Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 28 februari 2022 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €109.483,- en de betrokkene veroordeeld tot betaling van €104.483,- aan de Staat, rekening houdend met een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De betrokkene stelde drie cassatiemiddelen aan tegen dit arrest. Het eerste middel betrof de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de terechtzitting vanwege het aanwezigheidsrecht, waarbij de betrokkene wegens quarantaine niet kon verschijnen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen na een belangenafweging waarbij het belang van een spoedige berechting zwaarder woog dan het aanwezigheidsrecht, mede omdat de betrokkene zich door een gemachtigde liet vertegenwoordigen en schriftelijke conclusies had ingediend.
Het tweede middel betrof de aftrek van kosten bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had alleen afschrijvingskosten in aanmerking genomen en niet de volledige investeringskosten. De Hoge Raad bevestigt dat dit in lijn is met de jurisprudentie, waarbij alleen kosten die rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en redelijkerwijs aftrekbaar zijn, mogen worden meegenomen.
Het derde middel klaagde over de mate van korting wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof had een korting van €5.000,- toegepast na een overschrijding van ruim 15 maanden in eerste aanleg en bijna 30 maanden in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelt dat deze korting niet onbegrijpelijk is.
Alle middelen falen en het cassatieberoep wordt verworpen. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij aanhoudingsverzoeken in ontnemingszaken en bevestigt de toepassing van de redelijke termijn en kostenaftrek bij profijtontneming.