ECLI:NL:PHR:2023:961

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2023
Publicatiedatum
27 oktober 2023
Zaaknummer
21/04897
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 280 SrArt. 279 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verbergen en onttrekken aan nasporing van minderjarigen die zich aan gezag onttrokken

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk verbergen en onttrekken aan de nasporing van twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan het gezag. Hij bood hen onderdak in een woning terwijl hij wist dat zij uit een instelling waren weggelopen en werden gezocht. De verdachte liet hen een nacht in de woning verblijven zonder de politie of instelling te informeren.

De verdediging stelde dat het enkel onderbrengen van de minderjarigen zonder heimelijkheid geen verbergen of onttrekken aan de nasporing oplevert. De Hoge Raad bevestigt dat verbergen en onttrekken aan nasporing verschillende bestanddelen zijn; verbergen vereist het buiten beeld houden van de minderjarige, terwijl onttrekken aan nasporing dreigend nasporingsgevaar inhoudt. Het hof heeft het verbergen terecht bewezen verklaard, maar de motivering voor onttrekken aan nasporing was ontoereikend.

De Hoge Raad oordeelt dat het enkel bewezen verklaren van verbergen voldoende is voor een veroordeling. Tevens is de redelijke termijn overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. Het arrest wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en terugverwezen voor strafvermindering, het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Arrest van het hof wordt vernietigd voor strafoplegging met strafvermindering wegens termijnoverschrijding; beroep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04897

Zitting7 november 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 12 november 2021 wegens 2 subsidiair “Het opzettelijk verbergen en het aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken van een minderjarige die zich heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf en deze omgezet in een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 90 (honderd) [1] dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte heeft L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het enkel in een woning ondergebracht houden van twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan het gezag, het plegen van het verbergen én aan de nasporing onttrekken in de zin van art. 280 Sr Pro oplevert, althans dat dit oordeel ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 te [plaats] opzettelijk minderjarigen, te weten [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 en [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2003, die zich onttrokken hadden aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, een en ander hierin bestaande dat verdachte die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] , die van de instelling [A] waren weggelopen, heeft ondergebracht gehouden in een woning in [plaats] .”
5. Het hof heeft – voor zover hier van belang – in zijn bewijsoverwegingen overwogen:
“Verdachte heeft de minderjarigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 30 juli 2018 ontmoet bij de Jumbo in [plaats] . Volgens de ter terechtzitting van zowel de rechtbank als het hof afgelegde verklaring van verdachte hebben de meisjes hem toen verteld dat zij 16 en 17 jaar oud waren. Verdachte heeft beide meisjes desondanks meegenomen. Hij was dus vanaf het begin af aan bekend met hun minderjarigheid. Verdachte stelt dat hij op dat moment nog niet wist dat ze waren weggelopen uit een instelling. Verdachte heeft hen toen meegenomen naar een woning aan de [a-straat] in [plaats] en hen daar onderdak geboden. Op 31 juli 2018 kwam verdachte erachter dat de meisjes 13 en 14 jaar oud waren, dat zij uit een instelling waren weggelopen en dat zij werden gezocht. Hij heeft hen toen nog een nacht in de woning laten verblijven, zonder de politie of de instelling daarvan op de hoogte te stellen. De volgende dag zijn de meisjes vertrokken.
Gelet hierop acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 opzettelijk twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan het bevoegd opzicht ondergebracht heeft gehouden. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als het verbergen in de zin van artikel 280 van Pro het Wetboek van Strafrecht, alsmede als het onttrekken aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie. Verdachte wist op het moment dat hij op 31 juli 2018 de beslissing nam de meisjes nog een nacht in de woning heeft laten verblijven immers dat zij uit een instelling waren weggelopen, vermist werden en dat zij werden gezocht. Aldus verdachte zijn verklaring wilden zij niet gevonden worden. Door hen desondanks onder die omstandigheden in de woning aan de [a-straat] in [plaats] ondergebracht te houden heeft hij hen de gelegenheid gegeven om verborgen te blijven en niet gevonden te worden. Aldus kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, met dien verstande dat het hof de bewezen verklaarde periode zal beperken tot de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018, te weten tot de periode dat verdachte wetenschap had van de vermissing.”
6. De tenlastelegging en de bewezenverklaring onder 2 subsidiair zijn toegespitst op art. 280 lid 1 Sr Pro. Deze bepaling luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
7. Art. 280 Sr Pro kent een plek in het Wetboek van Strafrecht sinds zijn invoering in 1886. Het artikel heeft vanaf dat moment een aantal wijzigingen doorgemaakt, maar de tekst, zoals thans opgenomen in het eerste lid van dit artikel, is inhoudelijk niet veranderd. Uit de wetsgeschiedenis betreffende art. 280 Sr Pro komt niet naar voren welke betekenis aan de bestanddelen ‘verbergen’ en ‘onttrekken aan de nasporing’ moet worden toegekend. In de literatuur wordt evenwel aangenomen dat ‘verbergen’ niet hoeft samen te gaan met ‘onttrekken aan de nasporing’, omdat ‘verbergen’ kan plaatsvinden zonder dat sprake is van nasporingsgevaar, te weten als in het betreffende geval de politie niet is en zal worden ingeschakeld. Dit volgt trouwens ook uit HR 9 februari 1942
NJ1942/527, in combinatie met HR 12 maart 1974
NJ1974, 201. In deze zaken was sprake van vrijwel hetzelfde feitencomplex: de verdachte had een weggelopen minderjarige enkele dagen ondergebracht in een woning van een ander zonder de politie daarvan op de hoogte te stellen. Een veroordeling voor ‘onttrekken aan de nasporing’ kon volgens de HR niet in stand blijven (1942), maar een veroordeling voor ‘verbergen’ wel (1974). ‘Verbergen’ betreft een specifieke handeling die erop is gericht om de betrokkene buiten beeld te houden voor de buitenwereld, terwijl bij het ‘onttrekken aan de opsporing’ het nasporingsgevaar dreigende moet zijn en de gedraging enigermate geëigend moet zijn om het succes op de nasporing te frustreren. [2] Zo was in de zaak die ten grondslag lag aan HR 23 februari 1925,
NJ1925, p. 609, sprake van ‘onttrekken aan de nasporing’ toen een verdachte in strijd met de waarheid aan de politie verklaarde niet te weten waar de gezochte minderjarige verbleef. De politie werd aldus door een leugen op een dwaalspoor gezet als gevolg waarvan de taak om nasporingen te doen bemoeilijkt werd.
8. Voor de aard of ernst van het delict uit art. 280 Sr Pro maakt het overigens niet uit of ‘verbergen’ en/of ‘onttrekken aan de nasporing’ bewezenverklaard wordt. Uit de literatuur volgt dat art. 280 Sr Pro in het algemeen tot doel heeft dat de onttrokken minderjarige weer terecht kan worden gebracht alsmede dat het openbaar gezag, waaronder ambtenaren van politie en justitie geschaard kunnen worden, in staat wordt gesteld de belangen van de minderjarige te behartigen. [3] De strafbaarstellingen van ‘verbergen’ en ‘onttrekken aan de nasporing’ dragen beide bij aan dat doel.
9. In de onderhavige zaak heeft het hof volgens de steller van het middel ten eerste ten onrechte geoordeeld dat het enkel ondergebracht houden van twee minderjaren in een woning – die zich hadden onttrokken aan het gezag – het plegen van ‘verbergen’ in de zin van art. 280 Sr Pro oplevert. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte niet meer heeft gedaan dan het voor één nacht bieden van onderdak aan de minderjarigen, terwijl enige vorm van heimelijkheid ontbreekt. Het hof heeft zijn oordeel voorts ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
10. Deze klachten falen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte twee minderjarigen onderdak heeft verschaft, terwijl hij ervan op de hoogte was dat de minderjarigen waren weggelopen uit een instelling en dat zij werden gezocht. Hij heeft hen op die manier in staat gesteld buiten beeld te blijven van de instelling van waaruit ze waren weggelopen en van de politie. Gelet op hetgeen onder randnummer 7 is overwogen, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte de minderjarigen heeft verborgen in de zin van art. 280 Sr Pro daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
11. Ten tweede betoogt de steller van het middel dat het enkel laten verblijven van de minderjarigen in een woning zonder de politie daarvan op de hoogte te stellen, geen ‘onttrekken aan de nasporing’ oplevert, althans dat het hof het oordeel dat hiervan sprake was ontoereikend dan wel niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Daarbij wordt een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 22 april 1958 betreffende art. 279 Sr Pro, waarin is geoordeeld:
“dat het enkele feit van het aan een minderjarige, die bij iemand op bezoek is gekomen, gedurende drie etmalen onderdak verlenen, ook al is hij die het onderdak verleent ervan op de hoogte, dat degene, die over de minderjarige het wettig gezag uitoefent, niet weet waar deze vertoeft en diens verblijf in het huis, waar deze op bezoek gekomen is, niet zou goedkeuren, zonder meer niet oplevert het strafbare feit van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, als omschreven in art. 279 Sr Pro.” [4]
12. Uit HR 9 februari 1942 volgt ten aanzien van art. 280 Sr Pro dat het op een bepaalde plaats doen verblijven van een minderjarige en nalaten daarvan mededeling te doen aan de politie terwijl men begrijpt dat deze de minderjarige zoekt, nog geen ‘onttrekken aan de nasporing’ oplevert. [5]
13. In de onderhavige zaak heeft de verdachte volgens het hof niet meer gedaan dan het bieden van onderdak aan de minderjarigen. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de verdachte de minderjarigen heeft ‘onttrokken aan de nasporing’ zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet zonder meer begrijpelijk. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Voor een bewezenverklaring van overtreding van art. 280 Sr Pro is immers voldoende dat ten minste één van de delictsgedragingen bewezen kan worden verklaard. Aangezien in de onderhavige zaak in ieder geval sprake is van ‘verbergen’, bestaat geen belang bij terugwijzing.
14. Voor zover tot slot door de steller van het middel nog wordt betoogd dat de verdachte niet als pleger maar slechts als medeplichtige aangemerkt had kunnen worden omdat hij slechts de gelegenheid heeft gegeven aan de minderjarigen om verborgen te blijven en niet gevonden te worden, faalt het middel eveneens. Art. 280 lid 1 Sr Pro heeft immers betrekking op degene die een minderjarige verborgen houdt of onttrekt aan de nasporing, en niet op de minderjarige die zichzelf verbergt of zichzelf onttrekt aan de nasporing.
15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

16. Het middel faalt.
17. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hier is sprake van een kennelijke misslag in het bestreden arrest die zich bij uitstek leent voor eenvoudig herstel door de rechters die op de zaak hebben gezeten in de vorm van een herstelarrest. Vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478.
2.Vgl. Machielse, in:
3.Vgl. Van der Meij, in
4.Zie
5.HR 9 februari 1942,