Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De erkenning wordt vermoed in overeenstemming met de waarheid te zijn dat de erkenner ook de verwekker is van het kind. Dat neemt niet weg dat een niet-verwekker het kind zal kunnen erkennen. Maar een dergelijke erkenning staat bloot aan de mogelijkheid van vernietiging.
Het wetsvoorstel en concurrerende aanspraken op ouderschap
Wil de bepaling enige reële betekenis hebben dan moet voldoende zijn, dat de man toestemming geeft tot een daad, die verwekking van een kind tot gevolg kan hebben, dat wil zeggen, die geschikt is om tot verwekking te leiden. Toestemming tot overspel valt onder de bepaling,ook al bindt de man daaraan de door de geachte afgevaardigde zo duidelijk geschetste voorwaarden. Toestemming tot bezoek met een vriend aan een biscoop valt echter niet onder de bepaling, omdat gezamenlijk kijken naar een film geen kinderen geboren doet worden en die toestemming zich gewoonlijk niet zal uitstrekken tot het nog eens naspelen van alle toepasselijke scènes uit de film.
Wij moeten het aan de rechter overlaten, of kan worden aangenomen dat de man toch de vader van het kind is. Dit zal altijd een bewijs zijn van nevenomstandigheden. Nogmaals, een reis naar de Rivièra en zelfs naar de Spaanse kust, die meer in trek is, is op zich zelf niet voldoende, al komen de kindertjes wel van de ooievaar, dus uit het zuiden.” [23]
In de wet is deze instemming zo ruim mogelijk geformuleerd om ervoor te zorgen dat daaronder zowel valt de instemming met geslachtsgemeenschap door de vrouw met een andere man als bij voorbeeld ook de instemming met kunstmatige donorinseminatie of met in vitro fertilisatie met gebruikmaking van donorzaad.In de praktijk zal het niet gaan om een zo ruime instemming als nodig voor een goede wettelijke omschrijving, maar om een instemming met hetzij kunstmatige donorinseminatie, hetzij in vitro fertilisatie met gebruikmaking van donorzaad hetzij met geslachtsgemeenschap met een andere man.
In de praktijk zal met andere woorden de instemming steeds op een bepaalde vorm van bevruchting anders dan door de man zelf betrekking hebben.In het door de heer Vlaardingerbroek gegeven voorbeeld betreft het de instemming van de man met kunstmatige donorinseminatie, dus geen instemming met gemeenschap met een andere man in het conceptietijdvak. Daaraan is de man dan ook niet gebonden. De vraag of de vrouw dit gegeven niet mag verzwijgen, is naar mijn oordeel van een andere orde. Dat is een kwestie die speelt in de onderlinge relatie.
Als dit tijdstip is gelegen vóór de datum van overlijden van de duomoeder, wordt aangenomen dat zij betrokken is geweest bij de beslissing over de kunstmatige donorbevruchting van de moeder.Verondersteld wordt dat de intentie van de beide vrouwen het gezamenlijke ouderschap was. Het tijdstip waarop de kunstmatige bevruchting is verricht is tot op de dag nauwkeurig vast te stellen en doet daardoor zo veel mogelijk recht aan de feitelijke situatie.” [28]
wanneer juridisch gezien sprake is van «instemming» met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.De instemming is juridisch relevant, indien zij ziet op het doel waarvoor zij gegeven wordt, namelijk de verwekking van een kind met het zaad van een andere man dan de echtgenoot of levensgezel dan de moeder. Deze instemming hoeft niet op schrift gesteld te zijn, maar kan achteraf bij voorbeeld door middel van getuigen bewezen worden. Aangezien meestal pas achteraf de noodzaak blijkt de destijds geuite instemming aan te tonen, is het wel aan te bevelen om de instemming op schrift te stellen. Het gaat mijns inziens te ver om aan de instemming de voorwaarde te verbinden dat deze schriftelijk is geschied. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat het vaderschap op verzoek van bij voorbeeld het kind niet gerechtelijk kan worden vastgesteld, enkel omdat destijds de instemming (die er wel was) niet op schrift is gezet.” [32]
De moeders kiezen samen voor een kind en de hierbij horende verantwoordelijkheid.Zij kunnen zich hieraan, met name gelet op het belang van het kind, niet onttrekken.” [33]
Verondersteld mag worden dat de geboortemoeder en haar levensgezel samen het traject zijn ingegaan om een zwangerschap tot stand te brengen en beiden daarmee de bereidheid hebben getoond de ouderrol op zich te nemen.Ongeacht het antwoord op de vraag of de relatie inmiddels is verbroken, behoort de instemmende levensgezel de mogelijkheid te hebben om het ouderschap over het kind te aanvaarden. De instemmende levensgezel is in dit geval niet de genetische ouder van het kind. Dit brengt met zich dat mogelijkerwijs een keuze moet worden gemaakt over wie voorrang krijgt voor aanvaarding van het ouderschap, de instemmende levensgezel of een andere persoon, zoals een nieuwe levensgezel van de geboortemoeder of de donor. De Staatscommissie is van oordeel dat in zijn algemeenheid niet kan worden aangegeven met wiens aanvaarding van het ouderschap het belang van het kind het beste wordt gediend. De afweging van alle omstandigheden dient aan de rechter te worden overgelaten. De rechter zal bij die afweging de belangen van het kind voorop moeten stellen en deze dienen af te wegen tegen de belangen van de persoon of personen die de ouderrol op zich wil(len) nemen. Een voorkeurspositie is hierbij niet aan de orde. De Staatscommissie adviseert daarom om het huidige in de wet (artikel 1:204 lid 4 BW Pro) opgenomen criterium dat de rechter een verzoek van de instemmende levensgezel tot vervangende toestemming voor aanvaarding van het ouderschap toewijst als hij oordeelt dat dit in het belang van het kind is, te handhaven.” [34]
beiden ervoor kozen om een kind te willen krijgen, behoren zij beiden aan de getoonde bereidheid te kunnen worden gehouden. Dit heeft tot gevolg dat, als de moeder of het kind een verzoek doet tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de verwekker van het kind, dit verzoek wordt toegewezen, tenzij de rechter oordeelt dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet in het belang van het kind is.
In de praktijk betekent dit dat de aanstaande geboortemoeder en de levensgezel samen een vruchtbaarheidstraject zijn ingegaan, dat is uitgemond in kunstmatige inseminatie met donorsperma.Vervolgens blijkt dat de levensgezel niet in staat is het kind te erkennen – bijvoorbeeld omdat hij of zij is overleden – of weigert het kind te erkennen. Dit laatste zal zich vooral voordoen als de relatie met de geboortemoeder intussen is beëindigd. De Staatscommissie acht het in de rede liggen dat de juridische betrekkingen zoals men die voor ogen had, alsnog kunnen worden bereikt en het ouderschap aldus door de rechter moet kunnen worden vastgesteld.”
- Toen bleek dat de moeder zwanger was, zond de moeder een appje aan de vrouw om haar te feliciteren met het feit dat ze moeder wordt, waarop de vrouw reageert: ‘jij dan ook’;
- De vrouw stond als partner bij de verloskundige geregistreerd;
- De vrouw heeft – in overleg met de moeder – de naam van het kind gekozen;
- Partijen hebben samen het geboortekaartje uitgezocht waarop zowel de vrouw als de moeder als moeder genoemd werden;
- Het kind is in aanwezigheid van de vrouw geboren;
- De vrouw heeft het kind bij de gemeente aangegeven;
- De buitenwereld ging er vanuit dat de vrouw en de moeder samen moeder waren;
- Beide partijen spraken over
onzedochter.