Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde het vonnis van de rechtbank Gelderland waarin verdachte werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk aanwezig hebben van circa 1002 gram cocaïne in een auto die hij bestuurde. De verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd, met name dat niet vaststond dat hij opzettelijk de cocaïne bij zich had en dat de pleegplaats niet correct was vastgesteld.
De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht had geoordeeld dat het scenario waarin verdachte niet wist van de cocaïne hoogst onwaarschijnlijk was, mede omdat de drugs binnen handbereik in de auto lagen en verdachte de enige inzittende was. Het alternatieve scenario van verdachte dat hij de auto slechts had geleend en niets wist van de drugs was niet concreet, verifieerbaar en aannemelijk gemaakt. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de bewijsvoering voldoende had gemotiveerd.
Ook het bezwaar tegen de vaststelling van de pleegplaats faalde, aangezien de tenlastelegging ook 'in Nederland' vermeldde en het hof aannam dat de locatie binnen de gemeente Apeldoorn viel. Het cassatieberoep werd verworpen en het vonnis van het hof bevestigd.