Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Planning;
Onze prijs is exclusief:
Calculation Design Base for the dismantling of 2 boilers at Harculo Powerplant, Zwolle (NL).Dit hijsplan was nog gebaseerd op het laten zakken van de twee ketels exclusief de drukvaten en hield dan ook geen rekening met de aanwezigheid van de drukvaten.
Calculation oflowering construction for the lowering of 2 boilers at Harculo Powerplant, Zwolle (NL)respectievelijk
Definition of structural arrangement for the calculation of the boiler construction at Harculo Powerplan, Zwolle (NL). Daarbij heeft Ale Heavylift onder meer geschreven:
zonderde drukvaten. [eiseres] heeft volgens het hof onvoldoende betwist dat het mee laten zakken van de drukvaten als meerwerk in de zin van art. 7:755 BW Pro kan worden beschouwd en dat voor dit meerwerk extra hijsmaterieel nodig was waarvan de kosten niet waren verdisconteerd in de overeenkomst van 17 februari 2017 (rov. 3.9.1). Heavylift heeft volgens het hof om een aantal redenen voldaan aan haar waarschuwingsplicht uit art. 7:755 BW Pro (rov. 3.9.1-3.9.2, de hoofdregel voor het aanspraak kunnen maken op meerwerkvergoeding volgens art. 7:755 BW Pro). De kern daaruit is dat voor het mee laten zakken van de drukvaten extra hijsmateriaal nodig was, dat niet in de overeenkomst verdisconteerd was. De schuin boven de ketels aangebrachte drukvaten van 70 ton waren niet alleen van invloed op het totale gewicht van te hijsen constructie, maar belangrijker was nog dat die invloed hadden op de gewichtsverdeling binnen die constructie. Doorat de positie van de drukvaten buiten de 500 ton hijspunten lag, waren 200 ton
strand jacks [2] nodig om de ketels veilig en gecontroleerd te laten zakken. Bovendien had [eiseres], een professionele en deskundige dienstverlener werkzaam in dezelfde industriële branche als Ale Heavylift, die vier van de zes ketels in de IJsselcentrale zelf had verwijderd en ook zelf intensief betrokken was bij de aan Ale Heavylift opgedragen werkzaamheden, volgens het hof ook uit zichzelf moeten begrijpen dat dat dit meerwerk de noodzaak tot een substantiële prijsverhoging met zich bracht en zij heeft zich dat ook gerealiseerd (de uitzondering voor aanspraak op meerwerkvergoeding uit art. 7:755 BW Pro, rov. 3.9.3). Het had na de concrete waarschuwingen voor prijsverhoging van Ale Heavylift in juni 2017 op de weg van [eiseres] gelegen om te vragen tot welke prijsverhoging dit meerwerk aanleiding zou geven. Dat is nagelaten en [eiseres] heeft ook niet aangegeven dat zij vanwege die extra kosten wilde afzien van de opdracht tot meerwerk of de overeenkomst wilde beëindigen. [eiseres] heeft de opdracht tot het meerwerk gehandhaafd en te laat geprotesteerd tegen de kosten ervan, namelijk toen het meerwerk al grotendeels was verricht (rov. 3.9.4). Het hof heeft [eiseres]’s verweer is dat de overeenkomst van 17 februari 2017 is vervangen door de afspraken van 17 mei 2017, waarmee een nieuwe overeenkomst was gesloten waarin het meerwerk wel was verdisconteerd, uitvoerig gemotiveerd verworpen (rov. 3.9.5). De naar het oordeel van het hof onderbouwde en onvoldoende weersproken specificatie van de meerwerkkosten van in hoofdsom € 266.100,- zijn toewijsbaar, met rente (rov. 3.9.6). Het hof heeft de vordering van Ale Heavylift tot vergoeding van door haar gestelde vertragingskosten van in hoofdsom groot € 175.051,- afgewezen, in lijn met het rechtbankoordeel wegens het niet voldoen aan haar stelplicht (rov. 3.10-3.12). Ook de voorwaardelijke tegenvordering van [eiseres] tot schadevergoeding van in hoofdsom (na vermindering in appel) € 133.527,- wegens diverse gestelde tekortkomingen van Ale Heavylift wijst het hof af wegens het niet voldoen aan [eiseres]’s stelplicht terzake (rov. 3.13-3.14).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 3.9.5 dat de overeenkomst van 17 februari 2017 niet is vervangen door de afspraken van 17 mei 2017 en er daarmee geen nieuwe overeenkomst is gesloten. Ik citeer rov. 3.9.5:
onder a-faangegeven punten is het oordeel in rov. 3.9.5 dat de overeenkomst van 17 februari 2017 niet is vervangen door de afspraken van 17 mei 2017 in de vorm van een nieuwe overeenkomst waarin het meerwerk is verdisconteerd, volgens de klacht ontoereikend gemotiveerd. In die punten a-f verwijst [eiseres] naar feiten die het hof als vaststaand heeft aangemerkt en herhaalt zij stellingen die zij in feitelijke instanties heeft ingenomen op grond waarvan volgens haar het hofoordeel dat er geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, onbegrijpelijk is.
Onder gvat [eiseres] de klacht samen: het procesdossier zou geen andere conclusie toelaten dan dat op 17 mei 2017 een overeenkomst is gesloten voor het laten zakken van de ketels inclusief de drukvaten voor dezelfde prijs als was besproken op 17 februari 2017 en de andersluidende beslissing van het hof zou onbegrijpelijk zijn.
nietdat het oordeel van het hof tegenstrijdig is gelet op hetgeen door het hof als vaststaand is aangemerkt. Ook wordt niet geklaagd dat het hof ten onrechte stellingen heeft gepasseerd of niet heeft meegewogen bij zijn beoordeling. De klacht is dat de uitleg van de overeenkomst onbegrijpelijk is gelet de betreffende vaststaande feiten en [eiseres]’s stellingen, die geen andere conclusie zouden toelaten dan dat sprake is van een nieuwe overeenkomst inclusief meerwerk voor dezelfde oude prijs.
niet(voldoende kenbaar) dat het hofoordeel innerlijk tegenstrijdig is. Ook uit de stukken in feitelijke instanties waar [eiseres] naar verwijst volgt niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het hof heeft de betreffende stellingname van [eiseres] uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken, maar verworpen en dat is gelet op het partijdebat goed te volgen. Het hof heeft de door Ale Heavylift naar voren gebrachte lijn, zoals samengevat in rov. 3.7 en vervolgens beoordeeld in rov. 3.9.1-3.9.4, overtuigender geacht. Die lijn en dat oordeel komen erop neer dat na het sluiten van de overeenkomst op 17 februari 2017 [eiseres] extra hijswerk heeft opgedragen aan Ale Heavylift vanwege het laten meezakken van de drukvaten, die aanvankelijk door [eiseres] zelf voorafgaand aan de hijsklus zouden worden verwijderd. [eiseres], zelf goed ingevoerd in het betreffende technische veld, had volgens het hof moeten begrijpen dat dit tot een prijsverhoging zou leiden. Ale Heavylift heeft op 7 juni 2017 tijdig gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging daarvoor en op 20 juni 2017 heeft zij inzicht verschaft in de omvang van de daarmee gemoeide kosten. Ook heeft Ale Heavylift gesteld dat de e-mail van [eiseres] van 17 mei 2017 niet is op te vatten als een gewijzigde overeenkomst, omdat dit bericht alleen betrekking heeft op het betaalschema en geen nadere afspraken bevat over het extra benodigde hijsmateriaal.
Over afwijkingen kunnen we uiteraard altijd praten’) blijkt volgens het hof dat [eiseres] zich daarvan bewust was (rov. 3.9.3). [eiseres] heeft de opdracht ondanks de concrete waarschuwingen voor (prijsgevolgen van) meerwerk van de kant van Ale Heavylift gehandhaafd en heeft pas geprotesteerd toen het meerwerk al grotendeels was verricht, hetgeen te laat is (rov. 3.9.4). Daarin ligt besloten waarom de onder a-b geformuleerde klacht moet stranden.
onder dgeformuleerde klacht dat het hof met zijn passage uit rov. 3.9.5 dat niet is gebleken dat [eiseres] met de afspraken van 17 mei 2017 zekerheid over de prijs voor het meerwerk wenste te verkrijgen, zou hebben miskend dat het voor [eiseres] juist belangrijk was om een vaste prijs af te spreken [6] . Zij heeft volgens de klacht niet voor niets op 18 februari 2017 het project eerst
on holdgezet en pas een
purchase ordergestuurd op 18 mei 2017, nadat [eiseres]’s prijsvoorstel door Ale Heavylit was geaccordeerd. Zij heeft op Ale Heavylifts verzoek om vergoeding voor meerwerk gezegd ‘dat de kip kaal is’ en met opdrachtgever Engie een vaste prijs was afgesproken. Ook hier zou in dat licht sprake zijn van ontoereikende motivering.
onder e-fsluit hierop aan met bezwaren tegen de passage uit rov. 3.9.5 dat het hof het opmerkelijk acht dat [eiseres] in latere correspondentie niet wijst op de beweerdelijke nieuwe overeenkomst van 17 mei 2017 en het onvoldoende helder houdt in die latere communicatie door alleen te refereren aan een ‘duidelijke en heldere afspraak’ zonder te benoemen om welke afspraak het dan concreet zou gaan. De klacht acht dit onbegrijpelijk, omdat er voor [eiseres] geen reden was om daarop te wijzen nu de enige
purchase orderdie door [eiseres] is gestuurd ziet op de afspraken van 17 mei 2017.
onder gis samenvattend en behoeft geen nadere inhoudelijke bespreking: van onbegrijpelijkheid is geen sprake en dat de stukken geen andere conclusie toe zouden laten dan dat op 17 mei 2017 een nieuwe overeenkomst is gesloten, is onjuist; het tegendeel, zoals het hof heeft geoordeeld, ligt volgens mij veel meer voor de hand en is dan ook bepaald niet onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht.
Subonderdeel 2.1.1klaagt dat dat zonder nadere, maar ontbrekende motivering onbegrijpelijk is, omdat het hier een overeenkomst van opdracht zou betreffen. Ten gevolge van deze onjuiste kwalificatie is verzuimd ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen en het dispuut te beslechten in het juiste raamwerk van de overeenkomst van opdracht. In subonderdeel 2.1.1
onder cis de rechtsklacht dat voor zover is gemeend dat kwalificatie achterwege kon blijven, omdat de kwalificatie als overeenkomst van aanneming van werk geen geschilpunt tussen partijen was, dit onjuist is: de rechter moet een aan een geschil ten grondslag liggende overeenkomst altijd ambtshalve kwalificeren en bij kwalificatie spelen partijbedoelingen geen rol [7] .
Onder dgeeft subonderdeel 2.1.1 aan waarom geen andere kwalificatie dan opdrachtovereenkomst mogelijk zou zijn,
onder e-hwaarom het verschil maakt of wordt gekwalificeerd als aanneming van werk of opdracht, met name met betrekking tot meerwerk.
uitlegvan de overeenkomst heeft niet tot gevolg dat de
kwalificatievan de overeenkomst ook voorwerp van geschil is geworden. Naar huidig recht moet de kwalificatie van een overeenkomst immers worden onderscheiden van de – daaraan voorafgaande – vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen [12] . De grieven van Ale Heavylift stelden dat laatste aan de orde, maar raakten niet aan de kwalificatie van de overeenkomst als aanneming van werk [13] .
bewerken.Onder aanneming van werk valt in ieder geval de aanneming van bouwwerken of wat daarmee verband houdt. Ook wordt opgemerkt dat de aannemingstitel betrekking heeft op een oneindig veel grotere variëteit aan contracten, zoals overeenkomsten tot het wassen of stomen van kleren en tot het repareren van gebruiksvoorwerpen [21] . Met betrekking tot bouwwerken wordt verwezen naar nieuwbouw en ook verbouw (uitbreiding, verfraaiing, reparatie en onderhoud). Het is volgens de regering evident dat onder het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard mede de verbouwing van een bestaand werk valt. Het werk van stoffelijke aard dat in dat geval tot stand wordt gebracht is de wijziging van een bouwwerk. [22] Het ligt dan voor de hand om het afbreken en slopen van een bouwwerk ook te beschouwen als aanneming van werk [23] . De gewijzigde toestand van een zaak is dan het materiele eindresultaat waar aanneming van werk op ziet [24] . Het betreft hier (onder)aanneming van een sloopwerk.