Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de teelt en het aanwezig hebben van hennepplanten en de diefstal van elektriciteit.
De betrokkene stelde dat de elektriciteitsrekening van Stedin Netbeheer B.V. in mindering moest worden gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof wees dit verweer af met als motivering dat de vordering van Stedin als benadeelde partij niet was toegewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat alleen kosten die in directe relatie staan tot het bewezenverklaarde delict in mindering kunnen worden gebracht, maar dat het hof zijn verwerping van het verweer onvoldoende heeft gemotiveerd. De omstandigheid dat de vordering van Stedin niet is toegewezen, kan niet zonder meer leiden tot afwijzing van de aftrek van de elektriciteitskosten.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing, waarbij het hof gemotiveerd moet ingaan op het verweer over de aftrek van de elektriciteitskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting over de aftrek van elektriciteitskosten.