Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelklaagt dat het hof door over de periode waarin sprake is van schuldhulpverlening een alimentatieverplichting op te leggen, heeft miskend dat ingevolge vaste rechtspraak er gedurende een zodanige regeling geen draagkracht bestaat. Volgens de klacht is er sprake van een schuldsaneringstraject (bedoeld zal zijn een schuldhulpverleningstraject) sinds april 2019 [3] . Volgens de man getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting door van de werkelijkheid te abstraheren met een formule of een vuistregel en per post te gaan onderzoeken of met terugwerkende kracht over een periode waarin een schuldhulpverleningstraject van toepassing is een nabetalingsverplichting op te leggen. De opgelegde kinderbijdrage betekent dat de man ongeveer € 9.000,- aan kinderbijdrage verschuldigd is terwijl hij een lening heeft afgesloten om zijn schuldeisers te kunnen betalen en hij sinds 2 april 2020 over een leefgeld beschikt van € 100,- per week.
tweede onderdeelklaagt dat het hof in overweging 5.6. ten onrechte heeft overwogen dat de man niet heeft onderbouwd dat hij al vanaf 19 april 2019 aflost op schulden (maar wel sinds 1 april 2020). Volgens de man getuigt deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting door het gemaakte onderscheid in periodes waarin hij wel en niet zou aflossen op schulden en voor de periode waarin hij niet aflost een hogere draagkracht toe te dichten. Volgens vaste rechtspraak zijn immers alle schulden van invloed op de draagkracht ook die waarop niet wordt afgelost.
derde onderdeelklaagt dat het hof in overweging 5.3 ten aanzien van het bedrag van