Conclusie
1.Feiten
NOTARIËLE AKTE VAN LEVERING
Artikel A.16
de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] , A-G] feitelijk méér voor de aangekochte cultuurgrond binnen het plangebied heeft betaald dan € 6,-/m2, te weten € 7,34/m2; (…).” [6]
2.Feiten en procesverloop
Eerste aanleg
binnen 5 jaar na datum passering transportakte”(hierna: ‘de referentieperiode’), terwijl tussen de gemeente en [betrokkene 1] een hoger bedrag dan € 6 per m2 is overeengekomen. In dat verband is volgens [eiseres] van belang dat de gemeente aan [betrokkene 1] – in ruil voor percelen grond van die laatste – percelen grond heeft geleverd die méér waard waren dan waarvan in de overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1] is uitgegaan, zodat [betrokkene 1] meer dan € 6 per m2 heeft ontvangen.
althans 7 november 2016”.
I.
ten bedrage van € 255.755,--althans tot het doen van een zodanige nabetaling als uw rechtbank [
bedoeld zal zijn: gerechtshof, A-G] in goede justitie mocht vermenen dat behoort, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 27 mei 2006, althans 17 oktober 2012, althans 23 juni 2016, dan wel 7 november 2016 tot aan die der algehele voldoening.
ten bedrage van € 200.405,10althans tot het doen van een zodanige nabetaling als uw rechtbank [
bedoeld zal zijn: gerechtshof, A-G] in goede justitie mocht vermenen dat behoort, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 13 mei 2008, althans vanaf 17 oktober 2012, althans vanaf 23 juni 2016, dan wel vanaf 7 november 2016 tot aan die der algehele voldoening.
verkocht” hoger is dan € 3,06 per m2 en dat de gemeente onvoldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de concrete bepaling van het bedrag dat de gemeente meer heeft betaald dan de overeengekomen € 6,00 per m2, te weten € 1,34 per m2 (rov. 6.11.). In rov. 6.12. van het eindarrest heeft het hof overwogen dat de grieven 1 tot en met 9 van [eiseres] slagen, het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de primaire vordering van [eiseres] alsnog zal worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke handelsrente
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
[o]nder handelsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.” De vraag die moet worden beantwoord, is of de koopovereenkomst tussen [eiseres] en de gemeente een handelsovereenkomst is.
transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. Het HvJ EU heeft in zijn recente rechtspraak meermaals overwogen dat deze definitiebepaling “
moet worden gelezen in het licht van de overwegingen 8 en 9 van deze richtlijn, waaruit blijkt dat deze van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstansacties, met inbegrip van betalingen tussen particuliere ondernemingen, en met uitsluiting van transacties met consumenten en andere soorten betalingen” en dat daaruit “
volgt dat artikel 1, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/7, de werkingssfeer van deze richtlijn zeer ruim omschrijft”. [23] Dit brengt volgens het HvJ EU mee dat een transactie aan twee voorwaarden moet voldoen om te worden aangemerkt als ‘handelstransactie’: (i) de transactie wordt verricht tussen ‘ondernemingen’ of tussen ‘ondernemingen’ en overheidsinstanties en (ii) de transactie leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding. [24]
Nemec/Republika Slovenijavan het HvJ EU uit 2016 [25] volgt met betrekking tot voorwaarde (i) dat de transactie
als ondernemingmoet worden aangegaan. [26] Die Sloveense zaak betrof een persoon die een vergunning hield om als zelfstandige werkzaam te zijn op het gebied van de bouw van mechanische onderdelen en lasonderdelen en met de vrijwillige brandweer een overeenkomst had gesloten voor de verhuur aan deze laatste van een tankwagen voor watertransport bij droogte. [27] Het HvJ EU benadrukte dat voor de kwalificatie ‘handelstransactie’ als bedoeld in Richtlijn 2011/7/EU niet volstaat dat een persoon een transactie sluit die
verband houdtmet een economische activiteit. [28] Van een handelstransactie is alleen sprake indien een overeenkomst een transactie betreft die wordt aangegaan
in de uitoefening van een(maar niet noodzakelijkerwijs de voornaamste) gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit van een onderneming (als bedoeld in art. 2, aanhef en onder 3, van Richtlijn 2011/7/EU). [29] Volgens het HvJ EU geldt dat “
[o]m te bepalen of een persoon(…)
in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit handelt en of bijgevolg de door hem gesloten transacties handelstransacties in de zin van die bepaling zijn,(…)
alle betrokken omstandigheden in de beschouwing[moeten]
worden betrokken.” [30] Het is de vraag of dit meebrengt dat de transactie is aangegaan ‘in het kader van de normale bedrijfsuitoefening’. In 2018 meende ik dat dit te restrictief is. [31] Gelet op het voorgaande zie ik dat nu niet wezenlijk anders, met dien verstande dat de transactie dus wél moet zijn aangegaan “
in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit”.
subonderdeel 1.1klaagt [eiseres] dat het hof heeft miskend dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst een handelstransactie is “
als bedoeld in de zin van de Richtlijnen” (ik lees: Richtlijn 2000/35/EG en Richtlijn 2011/7/EU) en (dus) een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW. De ruime formulering van deze definitie beoogt iedere beperking naar object van de handelsovereenkomst uit te sluiten en bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een handelstransactie in de zin van de Richtlijn moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Het hof heeft met diens beslissing deze criteria en de reikwijdte van de begrippen handelstransactie en handelsovereenkomst, zoals die onder meer volgen uit het door het hof aangehaalde arrest
Nemec/Republika Slovenija, miskend, aldus [eiseres] . Reeds het enkele in cassatie vaststaande feit dat de onderhavige transactie betrekking heeft op de verkoop van gronden door haar die zij in het kader van haar onderneming in gebruik had, duidt er, anders dan het hof kennelijk van oordeel is, op dat er sprake was van een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW. [eiseres] verkocht immers, naar in cassatie als vaststaand heeft te gelden, cultuurgrond, schuren, stallen en een agrarische bedrijfswoning. [32] Het hof heeft derhalve hetzij miskend dat sprake was van een overeenkomst op basis waarvan onroerende zaken werden geleverd in het kader van de uitoefening van het bedrijf van [eiseres] , hetzij diens beslissing dat [eiseres] onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan tot het oordeel gekomen kan worden dat zij heeft gehandeld in het kader van een gestructureerde en duurzame beroepsmatige of bedrijfsmatige economische activiteit onvoldoende gemotiveerd, zo betoogt [eiseres] .
Subonderdeel 1.2klaagt dat voor zover het hof bij diens in dit onderdeel bestreden beslissing belang heeft gehecht aan het feit dat het ging om een eenmalige verkoop van onderdelen van het bedrijf van [eiseres] heeft het hof miskend “
dat het eenmalige karakter, c.q. het feit dat het gaat om een incidentele overeenkomst” er niet aan afdoet dat sprake was van een handelstransactie.
subonderdeel 1.3, in het licht van de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden dat partijen een voortzetting door middel van eenmalige verpachting overeenkwamen, waarbij [eiseres] opmerkt dat een dergelijke verpachting naar haar aard bedrijfsmatig is, nu uit de wettelijke definitie van pacht (art. 7:311 en Pro 7:312 BW) voortvloeit dat het gaat om een bedrijfsmatige exploitatie ter uitoefening van de landbouw en dat [eiseres] en de gemeente de verkoop opschortten voor een fiscaal akkoord. [33] Het hof heeft in rov. 6.13. van zijn eindarrest weliswaar overwogen dat er onder meer afspraken van fiscale aard waren gemaakt, maar het hof heeft niet toegelicht waarom dat (mede gelet op de overige door [eiseres] aangevoerde omstandigheden die het hof bij diens beoordeling diende te betrekken [34] ) onvoldoende is om de transacties als een handelstransactie aan te merken, zodat de beslissing van het hof in zoverre onbegrijpelijk is.
[eiseres] (…) onvoldoende feiten en omstandigheden[heeft]
gesteld op grond waarvan tot het oordeel gekomen kan worden dat zij heeft gehandeld in het kader van een gestructureerde en duurzame beroepsmatige of bedrijfsmatige economische activiteit” wordt niet onbegrijpelijk als acht wordt geslagen op wat [eiseres] in randnummer 7.78. van haar memorie van grieven naar voren heeft gebracht. Het hof heeft met dat oordeel mijns inziens ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens mij heeft [eiseres] met de “
voortzetting door eenmalige verpachting” op het oog dat de overeenkomst tussen [eiseres] en de gemeente niet alleen een koopovereenkomst is, maar tevens een pachtovereenkomst waarbij de gemeente geldt als verpachter en [eiseres] als pachter. Artikel 12.3 van de koopovereenkomst [35] bevat dat de koper (de gemeente dus) zal meewerken aan een voortgezet gebruik “
enkel en alleen ten behoeve van de verkoop van [het] melkquotum door verkoper en/of ontkoppeling van de melkpremie(…)” en dat dit voortgezet gebruik uiterlijk 31 december 2007 zal zijn beëindigd. Artikel 20 van Pro de koopovereenkomst bevat een uitwerking hiervan. Daarom is de overeenkomst tussen [eiseres] en de gemeente een handelsovereenkomst, zo begrijp ik [eiseres] . Het is mijns inziens echter geen miskenning van art. 6:119a BW en ook niet onbegrijpelijk dat het hof weinig gewicht heeft gehecht aan deze ‘verpachting’, die op zichzelf ook niet meebrengt dat de verkoop en levering van de percelen grond (en andere onroerende zaken)
dusis aangegaan in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit. Verder verwijst [eiseres] naar een opschortende voorwaarde in artikel 15A1 van de koopovereenkomst, maar het is mij volstrekt onhelder wat zij daaraan nu precies heeft ontleend en waarom het hof daaraan niet de juiste betekenis of het juiste gewicht heeft gehecht.
subonderdeel 2.1wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat verzuim zonder ingebrekestelling intrad, omdat de voor voldoening in de koopovereenkomst bepaalde termijn was verstreken zonder dat de verbintenis is nagekomen. De beslissing van het hof dat niet uit de koopovereenkomst blijkt dat daarin een termijn is opgenomen waarbinnen de nabetaling moet zijn voldaan, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Door [eiseres] is immers aangevoerd dat de koopovereenkomst bepaalt dat het verschil zal worden nabetaald als koper een hoger bedrag overeenkomt en niet valt in te zien waarom dat niet een concrete betalingsverplichting oplevert. Dat geldt in het bijzonder nu [eiseres] erop heeft gewezen dat de Gemeente het bedrag moest “
voldoen bij het ondertekenen”, derhalve bij ondertekening van de “
koopakte” met [betrokkene 1] , dus op 27 mei 2006, aldus [eiseres] . [eiseres] verwijst naar randnummer 2.3 van de dagvaarding in eerste aanleg en randnummer 7.79. van de memorie van grieven, waar wordt verwezen naar artikel 4.2 van de koopovereenkomst (tussen [eiseres] en de gemeente).
bij het ondertekenen van de akte van levering”. [36] Deze bepaling kan het betoog van [eiseres] echter onmiskenbaar niet dragen, zodat het geenszins onbegrijpelijk is dat het hof dat betoog heeft verworpen. Ten eerste ziet artikel 4 van Pro de koopovereenkomst, zo meen ik, evident op de betaling van de koopprijs, die volgens artikel 4.2 bij het ondertekenen van de akte van levering moet worden voldaan. Het is in het algemeen moeilijk denkbaar dat partijen hebben bedoeld dat op dat moment aan een nabetalingsverbintenis moet worden voldaan, gelet op de termijn waarbinnen een nabetalingsvordering kan ontstaan (te weten binnen vijf jaar na het passeren van de transportakte [37] ). Ten tweede is in het licht van de tekst van artikel 4.2 van de koopovereenkomst simpelweg niet te volgen wat [eiseres] bedoelt met “
“voldoen bij het ondertekenen”, derhalve bij ondertekening van de “koopakte” met [betrokkene 1] en op 27 mei 2006”. De tekst van artikel 4.2 van de koopovereenkomst biedt daarvoor immers geen enkel aanknopingspunt. Dat betekent niet dat de tekst heilig is, wel dat het bij gebreke van verdere toelichting zeker geen verbazing wekt dat het hof dit betoog van [eiseres] met een paar woorden (“
het hof[is]
van oordeel dat niet uit de koopovereenkomst blijkt dat daarin een termijn is opgenomen binnen welke termijn de nabetaling moet zijn voldaan in geval van het ontstaan van de nabetalingsverplichting”) heeft afgedaan.
het arrest ex art. 31 Rv Pro” (zie randnummer 2.10 hiervoor). Voor zover het hof de stelling van [eiseres] dat de brief van 3 oktober 2012 als een ingebrekestelling moet worden beschouwd, impliciet heeft afgewezen, is die beslissing onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat in die brief expliciet een ingebrekestelling is opgenomen. De brief van 3 oktober 2012 voldoet, naar [eiseres] ook heeft aangevoerd, aan alle vereisten die aan een ingebrekestelling worden gesteld ingevolge art. 6:82 lid 1 BW Pro. De aanzegging in die ingebrekestelling laat immers geen redelijke twijfel omtrent wat, wanneer en op welke grond van hem (lees: de gemeente) wordt gevorderd. Het hof kon derhalve niet zonder nadere motivering voorbijgaan aan het door [eiseres] gedane beroep op die brief, aldus [eiseres] .
Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.” In de brief van 3 oktober 2012 is namens [eiseres] vermeld dat zij heeft kennisgenomen van transacties tussen de gemeente en derden, waaronder de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] , en dat daarbij een hoger bedrag dan € 6,00 per m2 is betaald, waarbij [eiseres] heeft verwezen naar (onder meer) een taxatierapport van [betrokkene 3] [38] (dat op p. 4 en 5 ook aandacht besteedt aan de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd, die volgens dat rapport, kort gezegd, een hogere waarde vertegenwoordigen dan in de desbetreffende overeenkomst tot uitgangspunt werd genomen). Daarop volgt in de brief van 3 oktober 2012 onder meer:
lees: hebben, A-G] gekregen voor de grond, had de gemeente, gelet op het bepaalde in artikel 22b van de koopovereenkomst aan cliënte een nabetaling moeten doen.”
Sommatie
om binnen 14 dagen na vandaag het hiervoor genoemde bedrag ad€ 700.463,54 over te maken aan cliënte.”
[eiseres] aan de gemeente een ingebrekestelling had moeten verzenden waarna de gemeente, bij niet betaling, in verzuim zou komen te verkeren” en dat dat “
is gebeurd in de brief van 23 juni 2016” zodat “
[h]et verzuim is ingetreden op 3 juli 2016” niet toereikend gemotiveerd. Het hof had mijns inziens kenbare aandacht moeten besteden aan de brief van 3 oktober 2012, nu deze een schriftelijke aanmaning bevat waarbij de gemeente ter zake van de beweerdelijke verbintenis uit de nabetalingsclausule voortvloeiende uit de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld.