Conclusie
(hierna:
[eiser])
(hierna:
DOC Kaas)
In cassatie klaagt [eiser] onder meer dat in hoger beroep, inzake de verrekening van het melkgeld met de transactiesom, niet een primaire maar een subsidiaire vordering van hem had moeten worden toegewezen (tot een hoger bedrag). Ik zie het principale cassatieberoep van [eiser] alleen op dit punt slagen.
1.Feiten
arrest). [1]
Milchprodukte). [eiser] was in deze periode geen lid van de zuivelcoöperatie.
Statuten) en haar huishoudelijk reglement.
transactiesom). Aan [eiser] zijn in dat verband eind april 2016 en eind juli 2016 tranches van de transactiesom betaald, in totaal € 109.849,75.
HR) een art. 11 opgenomen Pro, waarvan lid 4 luidt:
pachter). DOC Kaas heeft geen (ook later niet) toestemming aan deze verpachting gegeven. De pachtconstructie is wegens de gezondheidstoestand van de pachter beëindigd.
[A]), een aan de Duitse zuivelcoöperatie DMK gelieerde vennootschap.
VR Bank) en [A] . Deze beslagen zijn op 15 januari 2020 opgeheven.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
tussenvonnis) heeft de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de
rechtbank) de zaak verwezen naar de rol van 30 januari 2019, voor een door [eiser] te nemen akte ter verduidelijking van hetgeen zijn advocaat ter zitting heeft aangevoerd over “de verschuldigdheid van de transactievergoeding”. Waarbij [eiser] zich tevens mag uitlaten of dat standpunt gevolgen heeft voor de gevorderde bedragen.
hof) een meervoudige mondelinge behandeling gelast. [7]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel van [eiser]
Kon DOC Kaas in redelijkheid het lidmaatschap van [eiser] opzeggen?(…)
5.18 Gelet op dit een en ander komt ook het hof tot het oordeel dat DOC Kaas in redelijkheid heeft kunnen besluiten het lidmaatschap van [eiser] van de coöperatie met onmiddellijke ingang te beëindigen. De
grieven 2 tot en met 7 van [eiser]falen derhalve. Om die reden zijn de
vorderingen I en V van [eiser]niet toewijsbaar.
grieven 8 en 9 van [eiser]en zal DOC Kaas worden veroordeeld tot betaling van wat ten onrechte is verrekend, zij het binnen de grenzen van wat in hoger beroep met
vordering IIis gevorderd. Ter toelichting hierop merkt het hof op dat weliswaar
vordering VIeen hoger bedrag vermeldt, maar vanwege het subsidiaire karakter van die vordering wordt aan toewijzing daarvan door het hof niet toegekomen. Het hof dient immers op de voet van artikel 23 Rv Pro de rangorde van de vorderingen, zoals die aan hem is gepresenteerd, in acht te nemen. Nu de coöperatieve lidmaatschapsverhouding tussen [eiser] en DOC Kaas de grondslag vormt voor het gevorderde en een dergelijke verhouding in een zaak als de onderhavige naar het oordeel van het hof mede onder de reikwijdte van het begrip ‘handelsovereenkomst’ kan worden geschaard, zal over het toe te wijzen bedrag de wettelijke handelsrente worden toegewezen.
7.De beslissing
ookVordering II. van [eiser] had moeten afwijzen, nu het hof in rov. 5.18 van het arrest tot de slotsom komt dat DOC Kaas in redelijkheid heeft kunnen besluiten het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang te beëindigen en dat de grieven 2-7 van [eiser] falen. De primaire grondslag van [eiser] vorderingen ziet op de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit. Bij het slagen van zijn stellingen (grieven 2-7) dat het opzeggingsbesluit van 15 november 2016 nietig dan wel vernietigbaar is, moet [eiser] geacht worden lid te zijn gebleven van DOC Kaas. In dat geval is [eiser] “noch een uittreedvergoeding noch de transactievergoeding verschuldigd”, heeft DOC Kaas die vergoedingen ten onrechte verrekend met zijn melkgeld, en heeft [eiser] alleen aanspraak op het per die datum opeisbare melkgeld (overschot), derhalve het bedrag dat is vermeld in Vordering II. Nu de grieven 2-7 falen, had het hof Vordering II. moeten afwijzen.
primairevorderingen van [eiser] kenbaar betrekking hebben op de situatie waarin het opzeggingsbesluit nietig is of vernietigd wordt en hij aldus lid van DOC Kaas is gebleven, [20] terwijl (ii) zijn
subsidiairevorderingen juist kenbaar betrekking hebben op het geval dat zijn lidmaatschap door het opzeggingsbesluit tot een einde is gekomen. [21] , [22]
€ 109.849,75, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016 tot aan de dag van volledige betaling.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel van DOC Kaas
subonderdeel 1.1.
vermogensrechtelijkeverplichtingen van leden in genoemde hoedanigheid, is op de voet van art. 2:34a BW steeds een statutaire basis vereist. [49] In de woorden van Rensen: [50]
subonderdeel 1.2.
eerste rechtsklacht.
Althans, voor zover het hof zijn oordeel mede heeft gegrond op het feit dat DOC Kaas de aanblijfbonus heeft verrekend met verschuldigd melkgeld en de afrekening van de melk geldt als handelsovereenkomst, heeft het hof miskend dat de wijze waarop een coöperatie en haar leden (althans DOC Kaas en [eiser] ) in hun onderlinge bijzondere verhouding geleverde melk vergoeden, primair wordt gereguleerd in die lidmaatschapssfeer binnen de coöperatie, hetgeen zich in dit geval vertaalt in de omstandigheid dat de te leveren kwaliteit van de melk, de hoogte van de prijs en hoe hiervoor moet worden betaald, worden gereguleerd door de Statuten en het HR, en de 'Leveringsvoorwaarden 2016', zodat wettelijke handelsrente niet van toepassing is. Dit is de
tweede rechtsklacht.
nietkwalificeert als een handelsovereenkomst, het hof heeft miskend dat het dit zelfstandig c.q. ambtshalve moest beoordelen voordat het de gevorderde wettelijke handelsrente kon toewijzen. Dit is de
rechtsklacht.
Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel dat sprake is van een handelsovereenkomst onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu niet valt in te zien hoe in de gegeven omstandigheden tot die conclusie zou kunnen worden gekomen. In het bijzonder ook omdat het hof zelf heeft onderkend dat de terugbetalingsverplichting van de aanblijfbonus voortvloeit uit het lidmaatschap (zie rov. 5.21). Dit is de
motiveringsklacht.
de factoniet gaat over de betaling van melkgeld, maar om de betaling van de aanblijfbonus. Het gaat in deze zaak materieel immers over de vraag of de aanblijfbonus alsnog moet worden uitgekeerd, niet om de betaling voor geleverde melk. Aangezien, zoals het hof zelf heeft overwogen “in de hoofdzaak”, [55] de aanblijfbonus is toegezegd in verband met de fusie en deze als zodanig geen verband houdt met de uitvoering van een handelsovereenkomst, is het oordeel van het hof in rov. 5.22 onvoldoende begrijpelijk dat wettelijke handelsrente verschuldigd is over de aanblijfbonus.
subonderdeel 2.1.
eerste rechtsklachten de
tweede rechtsklachtin het subonderdeel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij lopen vast.
handelsrente. De hoogte ervan is 8% plus de door de Europese Centrale Bank vastgestelde herfinancieringsrente (art. 6:120 lid 2 BW Pro). Deze is nu (8% + 4% =) 12% per jaar. Het dubbele dus van de vigerende ‘reguliere’ wettelijke rente.
HvJ EU). [62] Zoals A-G Hartlief onlangs constateerde, [63] heeft het HvJ EU in zijn recente rechtspraak meermaals overwogen dat de definitiebepaling van ‘handelstransactie’ “moet worden gelezen in het licht van de overwegingen 8 en 9 van deze richtlijn, waaruit blijkt dat deze van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties, met inbegrip van betalingen tussen particuliere ondernemingen, en met uitsluiting van transacties met consumenten en andere soorten betalingen”. Waaruit “volgt dat artikel 1, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/7, de werkingssfeer van deze richtlijn zeer ruim omschrijft”. [64]
subonderdeel 2.2.
subonderdeel 2.3.
rechtsklachtin het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Het hof komt immers in rov. 5.22 tot het oordeel dat over het bedrag van Vordering II. de - ook door [eiser] gevorderde - wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW van toepassing is, niet omdat DOC Kaas voor het tegendeel onvoldoende (gemotiveerd) heeft gesteld, maar omdat het hof zelf meent dat in de gegeven omstandigheden de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW ter zake inderdaad van toepassing is.
motiveringsklachtin het subonderdeel strandt in het voetspoor van subonderdelen 2.1-2.2. Zie onder 4.10-4.14.1 hiervoor. Overigens ziet de in rov. 5.21, voorlaatste zin van het arrest bedoelde (terug)betalingsverplichting op iets anders dan een door DOC Kaas aan [eiser] niet betaald, maar wel te betalen bedrag aan melkgeld voor aan haar geleverde melk, waarop het bestreden oordeel in rov. 5.22 wel betrekking heeft. Te weten de uit het lidmaatschap voortvloeiende verbintenis om de ontvangen transactiesom terug te betalen als het lid stopt met het leveren van melk aan de coöperatie. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 2.4.
betaling van de transactiesomis “toegezegd in verband met de fusie” en “als zodanig geen verband [houdt] met een uitvoering van een handelsovereenkomst, in de zin van een specifieke levering van melk”. [69] Dit behoeft geen verdere toelichting.