Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 5) dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven nu het hof zijn beslissing baseert op Duitstalige juridische literatuur (de verwijzing naar de uitgave
Bergmann/Ferid) [16] , waarvan het hof partijen niet in kennis heeft gesteld. Volgens de klacht had het hof partijen uit een oogpunt van goede procesorde de gelegenheid moeten geven zich over deze literatuur uit te laten. Aansluitend wordt geklaagd (
onder 6 en 7) dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en partijen de gelegenheid had moeten geven zich uit te laten over (de interpretatie van) de publicatie, die essentieel is voor het oordeel van het hof.
Bergmann/Ferideen bekende bron is voor het raadplegen van de inhoud van buitenlands familierecht. [17] De klachten
onder 5, 6 en 7falen daarom.
onder 8) geklaagd dat het hof art. 10:2 BW Pro onjuist heeft toegepast door voor het toepasselijke recht slechts te verwijzen naar de uitgave
Bergmann/Feriden niet naar de bepalingen van het toepasselijke recht en (
onder 9) dat het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk is in het licht van de uitgave
Bergmann/Ferid. Volgens de klacht (i) geeft het hof niet aan waar in deze publicatie staat aangegeven dat het volgens de desbetreffende wetgeving in 2004 mogelijk was om huwelijkse voorwaarden op te stellen, waarbij een notariële akte geen noodzakelijke vormvereiste was en dat dit vormvereiste pas in 2006 is ingevoerd, en (ii) staat in deze uitgave juist een passage die duidt op het tegendeel, namelijk dat het volgens de wetgeving in 2004 niet mogelijk was om (rechtsgeldige) huwelijkse voorwaarden op te stellen, althans niet zonder notariële akte. Verder wordt geklaagd (
onder 10) dat het oordeel van het hof des te meer onbegrijpelijk is in het licht van de legal opinions die de vrouw heeft overgelegd en het hof met de enkele verwijzing naar de uitgave
Bergmann/Feridonvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van deze opinies is afgeweken.
Bergmann/Feridte verwijzen, kan de klacht niet tot cassatie leiden. Uit de enkele omstandigheid dat het hof niet naar de wetsbepalingen van het toepasselijke recht heeft verwezen, kan niet worden afgeleid dat het hof geen ambtshalve onderzoek heeft verricht naar de inhoud van het door de conflictregel aangewezen buitenlandse recht. Dat het hof heeft verwezen naar de uitgave
Bergmann/Ferid, die niet door partijen is genoemd, levert juist een indicatie op dat het hof ambtshalve onderzoek heeft verricht naar de inhoud van het recht van de Confederatie Servië en Montenegro. De klacht
onder 8faalt daarom.
onder 9 en 10) klaagt over de motivering van het oordeel van het hof, merk ik het volgende op. De uitgave
Bergmann/Feridbevat onder meer een uiteenzetting over het Montenegrijnse huwelijksvermogensrecht, die laatstelijk is bijgewerkt op 1 november 2020. [18] Nadat eerst de wettelijke huwelijksgoederengemeenschap en de verdeling hiervan zijn besproken, valt te lezen:
Eheverträgegesetzlich vorgesehen, mit denen die Verhältnisse in Bezug auf vorhandenes oder zukünftiges Vermogen geregelt werden können (vgl. Art 301-303 FamG). Der Vertrag bedarf der notariellen Beglaubigung. Sofern Immobilien involviert sind, muss der Vertrag in das Liegenschaftsregister eingetragen werden.’
Bergmann/Feriduitsluitend betrekking heeft op het oordeel van het hof dat in 2004 géén notariële akte was vereist, en niet op het oordeel dat het volgens de wetgeving in 2004 mogelijk was om huwelijkse voorwaarden op te stellen, merk ik nog het volgende op. Nu partijen de vraag naar de inhoud en uitlegging van het recht van de Confederatie Servië en Montenegro in 2004 tot voorwerp van hun debat hadden gemaakt, had het hof zijn oordeel dat het op grond van die wetgeving mogelijk was huwelijkse voorwaarden op te maken, nader moeten motiveren tegenover de stellingen van partijen. Een nadere motivering ontbreekt echter. Weliswaar heeft het hof in rov. 5.10 overwogen dat het heeft kennisgenomen van de door partijen overgelegde legal opinions, maar het hof refereert in rov. 5.11 niet aan de inhoud van deze – tegengestelde – opinies. Verwijzingen naar relevante wetsbepalingen of literatuur ontbreken evenzeer.
onder 11).
3.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
onder I.1) klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof de stellingen van partijen heeft omgedraaid. De man heeft niet gesteld dat het Nederlandse recht van toepassing is, maar juist het Montenegrijnse. In de tweede plaats wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat in het midden kan blijven de vraag of partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de Montenegrijnse nationaliteit gemeenschappelijk hadden. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. Op deze klacht wordt (
onder I-1a) voortgebouwd met het betoog dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het in strijd is met artikel 15 lid 1 Haags Pro Huwelijksvermogensverdrag 1978 [20] waarin is bepaald dat een nationaliteit gemeenschappelijk is wanneer beide echtgenoten die nationaliteit voor het sluiten van het huwelijk bezaten.
onder 1-1b) dat het hof essentiële stellingen van de man heeft gepasseerd, waaruit – kort gezegd – zou blijken dat beide partijen op het moment van huwelijkssluiting de Montenegrijnse nationaliteit hebben. Ook deze klacht faalt eveneens bij gebrek aan belang, nu het hof heeft beslist dat de huwelijkse voorwaarden geldig zijn.