De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het voorbereiden van terroristische misdrijven, waaronder brandstichting, ontploffing en moord/doodslag met terroristisch oogmerk, zoals bedoeld in art. 96, tweede lid, Sr. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarin werd vastgesteld dat verdachte gelegenheid, middelen en inlichtingen had verschaft om deze misdrijven voor te bereiden.
De bewezenverklaring is gebaseerd op onder meer chatberichten, Facebookposts, WhatsApp- en Telegramgesprekken, en zoekgeschiedenis op een telefoon. Verdachte toonde interesse in jihadistische organisaties zoals Jabhat al-Nusra en had contact met personen die hem konden helpen Syrië te bereiken om deel te nemen aan de gewapende strijd. De verdediging voerde aan dat het slechts om grootspraak ging zonder concreet oogmerk, maar dit werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelt dat voor art. 96, tweede lid, Sr niet vereist is dat tijd, plaats en wijze van uitvoering van het voorbereide misdrijf vaststaan, maar wel dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk misdrijf de voorbereidingshandelingen waren gericht. Het hof heeft dit correct toegepast. Wel is geoordeeld dat de kwalificatie dat de middelen bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf een kennelijke misslag is, maar dit doet aan de bewezenverklaring niets af.
Het tweede middel slaagt: de stukken zijn te laat door het hof ingezonden in cassatie, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf. De rest van het beroep wordt verworpen.