ECLI:NL:PHR:2023:871

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
3 oktober 2023
Zaaknummer
21/04973
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 SrArt. 46 SrArt. 157 SrArt. 288a SrArt. 289a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorbereiding terroristische misdrijven met taakstrafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het voorbereiden van terroristische misdrijven, waaronder brandstichting, ontploffing en moord/doodslag met terroristisch oogmerk, zoals bedoeld in art. 96, tweede lid, Sr. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarin werd vastgesteld dat verdachte gelegenheid, middelen en inlichtingen had verschaft om deze misdrijven voor te bereiden.

De bewezenverklaring is gebaseerd op onder meer chatberichten, Facebookposts, WhatsApp- en Telegramgesprekken, en zoekgeschiedenis op een telefoon. Verdachte toonde interesse in jihadistische organisaties zoals Jabhat al-Nusra en had contact met personen die hem konden helpen Syrië te bereiken om deel te nemen aan de gewapende strijd. De verdediging voerde aan dat het slechts om grootspraak ging zonder concreet oogmerk, maar dit werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelt dat voor art. 96, tweede lid, Sr niet vereist is dat tijd, plaats en wijze van uitvoering van het voorbereide misdrijf vaststaan, maar wel dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk misdrijf de voorbereidingshandelingen waren gericht. Het hof heeft dit correct toegepast. Wel is geoordeeld dat de kwalificatie dat de middelen bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf een kennelijke misslag is, maar dit doet aan de bewezenverklaring niets af.

Het tweede middel slaagt: de stukken zijn te laat door het hof ingezonden in cassatie, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf. De rest van het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De veroordeling voor voorbereiding van terroristische misdrijven wordt bevestigd, maar de taakstraf wordt verminderd wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04973
Zitting10 oktober 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 19 november 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden, middelen en inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.
Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

II.Het eerste middel en de bespreking daarvan

Het middel

3. Het eerste middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding van de in art. 157 en Pro art. 288a Sr omschreven misdrijven. De in de toelichting op het middel besloten liggende deelklachten luiden kort gezegd dat (ik neem hier de cursiveringen uit de schriftuur over):
- de bewezenverklaring van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, in het bijzonder het daarin besloten liggend oordeel dat voor een bewezenverklaring van art. 96, tweede lid, Sr voldoende is dat de verdachte zich gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de voorbereiding van de genoemde misdrijven, terwijl ook vast moeten komen te staan dat die voorbereidingshandelingen – conform de strafbaarstelling van art. 46 Sr Pro – bestemd zijn tot het
begaanvan die misdrijven;
- de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende gemotiveerd, nu niet valt in te zien hoe de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen bestemd zijn tot het
begaanvan de genoemde misdrijven.
Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen [1]
4. Het hof heeft vastgesteld dat de meervoudige kamer van de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het hof het beroepen vonnis ingevolge het bepaalde in art. 423, eerste lid, Sv met overneming van gronden heeft bevestigd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 17 mei 2017 tot en met 2 juni 2017 te Utrecht, opzettelijk met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven omschreven in artikel 157 en Pro/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is (te) begaan met een terroristisch oogmerk
en/of
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, immers heeft verdachte telkens ten behoeve van de zogenoemde gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,
I. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door (de) (terroristische) organisatie(s) (zoals) Hayet Tahrir al-Sham en/of Jabhat Fateh Al-Sham (beide voorheen Jabhat al Nusra) althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en
II. via Google, Youtube en andere kanalen, video’s gezocht en/of bekeken over de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap en
III. zich middels chatberichten en op Facebook geuit over zijn wens op Jihad te gaan en zich op korte termijn te begeven naar (het strijdgebied in) Syrië (Shaam) en/of om daar (vervolgens) te vechten met zijn broeders, althans deel te nemen aan de gewapende strijd, en/of (vervolgens) (als martelaar) te sterven tijdens die Jihad en
IV. via Facebook en chatberichten en internet, contact gezocht, gelegd en/of gehad met een strijder, althans een persoon of personen, (in Syrië) die verdachte de grens (naar Syrië) over kon(den) helpen en/of kon(den) informeren over een te volgen reisroute (naar het strijdgebied), welke reden hij voor zijn reis zou opgeven (bij de (Nederlandse) autoriteiten) en/of over andere mogelijkheden om jihad te voeren en
V. op internet informatie ingewonnen over busreizen naar Turkije en/of een verblijf in Turkije en/of een Turks visum en/of Syrisch steden nabij de Turkse grens.”
5. In het door het hof bevestigde vonnis wordt het volgende overwogen (hier met weglating van de voetnoten):
“De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop ten aanzien van het juridisch kader voorbereiding en/of bevordering van terroristische misdrijven.
In het arrest van 14 maart 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van, kort gezegd, de in artikel 96 lid 2 van Pro het Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in artikel 289a Sr omschreven misdrijven, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht. De Hoge Raad voegde daar aan toe dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering niet is vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband verder dat, gelet op de wetsgeschiedenis, de voor toepassing van artikel 46 Sr Pro vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96 lid 2 Sr Pro. Vereist is daarom dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in artikel 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan artikel 96 lid 2 Sr Pro ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.
Voor de rechtbank staat vast dat verdachte vanaf in ieder geval 17 mei 2017 tot 2 juni 2017 op facebook een account had onder de naam “[accountnaam]” en dat verdachte onder die naam verschillende berichten op facebook heeft gepost dan wel dat hij onder die naam heeft gereageerd op berichten op facebook. Daarnaast staat voor de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker was van de LG telefoon, die bij doorzoeking van de woning van de moeder van verdachte, is aangetroffen op de kamer van verdachte. Op die telefoon is informatie aangetroffen in de vorm van gesprekken gevoerd via WhatsApp en Telegram en de browser- en zoekgeschiedenis.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud van de facebookberichten, de op de telefoon aangetroffen chatgesprekken en tot slot de browser- en zoekgeschiedenis, zoals door de rechtbank als bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II van het vonnis, in onderling verband en samenhang bezien, dat verdachte de onder I tot en met V tenlastegelegde handelingen heeft verricht.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of deze handelingen van verdachte voldoende concreet zijn om te kunnen concluderen dat hij het oogmerk had om zich voor te bereiden op – kort gezegd – brandstichting, veroorzaken van explosies en moord en doodslag met een terroristisch motief. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dat als volgt toe.
Verdachte heeft vergaande interesse getoond in aansluiting bij (voorheen) Jabhat al-Nusra. Het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2017:2854) heeft dienaangaande het volgende overwogen:
Jabhat al-Nusra is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en daarmee een in Nederland verboden (terroristische) organisatie. Op 30 mei 2013 is Jabhat al-Nusra op de VN Sanctielijst geplaatst als een van de aliassen van Al-Qa'ida in Iraq. Jabhat al-Nusra is op 29 mei 2014 op de (financiële) sanctielijst van de EU geplaatst. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitische staat. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd. Jabhat al-Nusra bedient zich tijdens haar (militaire) operaties van de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies en beschietingen van burgers, ontvoeringen, martelingen en het onthouden van humanitaire hulp. Veel van de aanslagen die in 2012 in Syrië zijn gepleegd werden door Jabhat al-Nusra opgeëist. De claims van Jabhat al-Nusra worden op het internet bekend gemaakt op jihadistische websites als www.[website 1].info en www.[website 2].com en bijvoorbeeld ook via haar eigen Twilteraccount. Eind juli 2014 zou de aanwezigheid en de invloed van Jabhat al-Nusra zich hebben beperkt tot de rurale gebieden van Aleppo, Idlib en Hamei. Jabhat al-Nusra concentreert zich in de maanden na het uitroepen van het Kalifaat door IS veel meer op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrische grensgebied in het Noordwesten van Syrië. In oktober 2014 boekt Jabhat al-Nusra wederom militaire successen in de provincie Idlib. Zowel IS als Jabhat al-Nusra zijn organisaties in de zin van artikel 140a Sr zoals door de Hoge Raad in zijn vaste rechtspraak nader ingevuld. De hierboven beschreven misdrijven worden gepleegd door deze uit grote aantallen personen bestaande samenwerkingsverbanden die zich kenmerken door een zekere duurzaamheid en structuur. Dat komt – gelet op het bovenstaande – onder andere naar voren in de bestendigheid van de organisaties die reeds sinds 2012 bestaat, hun hiërarchische structuur en de wijze van naar buiten treden door de organisatie. (...)
5. Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in art. 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in art. 83a Sr. De Jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en – om hun doel te bereiken – dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats.
De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video's hiervan op het internet geplaatst. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (verder: IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”
De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.
De Hoge Raad heeft dit oordeel in stand gelaten (ECLI:NL:HR:2019:906).
De handelingen van verdachte kwalificeren aldus als voorbereidingshandelingen voor het plegen van terroristische misdrijven.
Door de verdediging is nog aangevoerd dat verdachte zich enkel schuldig heeft gemaakt aan grootspraak, maar dat hij geen intenties had om daadwerkelijk af te reizen naar Syrië. De rechtbank ziet dat anders en verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich niet alleen heeft uitgelaten over een vertrek naar Syrië, maar dat hij ook daadwerkelijk op zoek is gegaan naar manieren waarop hij dat zou kunnen doen. Verdachte heeft contact gezocht met personen die hem (mogelijk) zouden kunnen helpen met zijn uitreis, hij heeft geïnformeerd naar een reisroute en naar een reden die hij kon opgeven bij de autoriteiten, hij heeft op internet gezocht naar manieren om in Turkije te komen en daar te (mogen) verblijven en hij was bezig met een paspoortaanvraag in Nederland. Verder blijkt uit de WhatsApp-gesprekken die verdachte voerde met een goede vriendin, [betrokkene 1], dat zij daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij de wens had uit te reizen en dat hij op weg zou gaan naar zijn dood.
Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte de onder I tot en met V handelingen heeft verricht, heeft verdachte daarmee gelegenheid, middelen en inlichtingen trachten te verschaffen tot het plegen van de in artikelen 157 juncto 176a juncto 176b juncto 288a juncto 298a genoemde misdrijven. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.”
De kwalificatie
6. Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
“met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden, middelen en inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.”
Het verweer van de verdediging
7. De raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het woord tot verdediging gevoerd en vrijspraak bepleit. Daarover is het volgende in dat proces-verbaal gerelateerd:

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt, zakelijk weergegeven:
Ik verzoek u cliënt integraal vrij te spreken. Op 6 juni 2017 is het onderzoek gestart, zes dagen later is cliënt als verdachte aangemerkt en drie jaar later volgt de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank. Op grond van het dossier kan niet worden gesproken van voorbereidingshandelingen. Er kan ook niet worden gesproken van een oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven. De berichten die in het dossier zitten zijn misschien onsmakelijk, maar maakt dat gelijk dat er sprake is van voorbereidingshandelingen voor een misdrijf met terroristisch oogmerk? Nee, het waren alleen maar praatjes van cliënt. Cliënt had op dat moment een PIJ-maatregel. Onder verwijzing naar het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2019 met ECLI-nummer ECLI:NL:RBROT:2019:7972 kan niet worden gesteld dat cliënt concrete handelingen heeft verricht ter voorbereiding van een misdrijf. De berichten lees ik niet als een concretisering. Het gaat om stoerdoenerij en provocatie.
Door de advocaat-generaal wordt aangehaald dat cliënt bevriend is met [betrokkene 2], die lid van een terroristische organisatie is. Dat jij iemand kent die lid is van een dergelijke organisatie, maakt jou nog geen lid van die organisatie. Ik zie in het dossier ook geen aanknopingspunten voor het feit dat cliënt zich het gedachtegoed van de jihad eigen heeft gemaakt.
[…]
De raadsvrouw voert het woord tot dupliek als volgt, zakelijk weergegeven:
Het kan zo zijn dat de advocaat-generaal vindt dat er in de Rotterdamse zaak een verkeerde maatstaf is gebruikt, maar de uitspraak is er. Het vonnis gaat bovendien over hetzelfde wetsartikel.”
Het juridisch kader
8. Met het oog op de bespreking van het middel wijs ik op de volgende strafbepalingen:
Art. 96 Sr Pro:
“1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;
2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;
3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;
4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;
5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.”
Art. 288a Sr:
“Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Art. 289a Sr:
“1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven Pro misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”
Art. 176b Sr:
“1. De samenspanning tot de in de artikelen 157, 161, onderdelen 2° en 3°, 161bis, onderdelen 3° en 4°, 161quater, 161sexies, onderdelen 2° en 3°, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 173a en 174 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”
Art. 157 Sr Pro:
“Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”
Art. 46 Sr Pro:
“1. Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.
[…]”
9. Art. 96, tweede lid, Sr stelt strafbaar de voorbereiding of bevordering van de in de artikelen 92-95a Sr omschreven misdrijven. Deze bepaling is voorts van overeenkomstige toepassing verklaard op alle misdrijven waartoe de samenspanning strafbaar is gesteld (zie bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde artikelen 289a en 176b Sr). Voor de strafbaarheid is niet van belang of een van deze misdrijven uiteindelijk daadwerkelijk is voorbereid, bevorderd of gerealiseerd. Wél moet vast komen te staan dat de verdachte de in art. 96, tweede lid, Sr genoemde handelingen opzettelijk heeft verricht en daarbij de voorbereiding of de bevordering van de betreffende misdrijven heeft beoogd. [2]
10. De vraag die zich hier aandient is hoe art. 96, tweede lid, Sr zich verhoudt tot het algemene voorbereidingsdelict van art. 46 Sr Pro. Daarover zegt de Hoge Raad in zijn arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416,
NJ2018/72, m.nt. Kooijmans:
“3.4. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet terroristische misdrijven, Stb. 2004, 290 houdt met betrekking tot art. 96, eerste lid, Sr onder meer het volgende in:
“De aan het woord zijnde leden informeerden vervolgens welke gedragingen moeten worden verstaan onder samenspanning. Zij vroegen om enkele voorbeelden.
Ten antwoord op deze vraag kan voorop worden gesteld dat de samenspanning zelf bestaat in de overeenkomst, en daarmee in wilsovereenstemming. Die wilsovereenstemming kan worden afgeleid uit gesprekken tussen de samenspanners, waarmee justitie – via getuigenverklaringen, tapverslagen of anderszins – op de hoogte komt. Gedacht kan ook worden aan schriftelijke stukken, maar dat ligt bij dit soort overeenkomsten minder voor de hand. Tenslotte is, als bij andere overeenkomsten, in beginsel denkbaar dat wilsovereenstemming uit een hand- of hoofdgebaar blijkt. Een dergelijke overeenkomst kan, en daarin zit een belangrijke beperking van de strafbaarheid, evenwel slechts tot strafbaarheid wegens samenspanning aanleiding geven als zij een concreet misdrijf betreft. De eisen, te stellen aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf, zijn daarbij vergelijkbaar met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van de strafbare voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr Pro).”
(
Kamerstukken II, 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 23, nota naar aanleiding van het nader verslag)
“Is wel reeds met de voorbereiding van het overeengekomen misdrijf begonnen, dan zal veelal ook artikel 46 Sr Pro kunnen worden toegepast. Net zo min als bij artikel 46 Sr Pro is bij de strafbaarstelling van samenspanning vereist dat het tijdstip waarop het overeengekomen misdrijf gepleegd zou dienen te worden, al is bepaald, dan wel de wijze van uitvoering. Wel dient in voldoende mate duidelijkheid te bestaan over de juridische kwalificatie van het voorgenomen misdrijf, teneinde vast te kunnen stellen of het overeengekomen misdrijf behoort tot de misdrijven waarvan samenspanning strafbaar is gesteld.”
(
Kamerstukken II, 2003-2004, 28 463, nr. 8, p. 6, tweede nota van wijziging)
3.5.
Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat – anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen – het voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Die opvatting is juist. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat moet worden aangenomen dat hetgeen onder 3.4 is weergegeven omtrent de voor toepassing van art. 46 Sr Pro vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96, tweede lid, Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179).
3.6.
Het oordeel van het Hof dat voor toepassing van art. 96, tweede lid, Sr vereist is dat “tijd, plaats en wijze van uitvoering” van de door de verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan, is dus onjuist. Het middel slaagt.
11. De voor toepassing van art. 46 Sr Pro vereiste mate van concretisering van de misdrijven die worden voorbereid of bevorderd geldt aldus overeenkomstig voor art. 96, tweede lid, Sr. [3]
De bespreking van het middel
12. Het hof heeft in navolging van de rechtbank de verdachte veroordeeld voor voorbereidingshandelingen in de zin van art. 96, tweede lid, Sr. Bewezenverklaard is dat de verdachte – met het oogmerk om de misdrijven brandstichting en moord/doodslag met terroristisch oogmerk voor te bereiden – gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die misdrijven aan zich heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen.
13. De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof voldoende heeft geacht dat de verdachte zich gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de voorbereiding van terroristische misdrijven, terwijl niet overeenkomstig art. 46 Sr Pro ook is komen vast te staan dat die voorbereidingshandelingen bestemd zijn tot het
begaanvan die misdrijven.
14. Ik meen dat deze eerste deelklacht reeds faalt wegens een gebrek aan feitelijke grondslag, nu het uitgaat van een onjuiste lezing van het door het hof bevestigde vonnis. Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering is immers niet bewezenverklaard dat de gelegenheid, middelen en/of inlichtingen die de verdachte zich heeft verschaft “bestemd zijn om te worden gebruikt” bij de voorbereiding van de in art. 157 en Pro art. 288a Sr gestelde misdrijven. De rechtbank had onmiskenbaar onderdeel 2º van art. 96, tweede lid, Sr voor ogen en deze bepaling stelt niet de eis dat de verschafte gelegenheid, middelen en/of inlichtingen een bepaalde bestemming hebben.
15. Om diezelfde reden slaagt evenmin de tweede deelklacht die voortbordurend op de eerste deelklacht aanvoert dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
16. Mogelijk heeft de steller van het middel zich laten leiden door de kwalificatie van het bewezenverklaarde (zie randnummer 6), die inhoudt dat de gelegenheid, middelen of inlichtingen die de verdachte zich heeft verschaft “bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf”. In aanmerking genomen dat dit bestanddeel – zoals gezegd – geen grondslag vindt in de strafbepaling van art. 96, tweede lid, onder 2°, Sr en art. 46 in Pro het bevestigde vonnis niet wordt aangehaald onder het hoofd “Toepasselijke wettelijke voorschriften”, berust deze kwalificatie naar mijn inzicht op een kennelijke misslag, in die zin dat de rechtbank daarin per abuis genoemd zinsdeel heeft opgenomen. Hoewel het middel strikt genomen niet klaagt over de kwalificatie, laat deze misslag zich makkelijk verbeterd lezen of verbeteren, en wel aldus: “met het oogmerk om opzettelijk brand te stichten en/of ontploffingen teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden, middelen en inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen”.
17. Voorts merk ik ten overvloede nog het volgende op. De steller van het middel betoogt dat uit de hiervoor aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 14 maart 2017 en 11 juni 2019 volgt dat (al) de vereisten van het algemene voorbereidingsdelict van art. 46 Sr Pro mede van toepassing zijn op art. 96, tweede lid, Sr. Die opvatting berust naar ik meen (eveneens) op een onjuiste lezing van deze arresten. Daarin heeft de Hoge Raad immers enkel overwogen dat de eisen van art. 46 Sr Pro omtrent de concretisering van de voor te bereiden misdrijven ook gelden voor art. 96, tweede lid, Sr. Daarmee is niet gezegd dat het gehele kader van art. 46 Sr Pro van overeenkomstige toepassing is op (alle onderdelen van) art. 96, tweede lid, Sr.
18. Het middel faalt in zijn geheel.
III.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
19. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
20. Namens de verdachte is op 2 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 21 oktober 2022 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ik meen dat deze termijnoverschrijding dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
IV.
Slotsom
21. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, [4] tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Voor de beoordeling van het middel acht ik het niet nodig ook de gebezigde bewijsmiddelen weer te geven.
2.M.A.H. van der Woude, in:
3.Dit is herhaald en bevestigd in de arresten van 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:906 en ECLI:NL:HR:2019:907,
4.En eventueel (daaraan voorafgaand) ook wat betreft de kwalificatie, en verbetering daarvan.