Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Civil District Court for the Parish of Orleans, State of Louisiana, Division ‘D’(hierna: de Amerikaanse rechtbank) is de echtscheiding uitgesproken.
Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
eerste plaatsvermeld ik voor de volledigheid dat op 18 juni 2011 van toepassing is geworden Verordening (EU) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. [10] De Alimentatieverordening regelt in hoofdstuk IV de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen die onder deze verordening vallen (art. 16). De term ‘beslissing’ wordt in art. 1, onder 1, Alimentatieverordening gedefinieerd als ‘een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, ongeacht de daaraan gegeven benaming, (…)’. De verordening regelt dus de erkenning en tenuitvoerlegging van
in lidstatengegeven beslissingen. In deze zaak gaat het om erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gewezen in een derde staat (de VS), zodat de Alimentatieverordening hierop niet van toepassing is.
tweede plaatsis op 23 november 2007 in het kader van de Haagse Conferentie voor het Internationaal Privaatrecht tot stand gekomen het Haags Alimentatieverdrag 2007. Dit verdrag is voor Nederland en de andere lidstaten van de EU in werking getreden op 1 augustus 2014. Voor de VS is het verdrag op 1 januari 2017 in werking getreden. Art. 2 bepaalt Pro het materiële toepassingsgebied van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Hoofdstuk V (art. 19 e.v.) ziet op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen. Krachtens art. 20 lid 1 wordt Pro een beslissing die is gegeven in een verdragsluitende staat (‘de staat van herkomst’) in de andere verdragsluitende staten erkend en tenuitvoergelegd indien aan een van de in dit artikellid genoemde voorwaarden is voldaan. Art. 22 vermeldt Pro de gronden voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging, waaronder de grond dat erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte staat (art. 22, onder a).
derde plaatsmoet worden vermeld het op 30 mei 2001 gesloten Verdrag NL-VS Levensonderhoud. [14] Dit verdrag is voor beide staten op 1 mei 2002 in werking getreden. Het verdrag heeft (mede) betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen die zijn tot stand gekomen op het grondgebied van een verdragsluitende staat of aldaar zijn erkend (zie art. 1 onder Pro 1, sub b). Art. VII regelt de erkenning en tenuitvoerlegging en bepaalt het volgende:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iklaagt over de door het hof en de rechtbank aangenomen rechtsmacht op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv. Het onderdeel betoogt dat de Nederlandse rechter (eerst) rechtsmacht toekomt indien er ten tijde van het indienen van het verzoekschrift (peildatum) voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer is. Nu geen van de partijen in Nederland woont, is die voldoende verbondenheid uitsluitend aanwezig indien en voor zover er voor verhaal vatbare vermogensobjecten in Nederland voorhanden zijn. Volgens het onderdeel is daarvan geen sprake, omdat [A] een vennootschap in liquidatie is, waarin geen vermogensbestanddelen aanwezig zijn, maar slechts een belastingschuld van € 0,5 miljoen, terwijl de balans negatief is.
van de beoordelingvan het verzoek) in liquidatie is, niet relevant is. Het relevante peilmoment voor de vaststelling van de rechtsmacht, zoals het middel zelf ook tot uitgangspunt neemt, is het moment dat de vrouw het inleidend verzoekschrift heeft ingediend, op 21 augustus 2018. Dat de man heeft gesteld dat [A] op dat moment reeds in liquidatie was, blijkt niet uit de in het onderdeel genoemde vindplaatsen. Het onderdeel wijst ook op de verklaring van de man tijdens de zitting van de voorzieningenrechter dat de activiteiten van [A] al in 2018 waren beëindigd, dat het bedrijf toen al was verhuisd vanwege de kosten en dat mogelijk toekomstige inkomsten geen basis kunnen vormen voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Uit deze stelling volgt echter niet dat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift [A] géén vermogensbestanddelen in Nederland had of in de toekomst kon verkrijgen. De stelling dat mogelijk toekomstige inkomsten geen basis voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kunnen vormen, gaat mijns inziens uit van een verkeerde rechtsopvatting. [19] Onderdeel I faalt dus.
family life), aldus het onderdeel.
VIIzal zijn bedoeld – bevat een veegklacht die voortbouwt op de voorafgaande onderdelen. Het onderdeel deelt het lot daarvan.