De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2021, waarin betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen witwassen en veroordeeld tot betaling van een bedrag van €57.481,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof had het voordeel vastgesteld op €62.481,-, bestaande uit 10% van de contante stortingen van €564.315,- op bankrekeningen van bedrijven en betrokkene, vermeerderd met €6.050,- voor de aanschaf van een bedrijfsauto die betrokkene gebruikte. De verdediging voerde aan dat de schatting van het voordeel niet voldoende was gemotiveerd en dat het percentage van 10% onbegrijpelijk was, gelet op gesprekken waaruit een vergoeding van 1% zou blijken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de schatting van het voordeel kon baseren op wettige bewijsmiddelen, waaronder tapgesprekken en financiële rapportages, en dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het voordeel op 10% werd gesteld. Ook de waardering van het voordeel uit het gebruik van de bedrijfsauto op de aanschafwaarde werd als begrijpelijk en voldoende onderbouwd beoordeeld.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de ontnemingsmaatregel reparatoir is en dat het voordeel kan worden geschat op basis van feiten en omstandigheden, waarbij niet vereist is dat het voordeel daadwerkelijk tot het vermogen van betrokkene is gaan behoren.