Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Hierbij verdient opmerking dat dit geval wezenlijk verschilt van de specifieke gevallen waarin in de rechtspraak van de Hoge Raad is geoordeeld dat het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Het kernpunt in de arresten van de Hoge Raad van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323, was dat met betrekking tot de toedracht van een voltooide diefstal wel kon worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” was begaan, maar niet direct door wie precies, terwijl de verdachte zelf kort na de diefstal werd aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid daarbij duidden (door het voorhanden hebben van gestolen goederen of bij de diefstal gebruikt inbrekerswerktuig). In het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022 ging het om een geval waarin weliswaar met betrekking tot de toedracht van de voltooide diefstal niet was vastgesteld dat deze door medeplegers was begaan, maar dat zich wel kenmerkte door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met anderen werd aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij die diefstal duidden (het van zich afschudden van achtervolgers, het weggooien van inbrekerswerktuigen en het aantreffen van een bij de diefstal weggenomen voorwerp), terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestonden.
3.Beslissing
30 mei 2023.