ECLI:NL:PHR:2023:902

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2023
Publicatiedatum
10 oktober 2023
Zaaknummer
23/00054
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 5 lid 1 Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoudArt. 6 lid 1 Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoudArt. 20 Haags Alimentatieverdrag 2007Art. 22 Haags Alimentatieverdrag 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid en toepasselijkheid van verdragen bij erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland

Deze zaak betreft de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van Amerikaanse beslissingen over voorlopige kinder- en partneralimentatie. De vrouw verzocht verlof tot tenuitvoerlegging omdat de man aandeelhouder en bestuurder is van een Nederlandse B.V. De voorzieningenrechter verleende dit verlof op grond van het Haags Alimentatieverdrag 2007 en het bilaterale Verdrag NL-VS Levensonderhoud.

Het hof Amsterdam verklaarde de man niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het deel van de partneralimentatie vóór 1 januari 2017 wegens overschrijding van de beroepstermijn en verwees het andere deel naar de rechtbank. De rechtbank bekrachtigde de beschikking van de voorzieningenrechter. De man stelde cassatieberoep in tegen beide beslissingen.

De Procureur-Generaal betoogde ambtshalve dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de termijn, mede omdat het bilaterale Verdrag NL-VS Levensonderhoud voorrang heeft op het Haags Alimentatieverdrag 2007. Dit oudere verdrag regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland en bepaalt dat de procedure wordt beheerst door de artikelen 985-990 Rv. De Hoge Raad volgt dit standpunt en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Tevens wordt uitgebreid ingegaan op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, de toepasselijkheid van verdragen, en de beoordeling van de openbare orde en eerlijke procesvoering in de Amerikaanse procedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00054
Zitting13 oktober 2023
(bij vervroeging)
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw] , tegenwoordig genaamd [de vrouw] ,
(hierna: de vrouw)

1.Inleiding

1.1
Deze zaak heeft betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging in Nederland van twee in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) gewezen beslissingen, waarbij de man is veroordeeld tot het betalen van (voorlopige) kinder- en partneralimentatie. De vrouw heeft in Nederland verlof tot tenuitvoerlegging verzocht, omdat de man aandeelhouder en bestuurder is van een Nederlandse B.V. De voorzieningenrechter heeft het verlof verleend met toepassing van het Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden van 23 november 2007 (hierna: Haags Alimentatieverdrag 2007) [1] , welk verdrag sedert 1 januari 2017 van toepassing is tussen Nederland en de VS. Op de partneralimentatie verschuldigd vóór 1 januari 2017, heeft de voorzieningenrechter toegepast het Verdrag tussen Nederland en de VS inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud [2] (hierna: Verdrag NL-VS Levensonderhoud). In hoger beroep heeft het hof Amsterdam de man niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepstermijn is overschreden wat betreft het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Verdrag NL-VS Levensonderhoud. Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag 2007 heeft het hof verwezen naar de rechtbank als de bevoegde beroepsinstantie. Vervolgens heeft de rechtbank de beslissing van de voorzieningenrechter bekrachtigd. In cassatie keert de man zich met verschillende klachten tegen zowel de beschikking van het hof als van de rechtbank.
1.2
In deze conclusie ga ik ambtshalve in op de vraag naar de ontvankelijkheid in cassatie. Ook besteed ik aandacht aan de vraag welk verdrag van toepassing is op de erkenning en de tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan, kort samengevat, van de volgende feiten worden uitgegaan. [3] De man en de vrouw zijn op 16 april 2011 in New Orleans (VS) gehuwd. Bij beslissing van 30 juni 2015 van de
Civil District Court for the Parish of Orleans, State of Louisiana, Division ‘D’(hierna: de Amerikaanse rechtbank) is de echtscheiding uitgesproken.
2.2
Partijen zijn de ouders van een minderjarig kind (hierna: het kind). Het kind verblijft bij de vrouw in de VS.
2.3
De man is aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A] ), gevestigd in [vestigingsplaats] .
2.4
In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding hebben partijen diverse gerechtelijke procedures gevoerd in de VS. Bij beslissing van 19 mei 2015 heeft de Amerikaanse rechtbank ten laste van de man een voorlopige bijdrage in de onderhoudskosten van het kind en de vrouw vastgesteld van respectievelijk $ 5.000 en $ 15.000 per maand met ingang van 2015.
2.5
Op 23 juni 2015 heeft de Amerikaanse advocaat van de man bij de Amerikaanse rechtbank een ‘Motion to set Issue of Final Periodic Spousal Support, to Determine Default and/or Entitlement and to Determine if Final Periodic Spousal Support is Due’ ingediend.
2.6
In september 2015 heeft de man bij een ongeval letsel aan zijn knie opgelopen. De man heeft een operatie ondergaan.
2.7
De man heeft op 1 december 2015 per brief aan zijn Amerikaanse advocaten geschreven dat hij niet langer van hun diensten gebruik wil maken en dat hij zichzelf in rechte zal vertegenwoordigen, onder opgave van zijn adres op Malta en van zijn e-mailadres. De brief is ingediend bij de Amerikaanse rechtbank. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen onttrekking van de advocaten.
2.8
Op 9 december 2015 heeft bij de Amerikaanse rechtbank een zitting plaatsgevonden, waarbij namens de man zijn advocaten zijn verschenen. Op dezelfde dag heeft de Amerikaanse rechtbank een beslissing genomen, waarbij de man is bevolen om de rechtbank zijn adresgegevens te verschaffen alsmede het adres waar hij de aan hem te betekenen gerechtelijke stukken kan ontvangen, bij gebreke waarvan hij wordt veroordeeld wegens ‘contempt of court’. Verder heeft de rechtbank de verplichting van de man om de (door de rechtbank op 19 mei 2015) vastgestelde voorlopige onderhoudsbijdrage te betalen verlengd in afwachting van de definitieve vaststelling van deze bijdrage.
2.9
Een verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man tot ‘contempt of court’ is op 26 januari 2016 bij de Amerikaanse rechtbank behandeld. Voorafgaand aan die behandeling is namens de man opnieuw om de onttrekking van zijn Amerikaanse advocaten verzocht. De Amerikaanse rechtbank heeft dat verzoek op 19 januari 2016 toegewezen. De man is vervolgens niet verschenen bij de zitting en heeft zich ook niet door een (nieuwe) advocaat laten vertegenwoordigen. Bij beslissing van 4 februari 2016 [4] heeft de rechtbank de man veroordeeld wegens ‘contempt of court for failing to pay child support, interim spousal support, and make the arrearage payments as ordered by this Court’. De man is veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf in Orleans Parish Prison, maar ‘may purge this jail sentence by paying to [de vrouw] the sum of $ 25,000.00 within 30 days from the date of this hearing; namely February 25, 2016, otherwise the jail sentence is executory’.
2.1
Een tweede verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man tot ‘contempt of court’ is op 27 september 2016 door de Amerikaanse rechtbank behandeld. Bij de behandeling was namens de man een nieuwe advocaat aanwezig. Bij beslissing van 4 oktober 2016 is de man veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf of betaling van een boete van $ 50.000 voor het niet nakomen van het vonnis van 19 mei 2015 en het niet volledig betalen van kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie.
2.11
Een verzoek van de man om de partneralimentatie te laten beëindigen is op de zitting van 4 april 2017 bij de Amerikaanse rechtbank behandeld. De man is tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat. De rechter heeft bepaald dat de man 60 dagen de tijd heeft om het bedrag van $ 50.000 te betalen.
2.12
Op 10 oktober 2018 heeft de Amerikaanse rechtbank drie nieuwe verzoeken van de vrouw tot veroordeling van de man tot ‘contempt of court’ behandeld. Daarbij was de advocaat van de man aanwezig. Bij beslissing van dezelfde datum is de man veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf of betaling van een boete van $ 75.000 wegens niet-naleving van het vonnis van 19 mei 2015 en het niet tijdig en volledig voldoen van de kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie.
2.13
De vrouw heeft op 21 augustus 2018 bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank van 19 mei 2015 en 9 december 2015.
2.14
Bij beschikking van 6 november 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van dit verzoek kennis te nemen en het verzoek naar de voorzieningenrechter verwezen. [5] Volgens de rechtbank dient het verzoek te worden beoordeeld aan de hand van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Op grond van art. 5 lid 1 Uitvoeringswet Pro internationale inning levensonderhoud [6] is uitsluitend de voorzieningenrechter bevoegd tot kennisneming van het verzoek.
2.15
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 13 augustus 2020 geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de vrouw toegewezen en het verlof tot tenuitvoerlegging verleend.
2.16
De voorzieningenrechter heeft, kort weergegeven, het volgende overwogen. Voor de verschuldigde kinderalimentatie en partneralimentatie is vanaf 1 januari 2017 het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing (rov. 4.10). Wat betreft de partneralimentatie die verschuldigd was vóór 1 januari 2017 is het Verdrag NL-VS Levensonderhoud van toepassing (rov. 4.11). Zowel op grond van het Haags Alimentatieverdrag 2007 als op grond van het Verdrag NL-VS Levensonderhoud kan erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen worden geweigerd als die beslissingen in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde (rov. 4.12). Het voorlopig karakter van de Amerikaanse beslissingen staat op zichzelf niet aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg (rov. 4.15). Dat het verzoek van de man om de partneralimentatie definitief vast te stellen is afgewezen, kan niet worden vastgesteld (rov. 4.16). Ook volgt uit de beslissing van 9 december 2015 niet dat de definitieve vaststelling van de kinder- en partneralimentatie enkel inhoudelijk wordt behandeld als de man in persoon bij de rechtbank verschijnt (4.17). Aan de stelling van de man dat hij persoonlijk naar de rechtbank moet komen om een verzoek tot wijziging van de voorlopig vastgestelde kinder- en partneralimentatie in te dienen, wordt voorbijgegaan omdat de beslissing van de Amerikaanse rechter van oktober 2015 waaruit dit zou blijken, niet is overgelegd (rov. 4.18). De stelling dat de man in persoon bij de rechtbank moet verschijnen om een nieuw verzoek voor definitieve kinder- en partneralimentatie in te dienen, heeft de man echter niet gemotiveerd onderbouwd. De voorzieningenrechter leest dit ook niet in de beslissing van 9 december 2015 (rov. 4.19). Daarbij komt dat de man voor de zitting van 26 januari 2016 is opgeroepen en deze oproep hem heeft bereikt. De man heeft er zelf voor gekozen om niet ter zitting te verschijnen, ondanks waarschuwingen voor de gevolgen daarvan. Indien en voor zover de man eind januari 2016 om medische redenen niet kon reizen – hij stelt zelf dat hij tot medio januari 2016 niet kon vliegen – en daarom niet bij de rechtbank kon verschijnen, had hij zich kunnen laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. In plaats daarvan heeft hij tot driemaal toe verzoeken ingediend tot onttrekking van zijn advocaat. Onder deze omstandigheden kan hij niet tegenwerpen dat hij vervolgens bij verstek is veroordeeld wegens ‘contempt of court’, en dat hij vanwege het risico op gevangenisstraf thans niet naar de VS kan komen om in persoon bij de Amerikaanse rechtbank te verschijnen (rov. 4.20).
2.17
Ten aanzien van de vraag of de inhoud van de Amerikaanse beslissingen strijdig is met de openbare orde, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat zowel het nog openstaande bedrag aan kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie als het bedrag dat de man reeds heeft voldaan, naar Nederlandse maatstaven uitzonderlijk hoog te noemen zijn. Dit neemt niet weg dat uit de beslissing van 9 mei 2015 volgt dat de Amerikaanse rechter de richtlijnen voor de vaststelling van de hoogte van alimentatie in de staat Louisiana heeft toegepast. Of de Amerikaanse rechter die richtlijnen op de juiste wijze heeft toegepast kan niet door de voorzieningenrechter worden getoetst, omdat dat de inhoud van de beslissing betreft. Verder is namens de man tijdens de zitting weliswaar bepleit dat de alimentatie waarvoor de vrouw tenuitvoerlegging verzoekt moet worden aangepast, maar hij heeft daartoe geen concreet verzoek ingediend. Bovendien is hiervoor geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de man niet de mogelijkheid heeft (gehad) om een verzoek tot wijziging van de voorlopig vastgestelde alimentatie of een nieuw verzoek voor de behandeling van de definitieve vaststelling van de alimentatie in te dienen. Daarom kunnen de Amerikaanse beslissingen niet met een beroep op strijd met de openbare orde van erkenning en/of tenuitvoerlegging in Nederland worden uitgesloten (rov. 4.22). Ten aanzien van de stelling van de man dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is geweest, omdat de Amerikaanse rechtbank in haar beslissingen ervan heeft blijk gegeven dat zij een zeer uitgesproken oordeel over de man heeft en daardoor niet als onpartijdig en onafhankelijk kan worden beschouwd, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de overwegingen van de Amerikaanse rechtbank in de beslissing van 9 mei 2015 over de levensstijl van de man opmerkelijk zijn te noemen, maar dat deze niet ten grondslag zijn gelegd aan het oordeel over de alimentatie. Verder is, anders dan de man stelt, niet gebleken dat alle beslissingen door deze rechter zijn genomen (rov. 4.23).
2.18
Op 9 oktober 2020 is de man bij de rechtbank Amsterdam in hoger beroep gekomen van de beschikking van de voorzieningenrechter. De griffier van de rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar het hof Amsterdam.
2.19
Bij beschikking van 14 september 2021 heeft het hof (i) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover het ziet op het bij de bestreden beschikking verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank van 19 mei 2015 en 9 december 2015 betreffende de voorlopige partneralimentatie tot 1 januari 2017, en (ii) zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep voor zover het verleende verlof tot tenuitvoerlegging ziet op levensonderhoud voor de vrouw over de periode vanaf 1 januari 2017 en op het levensonderhoud voor het kind, en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Amsterdam.
2.2
Het hof heeft, kort weergegeven, daartoe het volgende overwogen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Nederlandse rechter op de voet van art. 3, onder c, Rv bevoegd is om van de verzoeken van de vrouw kennis te nemen (rov. 5.3). Op het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partneralimentatie die verschuldigd is vóór 1 januari 2017, is het Verdrag NL-VS Levensonderhoud van toepassing, terwijl het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing is voor de verschuldigde kinderalimentatie in haar geheel en voor de partneralimentatie voor zover de bedragen verschuldigd zijn geworden ná 1 januari 2017 (rov. 5.2). Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Verdrag NL-VS Levensonderhoud, geldt op grond van art. 989 lid 2 Rv Pro een appeltermijn van één maand. Nu de bestreden beschikking van de voorzieningenrechter dateert van 13 augustus 2020 en het hoger beroep is ingesteld op 9 oktober 2020, is de appeltermijn overschreden (rov. 5.6). Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag 2007, geldt op grond van art. 6 lid 1 Uitvoeringswet Pro internationale inning levensonderhoud dat de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter heeft beslist op het desbetreffende verzoek kennis neemt van het rechtsmiddel tegen die beslissing bedoeld in art. 23 lid 5 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007 (rov. 5.7).
2.21
Na verwijzing door het hof naar de rechtbank Amsterdam heeft de man de rechtbank verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de voorzieningenrechter te vernietigen voor zover daarin verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank van 19 mei 2015 en 9 december 2015. Aan het verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift van de vrouw. Subsidiair is de erkenning van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank volgens de man in strijd met de openbare orde. Daartoe heeft hij onder meer gesteld dat gerechtelijke stukken niet op de juiste wijze en op tijd aan hem zijn betekend en dat hem een eerlijk proces is onthouden.
2.22
De rechtbank heeft in haar beschikking in hoger beroep van 10 november 2022 de beschikking van de voorzieningenrechter bekrachtigd. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de man niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het verleende verlof tot tenuitvoerlegging voor zover dit betrekking heeft op de beslissingen inzake de voorlopige partneralimentatie vóór 1 januari 2017, de huidige beroepsprocedure slechts betrekking heeft op het verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen voor zover zij zien op de voorlopige partneralimentatie vanaf 1 januari 2017 en de onderhoudsbijdragen voor het kind (rov. 1.1). De rechtbank heeft, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:

Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
6.1.
Gelet op het internationale karakter van de zaak moet worden vastgesteld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Op het moment van de indiening van het verzoek had geen van beide partijen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland. Voor zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, geldt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden (artikel 3 aanhef Pro en onder c Rv). Die verbondenheid is er, omdat zich voor tenuitvoerlegging vatbare vermogensbestanddelen van [de man] in het arrondissement Amsterdam bevinden. [A] is immers in Amsterdam gevestigd. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen […], is niet relevant dat [A] in liquidatie is.
6.2
In artikel 5 lid 2 van Pro de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud is bepaald dat ten aanzien van verzoeken die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de tenuitvoerlegging dient plaats te vinden. Daarmee heeft de voorzieningenrechter terecht relatieve bevoegdheid aangenomen. De rechtbank is op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van de voorzieningenrechter.
(…)
Erkenning/tenuitvoerlegging
6.5.
In artikel 23 lid 7 van Pro het Haags Alimentatieverdrag is bepaald dat een bezwaar of beroep kan worden gebaseerd op (a) de in artikel 22 vermelde Pro gronden voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging, (b) de gronden voor erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 20 en Pro (c) de authenticiteit of integriteit van een in overeenstemming met artikel 25 eerste Pro lid onderdeel a, b of d derde lid verzonden stuk.
6.6. [
De man] voert aan dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechter onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde (artikel 22 aanhef Pro en onder a van het Haags Alimentatieverdrag), zowel gezien de totstandkoming van de beslissingen als de inhoud daarvan.
6.7.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Zij verenigt zich met de overwegingen en beslissingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.13. - r.o. 4.23.) en maakt deze tot de hare. In het beroepschrift zijn geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zover in het hoger beroep nieuwe standpunten zijn aangevoerd, zullen die hierna worden besproken.
(…)
Openbare orde
6.11.
Volgens [de man] is de totstandkoming van de Amerikaanse beslissingen in strijd met de openbare orde omdat naderhand is gebleken van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. De rechtbank verenigt zich ook op dit punt met de overwegingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.23). [De man] heeft in het hoger beroep geen (nieuwe) stellingen ingenomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ook in dit hoger beroep is dus niet gebleken dat [de man] ten aanzien van de onderhoudsbijdragen geen eerlijk proces heeft gehad omdat de Amerikaanse rechter vooringenomen zou zijn geweest.
6.12. [
De man] voert ten aanzien van de beslissing van 9 december 2015 daarnaast aan dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is omdat hij feitelijk niet tegen deze beslissing kan opkomen. [De man] stelt dat hij in persoon voor de Amerikaanse rechtbank moet verschijnen om wijziging of definitieve vaststelling van de voorlopige onderhoudsbijdragen te verzoeken, maar dat dit hem onmogelijk is gemaakt als gevolg van de Contempt of Court veroordelingen. Zijn verzoeken om digitaal te verschijnen in de Amerikaanse procedure worden volgens hem stelselmatig afgewezen.
6.13.
De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen (r.o. 4.20) dat [de man] voor de zitting van 26 januari 2016 – die tot de eerste veroordeling wegens Contempt of Court heeft geleid - is opgeroepen, dat de oproep hem heeft bereikt en dat hij er zelf voor heeft gekozen niet te verschijnen, ondanks waarschuwing voor de gevolgen daarvan. Indien en voor zover [de man] op dat moment om medische gronden niet kon reizen - hij stelt zelf dat hij tot medio januari 2016 niet kon vliegen - en daarom niet bij de rechtbank kon verschijnen, had hij zich kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat.
[De man] heeft in deze procedure herhaald dat het voor hem onmogelijk was om naar de Verenigde Staten te reizen en zich in persoon te verweren. [De man] heeft op dat punt echter geen nieuwe inzichten gegeven. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de man] op 10 januari 2016 heeft gevlogen van Amsterdam naar Malta. Dat zijn gezondheidstoestand eraan in de weg stond om eind januari 2016 bij de Amerikaanse rechtbank te verschijnen is dus allerminst gebleken, los van het feit dat [de man] zich had kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat.
6.14.
Dat de veroordeling(en) vanwege Contempt of Court er vervolgens aan in de weg hebben gestaan om effectief tegen de alimentatiebeslissingen op te komen, is ook in dit hoger beroep niet gebleken. Het transcript van de zitting van 4 april 2017 (3.13) werpt in ieder geval geen ander licht op de stelling van [de man] dat hij wegens de Contempt of Court veroordelingen een gevangenisstraf riskeert als hij verschijnt bij de Amerikaanse rechtbank. Uit het transcript blijkt juist dat aan [de man] een handreiking is gedaan in die zin dat aan hem voor een dag een vrijgeleide kon worden verstrekt zodat hij in persoon kan verschijnen, tegen betaling van een geldbedrag. [de man] heeft niet gesteld dat voldoen aan de voorwaarde van betaling voor hem niet haalbaar was of dat hij wegens een andere gegronde reden van de vrijgeleide geen gebruik heeft kunnen maken. Dat [de man] zich daarnaast niet door een advocaat kon laten vertegenwoordigen of dat hij niet via een videoverbinding aan een alimentatieprocedure had kunnen deelnemen, is niet gebleken. Hij stelt hiertoe enkel dat hij bij de Amerikaanse rechtbank zeven keer een verzoek heeft gedaan om digitaal deel te nemen aan de procedure en dat deze verzoeken steeds zijn afgewezen. Stukken daarover ontbreken echter, zodat na het weerspreken hiervan door [de man] niet kan worden vastgesteld dat [de man] tevergeefs heeft verzocht om digitaal aanwezig te zijn. Gezien al deze omstandigheden, kan de rechtbank niet anders dan de beslissing van de voorzieningenrechter ook op dit onderdeel (r.o. 4.14 tot en met 4.20) te onderschrijven.’
2.23
De man heeft op 4 januari 2023 [7] cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof Amsterdam van 14 september 2021 en tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2022. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Zoals ik in de inleiding van mijn conclusie heb vermeld, stel ik in het kader van de behandeling van dit cassatieberoep ambtshalve de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde.
3.2
Voor zover het cassatieberoep is ingesteld tegen de beschikking van het hof, merk ik het volgende op. In zijn beschikking heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2020 tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen voor zover dit verlof betrekking heeft op de partneralimentatie over de periode tot 1 januari 2017. In zoverre is sprake van een eindbeschikking, omdat de niet-ontvankelijkverklaring voor een deel van het verzochte een einde aan de instantie maakt. [8] Daartegen had de man onmiddellijk cassatieberoep moeten instellen, waarbij de termijn begint te lopen op de dag na die van de beschikking van het hof (van 14 september 2021). Nu de man pas op 4 januari 2023 cassatieberoep heeft ingesteld, is dit beroep in ieder geval te laat en is de man in zoverre niet-ontvankelijk. Voor de vraag welke termijn dan in acht genomen had moeten worden, is van belang welk verdrag van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen. Zeker is dat in ieder geval – ongeacht welk verdrag voor de erkenning en tenuitvoerlegging van toepassing is – geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel geldt van meer dan één jaar.
3.3
Voor zover het cassatieberoep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank, is het van belang na te gaan welk verdrag van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen. De Hoge Raad heeft met het oog op de beroepstermijnen zelfstandig vast te stellen welk verdrag en de daarbij behorende uitvoeringswetgeving van toepassing is.
3.4
In deze zaak spelen diverse internationale instrumenten inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake verplichtingen tot levensonderhoud een rol. De ‘stapeling’ van deze instrumenten met hun eigen formeel, materieel en temporeel toepassingsgebied is dermate complex, dat het eenvoudig is om in dit labyrint te verdwalen. [9] Deze zaak is daarvan een voorbeeld. Het probleem is niet zozeer dat in Nederland verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd van Amerikaanse beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen, maar wél welk verdrag daarvoor moet worden toegepast, bij welke rechter het verlof moet worden gevraagd en wat de termijnen zijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verleende verlof. De vrouw heeft zich eerst gewend tot de rechtbank met het verzoek om de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland ten uitvoer te leggen, maar de rechtbank heeft naar de voorzieningenrechter verwezen. Na de toewijzende beslissing van de voorzieningenrechter heeft de man hoger beroep ingesteld bij de rechtbank, maar de griffier van de rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar het hof. Het hof heeft de verzoeken van de vrouw voor de tenuitvoerlegging in twee delen gesplitst: partneralimentatie vóór 1 januari 2017, en partneralimentatie ná 1 januari 2017 en de kinderalimentatie over de gehele periode. Voor de periode vóór 1 januari 2017 heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de appeltermijn, en voor de periode ná 1 januari 2017 heeft het hof de zaak naar de rechtbank verwezen, omdat de rechtbank in dit geval de beroepsinstantie is. Zo wordt de ene na de andere rechter met deze zaak belast en krijgt deze zaak bijna ‘Kafkaëske’ trekken.
3.5
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid in deze zaak is het van belang een overzicht te geven van de diverse internationale instrumenten op het terrein van de onderhoudsverplichtingen.
3.6
In de
eerste plaatsvermeld ik voor de volledigheid dat op 18 juni 2011 van toepassing is geworden Verordening (EU) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. [10] De Alimentatieverordening regelt in hoofdstuk IV de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen die onder deze verordening vallen (art. 16). De term ‘beslissing’ wordt in art. 1, onder 1, Alimentatieverordening gedefinieerd als ‘een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, ongeacht de daaraan gegeven benaming, (…)’. De verordening regelt dus de erkenning en tenuitvoerlegging van
in lidstatengegeven beslissingen. In deze zaak gaat het om erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gewezen in een derde staat (de VS), zodat de Alimentatieverordening hierop niet van toepassing is.
3.7
In de
tweede plaatsis op 23 november 2007 in het kader van de Haagse Conferentie voor het Internationaal Privaatrecht tot stand gekomen het Haags Alimentatieverdrag 2007. Dit verdrag is voor Nederland en de andere lidstaten van de EU in werking getreden op 1 augustus 2014. Voor de VS is het verdrag op 1 januari 2017 in werking getreden. Art. 2 bepaalt Pro het materiële toepassingsgebied van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Hoofdstuk V (art. 19 e.v.) ziet op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen. Krachtens art. 20 lid 1 wordt Pro een beslissing die is gegeven in een verdragsluitende staat (‘de staat van herkomst’) in de andere verdragsluitende staten erkend en tenuitvoergelegd indien aan een van de in dit artikellid genoemde voorwaarden is voldaan. Art. 22 vermeldt Pro de gronden voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging, waaronder de grond dat erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte staat (art. 22, onder a).
3.8
In hoofdstuk VIII Haags Alimentatieverdrag 2007 (art. 37 e.v.) zijn algemene bepalingen opgenomen, waaronder bepalingen die betrekking hebben op de samenloop met andere internationale instrumenten. Art. 48 bepaalt Pro dat in de betrekkingen tussen de verdragsluitende staten dit Haags Alimentatieverdrag 2007 het oudere Haagse Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen [11] vervangt, evenals het nog oudere Haagse Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen. [12] Deze verdragen van 1958 en 1973 zijn niet in werking getreden voor de VS. Toch speelt het Verdrag van 2 oktober 1973 bij de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsverplichtingen in Nederland nog een rol, zoals hierna (onder 3.14) zal blijken.
3.9
Een andere bepaling die betrekking heeft op samenloop, is art. 51 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007. In het eerste lid van art. 51 is Pro bepaald dat dit verdrag onverlet laat alle vóór dit verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende staten partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op in dit verdrag geregelde aangelegenheden. Deze bepaling is van belang in verband met het hierna te noemen bilaterale verdrag tussen Nederland en de VS.
3.1
In art. 52 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007 is bepaald dat beroep mag worden gedaan op een andere regeling dan die van het Haags Alimentatieverdrag 2007 wanneer op grond van die andere regeling erkenning en tenuitvoerlegging kan worden verkregen (‘favor executionis’). Art. 56 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007 regelt het overgangsrecht (het temporele geldingsbereik). Deze bepaling luidt als volgt:
‘1. Het Verdrag is van toepassing op elk geval:
a. waarin een verzoek uit hoofde van artikel 7 of Pro een verzoek uit hoofde van hoofdstuk III wordt ontvangen door de centrale autoriteit van de aangezochte staat nadat het Verdrag in werking is getreden tussen de verzoekende staat en de aangezochte staat;
b. waarin een rechtstreeks verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging is ontvangen door de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat nadat het Verdrag in werking is getreden tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat.
2. Wat betreft de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tussen verdragsluitende staten bij dit Verdrag die tevens partij zijn bij een van de in artikel 48 genoemde Pro Haagse verdragen inzake levensonderhoud, indien de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van dit Verdrag de erkenning en tenuitvoerlegging van een in de staat van herkomst gegeven beslissing voordat dit Verdrag voor die staat in werking trad, beletten, die anders zou zijn erkend en ten uitvoer gelegd krachtens de bepalingen van het verdrag dat van kracht was op het tijdstip waarop de beslissing werd gegeven, zijn de voorwaarden van dat verdrag van toepassing.
3. De aangezochte staat is krachtens dit Verdrag niet gehouden een beslissing of regeling inzake levensonderhoud ten uitvoer te leggen betreffende betalingen die verschuldigd waren voordat het Verdrag tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat in werking is getreden, met uitzondering van onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar.’
3.11
Art. 23 lid 1 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007 verwijst voor de procedure inzake erkenning en tenuitvoerlegging naar het nationale recht van de aangezochte staat. In Nederland is deze procedure geregeld in de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud van 29 september 2011. [13] Art. 5 van Pro deze Uitvoeringswet bepaalt, voor zover thans van belang, het volgende:
‘1. Verzoeken die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud op grond van het verdrag worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn de artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering niet van toepassing.
2. In zaken betreffende de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de persoon jegens wie de erkenning en tenuitvoerlegging wordt gevraagd gewone verblijfplaats heeft of de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de tenuitvoerlegging plaats dient te vinden.
(…).’
3.12
In art. 6 Uitvoeringswet Pro internationale inning levensonderhoud is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:
‘1. De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op een verzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, heeft beschikt, neemt kennis van het rechtsmiddel bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van het verdrag tegen die beschikking.
2. Het in artikel 23, tiende lid, van het verdrag bedoelde toegestane rechtsmiddel is beroep in cassatie.
(…).’
3.13
Het verzoek tot tenuitvoerlegging moet dus worden ingediend bij de voorzieningenrechter, hoger beroep vindt plaats bij de rechtbank, met de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad. De termijnen van hoger beroep en cassatie zijn niet in de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud geregeld, zodat de ‘gewone’ beroepstermijnen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden (drie maanden, zowel voor hoger beroep als cassatie).
3.14
In de
derde plaatsmoet worden vermeld het op 30 mei 2001 gesloten Verdrag NL-VS Levensonderhoud. [14] Dit verdrag is voor beide staten op 1 mei 2002 in werking getreden. Het verdrag heeft (mede) betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen die zijn tot stand gekomen op het grondgebied van een verdragsluitende staat of aldaar zijn erkend (zie art. 1 onder Pro 1, sub b). Art. VII regelt de erkenning en tenuitvoerlegging en bepaalt het volgende:
‘1. Beslissingen inzake levensonderhoud, met inbegrip van zodanige beslissingen die zijn gebaseerd op een vaststelling van het vaderschap, afkomstig uit de Verenigde Staten, worden in het Koninkrijk der Nederlanden erkend en ten uitvoer gelegd voor zover de feiten van de zaak grond opleveren voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig het op 2 oktober 1973 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, als ware dit verdrag van kracht tussen de Partijen.
2. Beslissingen inzake levensonderhoud, met inbegrip van zodanige beslissingen die zijn gebaseerd op een vaststelling van het vaderschap, afkomstig uit het Koninkrijk der Nederlanden, worden in de Verenigde Staten erkend en ten uitvoer gelegd voor zover de feiten van de zaak grond opleveren voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig de Uniform Interstate Family Support Act (Eenvormige wet inzake de inning van levensonderhoud tussen staten van de Verenigde Staten), als ware deze wet van kracht tussen de Partijen.’
Art. VII bepaalt dus dat de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland wordt getoetst aan de criteria van het Haagse Verdrag van 2 oktober 1973 (waarbij de VS geen partij zijn), terwijl in de VS op de erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse onderhoudsbeslissingen de criteria van het Amerikaanse recht, neergelegd in de Uniform Interstate Family Support Act, worden toegepast.
3.15
Art. X Verdrag NL-VS Levensonderhoud regelt de inwerkingtreding en bepaalt in het tweede lid dat dit verdrag van toepassing is op een eventueel reeds gegeven beslissing over levensonderhoud alsmede op levensonderhoud dat op grond van zodanige beslissing verschuldigd is, ongeacht het tijdstip waarop de beslissing is gegeven. Dit betekent dat het verdrag ook van toepassing is op vóór de inwerkingtreding (op 1 mei 2002) gegeven onderhoudsbeslissingen.
3.16
Voor de procedure inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging verwijst art. VIII lid 1 Verdrag NL-VS Levensonderhoud naar het nationale (proces)recht. In Nederland geldt voor dit verdrag geen afzonderlijke uitvoeringswet, zodat art. 985-990 Rv van toepassing zijn. Het verlof tot tenuitvoerlegging moet worden gevraagd aan de rechtbank (art. 985 Rv Pro), hoger beroep moet worden ingesteld bij het gerechtshof binnen één maand na de dag van de bestreden uitspraak (art. 989 Rv Pro). Tegen de beschikking van het hof kan binnen één maand na de dag van de beschikking beroep in cassatie worden ingesteld (art. 990 Rv Pro).
3.17
Aan het einde van dit overzicht meld ik dat bij gebreke van een internationaal instrument, de materie van de tenuitvoerlegging van een onderhoudsbeslissing wordt beheerst door het commune internationaal privaatrecht, te weten art. 431 Rv Pro. In deze zaak heeft de vrouw haar oorspronkelijke verzoek tot tenuitvoerlegging gebaseerd op art. 431 lid 2 Rv Pro, omdat zij van mening was dat tussen Nederland en de VS geen executieverdrag bestaat waarin de materie van de erkenning en tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen is geregeld. [15] Uit mijn overzicht volgt dat in de verhouding tussen Nederland en de VS wel degelijk verdragen van kracht zijn waarin de erkenning en tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen is geregeld. Art. 431 lid 2 komt Pro dus niet voor toepassing in aanmerking.
3.18
De hamvraag is welk verdrag in deze zaak van toepassing is: het Haags Alimentatieverdrag 2007 of het Verdrag NL-VS Levensonderhoud? Uit het hierboven geschetste juridische kader volgt dat het Verdrag NL-VS Levensonderhoud voorrang heeft boven het Haags Alimentatieverdrag 2007. Ik wijs nogmaals op art. 51 lid 1 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007, waarin is bepaald dat dit verdrag onverlet laat alle vóór dit verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende staten partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op de in dit verdrag geregelde aangelegenheden. Het Verdrag NL-VS Levensonderhoud dateert van 30 mei 2001 en is daarmee gesloten vóór de totstandkoming van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Het Verdrag NL-VS Levensonderhoud heeft daarom als ouder verdrag voorrang boven het Haags Alimentatieverdrag 2007.
3.19
In deze zaak geldt dus het Verdrag NL-VS Levensonderhoud voor de erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland, ongeacht of deze beslissingen betrekking hebben op de betaling van bedragen voor levensonderhoud die verschuldigd zijn vóór of na 1 januari 2017 (de datum waarop het Haags Alimentatieverdrag 2007 in werking is getreden voor de VS). In dit verband wijs ik nog op een passage in de MvT behorende bij het voorstel van Wet internationale inning levensonderhoud, waar het volgende is vermeld:
‘Het verdrag [Haags Alimentatieverdrag 2007, A-G] laat verder onverlet alle vóór het verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende partijen partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op in dit verdrag geregelde aangelegenheden (art. 51 verdrag Pro). Zoals hiervoor vermeld is op 30 mei 2001 te Washington tot stand gekomen het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud.
Op Amerikaanse beslissingen die in Nederland dienen te worden erkend en ten uitvoer moeten worden gelegd is het Haags alimentatie-executieverdrag 1973 en op Nederlandse onderhoudsverplichtingen waarvan in de Verenigde Staten erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht is de Interstate Family Support Act, een eenvormige wet, van toepassing. De reden voor dit verschil in toepasselijke regeling is dat de Verenigde Staten geen partij is bij het Haags verdrag van 1973. Wanneer het verdrag voor zowel de Verenigde Staten en Nederland in werking zal zijn getreden, zal dit aanleiding zijn om het bilaterale verdrag te beëindigen.’ [16]
3.2
Anders dan in de laatste zin van dit citaat is vermeld, heeft Nederland – ondanks het feit dat de VS op 1 januari 2017 partij zijn geworden bij het Haags Alimentatieverdrag 2007 – het bilaterale Verdrag NL-VS Levensonderhoud niet beëindigd. De procedure voor beëindiging is geregeld in art. XI Verdrag NL-VS Levensonderhoud en geschiedt bij schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg. Waarom Nederland dit verdrag niet heeft beëindigd, is (mij) niet duidelijk en ik zou de Nederlandse Regering willen oproepen om dit verdrag alsnog te beëindigen. De consequentie van de huidige situatie is dat dit verdrag nog steeds tussen Nederland en de VS van kracht is en dat daaraan in deze zaak toepassing moet worden gegeven. Op grond van art. 26 Weens Pro Verdragenverdrag geldt immers ‘pacta sunt servanda’. In deze zaak kan niet op grond van art. 59 Weens Pro Verdragenverdrag worden aanvaard dat door het sluiten van een later verdrag (het Haags Alimentatieverdrag 2007) het oudere Verdrag NL-VS Levensonderhoud als beëindigd moet worden beschouwd, omdat het latere Haags Alimentatieverdrag 2007 in art. 51 lid 1 juist Pro zelf voorrang verleent aan oudere verdragen.
3.21
De toepassing van het Verdrag NL-VS Levensonderhoud leidt ertoe dat de procedure inzake erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland wordt beheerst door art. 985-990 Rv, omdat een afzonderlijke uitvoeringswet van dit verdrag ontbreekt. De termijnen van hoger beroep en van cassatie zijn dan één maand na de dag van de bestreden uitspraak (art. 989 resp Pro. art. 990 Rv Pro). In deze zaak is de cassatietermijn van één maand van art. 990 Rv Pro overschreden, nog daargelaten dat sprake is van cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank.
3.22
De rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Daarop kan slechts onder bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van apparaatsfouten, een uitzondering worden gemaakt. [17] Van een apparaatsfout is in deze zaak geen sprake.
3.23
Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.24
Bij deze stand van zaken behoeft het middel geen bespreking. Uitsluitend ten overvloede zal ik hierna het middel nog kort bespreken. Ik meen dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel munt niet uit in overzichtelijkheid en valt vaak in herhalingen, ook waar het betreft citaten uit de procestukken in feitelijke instanties. Het middel bestaat uit zeven onderdelen.
Onderdeel Iklaagt over de door het hof en de rechtbank aangenomen rechtsmacht op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv. Het onderdeel betoogt dat de Nederlandse rechter (eerst) rechtsmacht toekomt indien er ten tijde van het indienen van het verzoekschrift (peildatum) voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer is. Nu geen van de partijen in Nederland woont, is die voldoende verbondenheid uitsluitend aanwezig indien en voor zover er voor verhaal vatbare vermogensobjecten in Nederland voorhanden zijn. Volgens het onderdeel is daarvan geen sprake, omdat [A] een vennootschap in liquidatie is, waarin geen vermogensbestanddelen aanwezig zijn, maar slechts een belastingschuld van € 0,5 miljoen, terwijl de balans negatief is.
4.2
Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft, in navolging van de voorzieningenrechter, geoordeeld dat niet relevant is dat [A] in liquidatie is. In het licht van de stellingen van de man, waarnaar het middel verwijst, en de stellingen van de vrouw [18] , moet deze overweging zo worden gelezen dat de rechtbank hiermee heeft bedoeld dat de omstandigheid dat [A] nu (ten tijde
van de beoordelingvan het verzoek) in liquidatie is, niet relevant is. Het relevante peilmoment voor de vaststelling van de rechtsmacht, zoals het middel zelf ook tot uitgangspunt neemt, is het moment dat de vrouw het inleidend verzoekschrift heeft ingediend, op 21 augustus 2018. Dat de man heeft gesteld dat [A] op dat moment reeds in liquidatie was, blijkt niet uit de in het onderdeel genoemde vindplaatsen. Het onderdeel wijst ook op de verklaring van de man tijdens de zitting van de voorzieningenrechter dat de activiteiten van [A] al in 2018 waren beëindigd, dat het bedrijf toen al was verhuisd vanwege de kosten en dat mogelijk toekomstige inkomsten geen basis kunnen vormen voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Uit deze stelling volgt echter niet dat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift [A] géén vermogensbestanddelen in Nederland had of in de toekomst kon verkrijgen. De stelling dat mogelijk toekomstige inkomsten geen basis voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kunnen vormen, gaat mijns inziens uit van een verkeerde rechtsopvatting. [19] Onderdeel I faalt dus.
4.3
Onderdeel IIis gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de man in zijn hoger beroep voor zover dit het verlof tot tenuitvoerlegging betreft van de Amerikaanse beslissingen over de partneralimentatie tot 1 januari 2017. Het hof heeft op dit deel van de partneralimentatie het Verdrag NL-VS Levensonderhoud toegepast en geoordeeld dat het hoger beroep, gelet op art. 989 lid 2 Rv Pro, te laat is ingesteld. De bespreking van dit onderdeel laat ik achterwege in het licht van mijn betoog over de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
4.4
Onderdeel IIIis gericht tegen rov. 6.7 van de beschikking van de rechtbank, waarin de rechtbank (onder meer) het oordeel heeft overgenomen van de voorzieningenrechter in rov. 4.15 van diens beschikking van 30 augustus 2020 dat op grond van art. 4 lid 2 van Pro het Haags Alimentatie-executieverdrag 1973 voorlopige maatregelen worden erkend of uitvoerbaar verklaard in de aangezochte staat indien soortgelijke beslissingen daar kunnen worden gegeven en ten uitvoer worden gelegd, dat dit in Nederland het geval is en dat het voorlopig karakter van de Amerikaanse beslissingen op zichzelf niet aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg staat. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende gemotiveerd is om verschillende in het middel genoemde redenen.
4.5
De verwijzing van de voorzieningenrechter in rov. 4.15 naar art. 4 lid 2 Haags Pro Alimentatie-executieverdrag 1973 betreft de tenuitvoerlegging van de partneralimentatie die verschuldigd was vóór 1 januari 2017, waarop naar het oordeel van de voorzieningenrechter het Verdrag NL-VS Levensonderhoud van toepassing is. De beschikking van de rechtbank heeft echter louter betrekking op het verzoek tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen voor zover die zien op de kinderalimentatie en de partneralimentatie die vanaf 1 januari 2017 verschuldigd is geworden, dat volgens de rechtbank, in navolging van het oordeel van de voorzieningenrechter, valt onder het Haags Alimentatieverdrag 2007 (rov. 1.1). Dáárover heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.15 overwogen dat is voldaan aan het vereiste van art. 20 lid 6 Haags Pro Alimentatieverdrag 2007. Dit artikel bepaalt dat een beslissing alleen wordt erkend wanneer zij in de staat van herkomst effect sorteert, en alleen ten uitvoer wordt gelegd wanneer zij in de staat van herkomst voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Dat aan dit vereiste is voldaan, wordt door het middel niet betwist. Het onderdeel gaat daarom uit van een verkeerde lezing en faalt.
4.6
Onderdeel IVvalt in verschillende subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 6.7 en 6.11 t/m 6.14 van de beschikking van de rechtbank, waarin is geoordeeld dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechter niet in strijd is met de openbare orde in de zin van art. 22, onder a, Haags Alimentatieverdrag 2007. Het onderdeel betoogt in de kern genomen dat de Amerikaanse beslissingen wél met de openbare orde in strijd zijn. De beslissingen voldoen niet aan de minimumvereisten voor motivering, en aan de vereisten van een eerlijk proces, omdat de man in persoon moest verschijnen en hem niet is toegestaan enkel vertegenwoordigd te zijn door zijn advocaat, dan wel via Skype een verklaring af te leggen, aldus het onderdeel.
4.7
In rov. 6.13 heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de gezondheidstoestand van de man eraan in de weg stond om ter zitting te verschijnen van de Amerikaanse rechtbank van 26 januari 2016, die tot de eerste veroordeling van de man wegens ‘contempt of court’ heeft geleid. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 6.14 geoordeeld dat niet is gebleken dat de ‘contempt of court’ beslissingen eraan in de weg hebben gestaan om effectief tegen de onderhoudsbeslissingen op te komen. Hieruit volgt dat rov. 6.13 niet dragend is voor het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de man niet heeft kunnen opkomen tegen de Amerikaanse beslissingen. Van strijd met een eerlijk proces is geen sprake. Hierop stuiten alle klachten van het onderdeel af.
4.8
Onderdeel Vbetoogt dat de vrouw misbruik van procesrecht pleegt, omdat zij door middel van ‘contempt of court’ feitelijk verhindert dat de man bij de Amerikaanse rechter wijziging van de voorlopige onderhoudsbijdrage kan vorderen. De Amerikaanse beslissingen ontzeggen de man effectief de toegang en omgang met het kind en zijn dus in strijd met art. 8 EVRM Pro (recht op
family life), aldus het onderdeel.
4.9
Dit onderdeel bouwt voort op het voorafgaande onderdeel en deelt het lot daarvan.
4.1
Onderdeel VIis gericht tegen rov. 6.11, waarin de rechtbank zich heeft verenigd met de overwegingen van de voorzieningenrechter (in rov. 4.23) op het punt van de door de man ingenomen stelling dat de Amerikaanse rechtbank vooringenomen is geweest. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan tal van stellingen waarop de man zich heeft beroepen.
4.11
De rechtbank heeft zich verenigd met de overwegingen van de voorzieningenrechter dat de Amerikaanse rechtbank de overwegingen inzake de levensstijl van de man niet ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel over de onderhoudsverplichtingen, maar aan de beslissing over het gezag en de omgang. De voorzieningenrechter heeft nog overwogen dat de man met (gedeeltelijk) succes hoger beroep heeft ingesteld bij de Court of Appeal en dat niet is gebleken dat alle beslissingen steeds door dezelfde Amerikaanse rechter zijn genomen. De man heeft in hoger beroep niets nieuws aangevoerd. Zowel de voorzieningenrechter (rov. 4.16-4.20) als de rechtbank (rov. 6.12-6.14) heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de man in de VS niet tegen de alimentatiebeslissingen kon opkomen. Hieruit volgt dat de stelling van de man dat de Amerikaanse rechter vooringenomen was, ongeacht de juistheid daarvan, niet aan de erkenning en/of tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen in Nederland in de weg kan staan. Het onderdeel faalt daarom.
4.12
Het laatste onderdeel – in de procesinleiding abusievelijk genummerd als onderdeel V, terwijl
VIIzal zijn bedoeld – bevat een veegklacht die voortbouwt op de voorafgaande onderdelen. Het onderdeel deelt het lot daarvan.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Trb. 2011, 144 (Franse en Engelse authentieke teksten; Nederlandse vertaling), Trb. 2021, 34.
2.Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, gesloten te Washington op 30 mei 2001, Trb. 2001, 117. Het hof duidt in de bestreden beschikking dit verdrag aan als ‘de Overeenkomst van Washington’.
3.Zie de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6630, rov. 4.1 e.v., waarin wordt verwezen naar de feiten zoals vastgesteld in de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2022:4014. Zie ook rov. 3.1-3.10 van de eveneens in cassatie bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 14 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2947, JPF 2021/148.
4.In rov. 4.11 van de beschikking van de rechtbank van 10 november 2022 is abusievelijk als datum van de beslissing van de Amerikaanse rechtbank 4 februari 2022 vermeld.
5.Deze beschikking is opgenomen in het procesdossier van de man, productie 8 van de stukken in eerste aanleg. Zie ook rov. 4.2 van de in cassatie bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 14 september 2021.
6.Wet van 29 september 2011, Stb. 2011, 460 (nadien gewijzigd).
7.Op 5 januari 2023 heeft de griffie van de Hoge Raad een gecorrigeerde versie van de procesinleiding ontvangen.
8.Zie o.a. Van der Wiel, Cassatie 2019/145; Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 337 Rv Pro, aant. 6 (Van Geuns & Jansen).
9.Zie bijv. HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1099, NJ 2018/430, m.nt. L. Strikwerda. Meer in het algemeen over stapeling van instrumenten: P. Vlas, ‘Gestapeld recht’, afscheidsrede VU 2022, WPNR 2023/7369, p. 353-362.
10.Zie PbEU 2009, L 7/1 (met rectificaties in PbEU 2009, L 131/26 en PbEU 2013, L 8/19) en PbEU 2018, L 314/36. Zie voor het overgangsrecht art. 75 Alimentatieverordening.
11.Trb. 1974, 86.
12.Trb. 1959, 187.
13.Wet tot uitvoering van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (PbEU 2011, L 192/51) en van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebeid van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1), Stb. 2011, 460 (nadien gewijzigd).
14.De tekst van het verdrag met toelichtende nota is ook opgenomen in: Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, onderdeel N (P. Vlas).
15.Zie verzoekschrift ex art. 431 Rv Pro, onder 12, p. 4, zoals opgenomen in het procesdossier, productie 1 van de stukken in eerste aanleg.
16.Kamerstukken II, 2010-2011, 32 617, nr. 3 (MvT), p. 24-25.
17.Zie HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/89.
18.Zie o.a. de verklaring van de advocaat van de vrouw in het proces-verbaal van Skype-behandeling van het verzoekschrift bij de voorzieningenrechter gehouden op 19 mei 2020, p. 3: ‘De man verklaart nu dat de onderneming in liquidatie is, maar voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is de situatie in augustus 2018 van belang en niet de huidige situatie.’
19.Vgl. Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, ‘Advies herziening van artikel 431 Rv Pro inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag en verordening’, 21 februari 2023, te raadplegen op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2023/02/21/advies-herziening-van-artikel-431-rv-inzake-de-erkenning-en-tenuitvoerlegging-van-buitenlandse-civielrechtelijke-vonnissen-buiten-verdrag-en-verordening. De Staatscommissie heeft onder meer opgemerkt: ‘De verzoeker dient te stellen (en aannemelijk te maken) dat een voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat om alhier tenuitvoerlegging te kunnen verzoeken. Een dergelijke band met de Nederlandse rechtssfeer zal in de regel erin bestaan dat vermogen in Nederland aanwezig is, dan wel in de toekomst zal zijn. Voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer kan immers ook bestaan in mogelijk toekomstige in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen (bijvoorbeeld een schip dat in aantocht is, vergelijk artikel 728 lid 1 Rv Pro).’