in dit soort gevallen voldaan zijn, zo begrijp ik, als uit de bewijsmiddelen het bedrag volgt waarvan een percentage als wederrechtelijk verkregen voordeel is aangemerkt, alsmede – onder omstandigheden – als daaruit feiten en omstandigheden blijken die in verband met de schatting van het percentage van belang zijn.
11. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat het hof de schatting van het wederrechtelijk voordeel dat betrokkene uit het storten van geldbedragen heeft verkregen, heeft kunnen ontlenen aan de gebezigde bewijsmiddelen. En dat ‘s hofs oordeel dat het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene door zijn werkzaamheden voor [betrokkene 2] heeft verkregen kan worden geschat op tien procent van de bedragen die hij stortte, niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof overweegt dat de verdachte zelf niet heeft willen verklaren ‘hoeveel hij voor zijn werkzaamheden voor [betrokkene 2] heeft verdiend’ en dat in hoger beroep op dit punt geen verweer is gevoerd.
12. De eerste deelklacht faalt.
13. De tweede deelklacht houdt in dat ’s hofs schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover het betreft het voordeel van het gebruik van de bedrijfsauto op de aanschafwaarde van € 6.050,-, niet ontleend is aan wettige bewijsmiddelen, althans dat dit oordeel nadere motivering behoefde gelet op de vaststelling van het hof dat [betrokkene 2] de feitelijke baas was van de bedrijven, dat betrokkene de betalingen en de contante stortingen in opdracht van [betrokkene 2] verrichte en dat betrokkene de bedrijfsauto gebruikte. Aangevoerd wordt dat de overwegingen van het hof erop duiden dat de bedrijfsauto niet het eigendom van de betrokkene werd en dat dit in de richting wijst ‘dat het voordeel bestaat uit het gebruiken van de auto, maar daarmee niet zonder meer dat de aanschafwaarde het voordeel is’. Het hof zou tot een nadere motivering gehouden zijn nu ‘s hofs overwegingen niet inhouden waarom ‘het kunnen gebruiken van de auto met zich zou brengen dat de aanschafwaarde als voordeel dient te worden aangemerkt’.
14. Inzake de klacht dat de aanschafwaarde van € 6.050 niet is ontleend aan wettige bewijsmiddelen merk ik op dat het hof de berekening van de ‘feitelijke contante uitgaven’ waar de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op is gebaseerd kennelijk ontleent aan de in voetnoot 1 van het arrest vermelde ontnemingsrapportage. Het hof gaat uit van een aantal bedragen waaronder ‘Contante uitgave bedrijfsauto € 6.050,-’. In de ontnemingsrapportage wordt deze contante uitgave vermeld in een tabel die is opgenomen in paragraaf ‘5.4.4 Feitelijke contante uitgaven’. Bij de uitwerking van de tabel onder ‘I: Contante uitgave bedrijfsauto’ wordt in een voetnoot verwezen naar het ‘Proces-verbaal contante uitgave bedrijfsauto, 26DLR140214-617, pagnr. 202’. Uit dat proces-verbaal blijkt dat van ‘Autohandel [C]’ een verkoopfactuur betreffende een Mercedes bedrijfsauto met kenteken [kenteken] is verkregen, en dat voor die auto (die door de firma [A] is aangeschaft) een contant geldbedrag van € 6.050 is betaald.
15. Uw Raad heeft eerder overwogen dat de rechter indien en voor zover ‘een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking – blijkens vaststelling door de rechter – door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, (…) bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, (kan) volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport’. [14] Uit de weergave van het standpunt van de verdediging door het hof (bezien tegen de achtergrond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman is aangevoerd) volgt dat niet is betwist dat de aanschafwaarde van de auto € 6.050,- was.
16. Daarmee faalt de klacht dat de aanschafwaarde van de Mercedes bedrijfsauto niet uit een (in het bestreden arrest vermeld) bewijsmiddel zou blijken.
17. Het hof heeft overwogen dat de betrokkene voordeel heeft gehad ‘uit de aanschaf van de bedrijfsauto voor [A]. Uit het dossier blijkt dat hij die gebruikte’. Het hof expliciteert niet welk zich in het dossier bevindend stuk het op het oog heeft. Ik begrijp dat het hof doelt op het 'Proces-verbaal contante uitgave bedrijfsauto, 26DLR140214-617’, waar de ontnemingsrapportage in paragraaf 5.4.4 naar verwijst en waarin een verklaring van S. [betrokkene 1] is opgenomen waaruit van het gebruik door betrokkene blijkt. [15] Ik begrijp het middel evenwel aldus dat niet wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat de betrokkene de bedrijfsauto heeft kunnen gebruiken. Het hof heeft voorts niet nader toegelicht op welke gronden het gebruik van deze auto als ‘wederrechtelijk’ verkregen voordeel is aangemerkt. Ik begrijp uit de bewijsvoering in de strafzaak, waarin Uw Raad op 16 mei 2023 arrest heeft gewezen, dat de bedrijfsauto op 11 november 2013 door [A] is gekocht door middel van een contante betaling en op verzoek van de betrokkene op naam is gesteld van [betrokkene 1], en dat het met deze contante betaling gemoeide geld door het hof op grond van een samenstel van feiten en omstandigheden als (on)middellijk afkomstig uit enig misdrijf is aangemerkt. Ik begrijp het middel aldus dat ook niet wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat het gebruik van de auto ‘wederrechtelijk’ verkregen voordeel betreft. Geklaagd wordt over ’s hofs oordeel dat het wederrechtelijk voordeel dat het gebruik van deze auto de betrokkene heeft opgeleverd, wordt geschat op de aanschafwaarde van de auto.
18. Uw Raad heeft in een arrest van 1 juli 1997 overwogen ‘dat, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald’. [16] Voor de vaststelling dat voordeel daadwerkelijk door de betrokkene is behaald, is niet vereist dat het voordeel tot het vermogen van de betrokkene is gaan behoren. Dat de auto niet eigendom was van betrokkene betekent derhalve niet dat hij geen voordeel kan hebben genoten uit de aanschaf en het gebruik daarvan.
19. Uw Raad heeft in hetzelfde arrest overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid ‘dat de wetgever de rechter een grote vrijheid heeft willen laten bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel’. Dat impliceert dat (dikwijls) niet één wijze van schatten in een concreet geval als de enige juiste kan worden aangemerkt. Ik wijs in dat verband op een arrest van Uw Raad van 20 september 2011, de voorafgaande conclusie van A-G Knigge en de
NJ-noot van Borgers. [17]
20. Ik begrijp ’s hofs oordeel in de onderhavige zaak aldus dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de besparing van kosten die door het aanschaffen en het daaropvolgende gebruiken van een auto is gerealiseerd. Nu de betrokkene na de aanschaf in november 2013 feitelijk over de auto heeft kunnen beschikken en daarin heeft kunnen rijden, is ‘s hofs oordeel dat het door betrokkene wederrechtelijk genoten voordeel moet worden geschat op de aanschafwaarde van € 6.050 van de auto niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering. Ik neem daarbij in aanmerking dat ook de rechtbank een bedrag van € 6.050 inzake ‘contante uitgave bedrijfsauto’ als onderdeel van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangemerkt en dat op dat punt in hoger beroep geen verweer is gevoerd.. [18]
21. De tweede deelklacht faalt.

Slotsom

22. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte relaas ontnemingsrapportage van politie Landelijke eenheid, dienst landelijke Recherche i.o. proces-verbaal nummer 26DLR140214-661, tenzij anders vermeld.
2.Pagina 15.
3.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 138-142
4.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 143-146,
5.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 147-150.
6.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 151 en 154.
7.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 152 en 154.
8.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 866.
9.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 878.
10.Het door verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, zaaksdossier witwassen (ZD01), pag. 883.
11.HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721,
12.HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9127,
13.Zie W. de Zanger,
14.HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
15.Deze verklaring is in de strafzaak tegen betrokkene als bewijsmiddel 23 opgenomen en houdt onder meer het volgende in: ‘V: Uit onderzoek blijkt dat op 12 november 2013, een dag nadat u de zaak volgens uw eigen zeggen heeft overgedaan aan [betrokkene], een Mercedes bedrijfsbus met kenteken [kenteken] op uw naam is gezet. Waarom heeft u deze Mercedesbus op uw naam gezet? A: ik ben geen eigenaar. Na een of twee maanden is dat busje door [betrokkene] gekocht voordat de zaak op zijn naam is gezet. Er is toen iets gebeurd. [betrokkene] en ik zijn naar het postkantoor gegaan en het busje kon niet op naam van de zaak worden gezet omdat er een papier ontbrak. Het busje is toen tijdelijk op mijn naam gezet. V: Dit heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Toen was [betrokkene] net één dag gevolmachtigd en had hij de zaak 'overgenomen'. Waarom werkte u dan toch mee die bus op uw naam te zetten? A: Hij zei dat hij geen rijbewijs had. Daarom moest het op mijn naam. Ik weet niet waarom ik daar aan meewerkte. Ik zag hem als een goede vriend. Ik zag er niets kwaad in. (…) V: Was u op 12 november 2013 ook de eigenaar van de bedrijfsbus? A: Nee. dat was [betrokkene]’.
16.HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714,
17.HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4686,
18.Aan een en ander doet niet af dat in een ander geval een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de afschrijvingskosten in cassatie stand heeft gehouden Vgl. de conclusie voor HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:963 (art. 81 RO Pro). Ik merk daarbij op dat de voordeelsontneming in de bestreden uitspraak – anders dan in dat arrest – gebaseerd is op art. 36e, derde lid, Sr.