28. De steller van het middel merkt in de toelichting op dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte een openbaar lichaam in de zin van hoofdstuk 7 van de Grondwet is, en eveneens terecht heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging (het plaatsen van onbeschermde muskusratklemmen) is verricht in het kader van de uitvoering van een aan het waterschap opgedragen specifieke bestuurstaak. Door bij het oordeel of de verdachte heeft gehandeld in het kader van een exclusieve bestuurstaak beslissend te achten ‘of de tenlastegelegde gedraging exclusief is in die zin dat zij niet anders dan in het kader van een overheidstaak kan worden verricht’ zou het hof evenwel de toepasselijke maatstaf hebben miskend. Het hof had, aldus de steller van het middel, als maatstaf moeten aanleggen ‘of de tenlastegelegde gedraging naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kon worden verricht’. In dit opzicht zouden de overwegingen van het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.
29. Het hof heeft geoordeeld dat ‘het plaatsen van de onbeschermde klemmen om muskusratten te vangen heeft te gelden als een gedraging die is verricht in het kader van de uitvoering van een aan het waterschap opgedragen taak, namelijk het voorkomen van schade aan waterstaatswerken door bestrijding van de muskus- en de beverrat’. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden en komt ook juist voor.
30. Het hof bespreekt vervolgens de vraag ‘of het waterschap heeft gehandeld ter uitvoering van zijn exclusieve bestuurstaak’. Bij het beantwoorden van die vraag acht het hof beslissend ‘of de ten laste gedraging exclusief is in die zin, dat zij niet anders dan in het kader van een overheidstaak kan worden verricht’. Alleen dan kan volgens het hof ‘uitgesloten worden geacht dat derden ten aanzien van het verrichten van die ten laste gelegde gedragingen op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.’ Naar het mij voorkomt stelt het hof daarmee een ander criterium centraal dan de rechtsregel die uit het arrest Pikmeer II volgt. Beslissend is volgens dat arrest of de gedragingen ‘naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak’. Het gaat er niet om of de gedraging niet anders dan in het kader van een overheidstaak kan worden verricht, maar of zij naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem bij de uitvoering van die taak niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht.
31. Uit het vervolg van ’s hofs overwegingen kan, meen ik, evenwel worden afgeleid dat het hof dat laatste criterium wel aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het hof overweegt dat de aan het strafrechtelijke verwijt ten grondslag liggende gedraging, het plaatsen van onbeschermde klemmen om muskusratten te vangen ‘gezien de hiervoor weergegeven parlementaire behandeling’ bezwaarlijk anders kan worden verricht ‘dan door bestuursfunctionarissen in het kader van de uitvoering van de aan het waterschap opgedragen bestuurstaak’. Deze overweging kan aldus worden gelezen dat het hof uit de weergegeven parlementaire behandeling afleidt dat het plaatsen van onbeschermde klemmen om muskusratten te vangen ‘naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem’ rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak.
32. Tegen die achtergrond meen ik dat de eerste deelklacht faalt.
33. De steller van het middel voert voorts aan dat ’s hofs oordeel dat de tenlastegelegde gedraging gezien de door het hof weergegeven parlementaire geschiedenis bezwaarlijk anders kan worden verricht dan door bestuursfunctionarissen in het kader van de uitvoering van de aan het waterschap opgedragen bestuurstaak blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans niet zonder meer begrijpelijk is. Dat de zorgplicht van art. 3.2a Waterwet rust op het waterschap, zou nog niet betekenen ‘dat de feitelijke vangst van muskusratten niet door anderen dan bestuursfunctionarissen kan worden verricht’. Dat waterschappen gespecialiseerde muskusrattenvangers in dienst hebben, zou dit niet anders maken. En dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskusratten bij het waterschap blijft liggen, kan daaraan volgens de steller van het middel evenmin afdoen.
34. Uit de door het hof weergeven en in het voorgaande geciteerde wetsartikelen en Kamerstukken volgt dat muskusrattenbestrijding sinds 1985 een wettelijke taak van de provincies was, dat de bijdrage van het Rijk aan de bekostiging van de muskusrattenbestrijding sinds het midden van de jaren ’90 via het Provinciefonds liep, dat de muskusrattenbestrijding sinds 2011 een taak is van de waterschappen, en dat ook de verantwoordelijkheid voor de financiering van de muskusrattenbestrijding sindsdien is opgedragen aan de waterschappen. Dat brengt naar het mij voorkomt evenwel niet mee dat het hof heeft kunnen oordelen dat het plaatsen van onbeschermde klemmen om muskusratten te vangen ‘naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens’ niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak.
35. De memorie van toelichting bij de Wet van 18 december 1985 bevat reeds een aanwijzing in andere richting. Inzet van ‘vangers in ambtelijke dienst’ sluit ‘het vangen door premievangers nog niet uit’. Ook de memorie van toelichting bij de wet van 23 mei 2011 wijst in andere richting. Als argument voor de keuze voor een landelijke aanpak van de muskusrattenbestrijding wordt genoemd dat gebleken is ‘dat het onvoldoende effectief is als de bestrijding ter hand wordt genomen door degenen die de schade lijden’. Daarmee is niet gezegd dat bestrijding door ‘degenen die de schade lijden’ voortaan niet meer is toegestaan. Ik merk voorts op dat het artikel dat provincies opdroeg te zorgen voor de inzet van muskusrattenvangers in ambtelijke dienst bij deze wetswijziging is vervallen zonder dat op waterschappen de verplichting is gelegd te zorgen voor de inzet van muskusrattenvangers in ambtelijke dienst, en dat het bij amendement ingevoegde artikel IVA er enkel toe strekte een ‘overgang van rechtswege’ van de betreffende ambtenaren te regelen.
36. Ik wijs in dit verband ook op de eerder genoemde rechtspraak. Het hebben van een zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater betekent niet dat het feitelijk inzamelen en transporteren van afvalwater niet door anderen dan bestuursfunctionarissen kan worden verricht. En dat de gemeente een zorgplicht heeft met betrekking tot het wegbeheer betekent niet dat het feitelijk onderhoud van die wegen niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht.
37. Al met al meen ik dat ’s hofs oordeel dat het plaatsen van onbeschermde klemmen om muskusratten te vangen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak niet zonder meer begrijpelijk is.
38. Dat brengt mee dat de tweede deelklacht slaagt.
39. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.