ECLI:NL:PHR:2023:977

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
30 oktober 2023
Zaaknummer
21/04441
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 SrArt. 326 SrArt. 33a lid 1 sub c SrArt. 27 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen afpersing en oplichting via telefoonabonnementen

De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen verdachte die samen met een medeverdachte meerdere kwetsbare personen dwong tot het afsluiten van dure telefoonabonnementen, waarna de telefoons werden afgenomen en doorverkocht. De slachtoffers liepen de kosten van de abonnementen op, terwijl hen werd voorgespiegeld dat de BKR-registratie verwijderd zou worden, wat niet het geval was.

De rechtbank en het hof bewezen medeplegen van afpersing, oplichting en mishandeling. Het hof baseerde zich op verklaringen van slachtoffers, getuigen, politieonderzoeken en het vastgestelde patroon (modus operandi) waarbij kwetsbare personen werden uitgekozen en onder druk gezet. De verdachte ontkende sommige feiten, maar zijn ontkenningen werden verworpen.

In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, onder meer over de bewijsvoering van bedreiging met geweld en het bestaan van een samenweefsel van verdichtsels. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de kwetsbaarheid van slachtoffers meeweegt bij de beoordeling van bedreiging en dat de dwingende gedragingen en dreiging voldoende waren om afpersing aan te nemen. Ook het samenweefsel van leugens om slachtoffers te misleiden werd bevestigd.

De verbeurdverklaring van de Volkswagen Golf, gebruikt bij de delicten, werd eveneens bevestigd. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest slechts voor zover het de strafmaat betreft vanwege overschrijding van de redelijke termijn en beperkte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf. Het cassatieberoep werd verder verworpen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en de Volkswagen Golf wordt verbeurd verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04441

Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op 5 [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte

De procesgang

1. De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2021 door het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissingen ten aanzien van het onder 7 en 8 ten laste gelegde, en wegens 1 primair en 2 primair telkens: “
medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd”, 3: “
mishandeling”, 4 primair en 5 primair telkens: “
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en 6: “
medeplegen van afpersing” veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Verder zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten slotte is een auto, een Volkswagen Golf, verbeurdverklaard, een en ander als nader in het arrest opgenomen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Inleiding: de zaak

3. Het hof heeft verschillende delicten, afpersingen en oplichtingen, bewezen geacht. De verdachte heeft – naar het oordeel van het hof – samen met een ander verscheidene slachtoffers ertoe gebracht om telefoons met abonnementen aan te schaffen. De slachtoffers moesten vervolgens deze telefoons afstaan aan de verdachte en zijn medeverdachte. De telefoons kwamen in handen van anderen, maar de kosten van het abonnement bleven voor rekening van de slachtoffers.
4. Het hof heeft de bewijsvoering van feit 1 ( [aangever 1] ) separaat weergegeven. De bewijsvoering van de overige feiten heeft het hof gezamenlijk besproken en daarbij (toch ook) een bewijsoverweging opgenomen over het eerste feit. Over de bewezenverklaring van feit 3, de mishandeling, wordt in cassatie niet geklaagd, maar dit feit zal in de weergave van de bewijsvoering hieronder wel aan de orde komen. Teneinde doublures te voorkomen geef ik hier eerst de bewezenverklaringen van de feiten 1, 2, 4 en 5 en de gehele bewijsvoering weer.

De bewezenverklaringen van de feiten 1, 2, 4 en 5

5. Ten laste van de verdachte is onder 1, 2, 4 en 5 bewezen verklaard dat:

1. hij op tijdstippen op 19 januari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en tot het aangaan van een of meerdere schulden, te weten het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen, welk geweld [1] en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en diens mededader:
- tegen die [aangever 1] hebben gezegd dat hij geld gestort zou krijgen als hij (een) telefoon(s) op zijn naam zou zetten en
- die [aangever 1] met de auto hebben opgehaald en bij het instappen van [aangever 1] hebben gezegd dat het 3 tegen 1 was en dat wanneer [aangever 1] zou weigeren, hij klappen zou krijgen en het toch niet zou winnen, en
- met die [aangever 1] mee is gelopen naar de (telefoon)winkel(s) en/of buiten op die [aangever 1] heeft/hebben gewacht en
- vervolgens de telefoons van [aangever 1] hebben afgenomen,
en (aldus) een voor die [aangever 1] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen.
2. hij op tijdstippen in de periode van 07 maart 2018 tot en met 12 maart 2018 te [plaats] en [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons, toebehorende aan [aangever 2] , en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en diens mededader:
- op een dwingende toon tegen die [aangever 2] hebben gezegd dat hij een of meerdere telefoonabonnementen moest afsluiten en
- die [aangever 2] met de auto hebben opgehaald en naar de (telefoon)winkels heeft/hebben gebracht en/of mee de winkel in is gelopen en
- vervolgens de telefoons van die [aangever 2] hebben afgenomen en
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat de telefoons zouden worden verkocht en dat [aangever 2] de helft van de opbrengst zou krijgen en
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat hij geen risico zou lopen omdat hij, verdachte, er voor zou zorgdragen dat de BKR registratie van [aangever 2] zou worden verwijderd en
(aldus) een voor die [aangever 2] bedreigende situatie hebben geschapen.
4. hij op tijdstippen in of de periode van 09 maart 2018 tot en met 12 maart 2018 te [plaats] en [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen, hebbende verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- die [aangever 3] in een auto opgehaald en haar voorgehouden dat er verschillende manieren zijn om snel geld te verdienen en
- die [aangever 3] drugs aangeboden en/of aangedrongen op het gebruik van drugs en
- tegen die [aangever 3] gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en
- tegen die [aangever 3] gezegd dat de telefoons zouden worden verkocht en dat [aangever 3] er geld mee zou verdienen en
- tegen die [aangever 3] gezegd dat hij, verdachte, iemand kende die diezelfde dag de BKR registratie van [aangever 3] uit het systeem zou halen,
waardoor die [aangever 3] werd bewogen tot afgifte van een of meerdere mobiele telefoons en het aangaan van een of meerdere schulden.
5. hij op tijdstippen in de periode van 05 februari 2018 tot en met 07 februari 2018 te [plaats] en [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen, hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- tegen die [aangever 4] gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en
- tegen die [aangever 4] gezegd dat de telefoons zouden worden verkocht en dat [aangever 4] er geld mee zou verdienen en aan die [aangever 4] veel contant geld laten zien en
- tegen die [aangever 4] gezegd dat hij, verdachte, iemand kent die de BKR registratie uit het systeem kan halen en
- die [aangever 4] met de auto opgehaald en met die [aangever 4] meegelopen naar de (telefoon)winkels en/of (buiten) op die [aangever 4] gewacht,
waardoor die [aangever 4] werd bewogen tot afgifte van een of meerdere mobiele telefoon(s) en het aangaan van een of-meerdere schuld(en).

De bewijsvoering

6. Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 857-858) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als aangifte van [aangever 1] :
Op 19 januari 2018 stuurde [betrokkene 1] mij een appje met de vraag of ik geld wilde verdienen. Dat wilde ik wel en ik vroeg wat ik moest doen. [betrokkene 1] vertelde mij dat ik geld gestort zou krijgen als ik twee telefoons op naam zou zetten. Ik zou in de middag opgehaald worden bij de Albert Heijn in de wijk [plaats] .
Bij het instappen werd tegen mij gezegd dat het 3 tegen 1 was en wanneer ik zou weigeren, ik klappen zou krijgen en ik het toch niet zou winnen. Ik kreeg 120 euro contant en ze zeiden dat ik dit zelf maar op mijn rekening moest storten om hier de telefoons van te betalen. Ik werd hij de [A] in het centrum afgezet en 2 personen, [betrokkene 2] en de onbekende man, liepen met mij mee en bleven buiten de winkels wachten. Ik heb uiteindelijk bij de KPN een zwarte I-Phone 8+ gehaald waar telefoonnummer [telefoonnummer 1] aan gekoppeld was en bij de Vodafone heb ik een zwarte I-Phone 8 gehaald waar nummer [telefoonnummer 2] aan gekoppeld was. Beide telefoons heb ik met een abonnement afgesloten. Eenmaal terug bij de auto, deze stond bij de parkeerplaats achter de [A] in het centrum, bij de ANWB winkel, moest ik bij het instappen deze telefoons meteen afstaan aan de bestuurder die de telefoons weer afgaf aan [betrokkene 1] .
2. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie eenheid Oost-Nederland, district Noord en Oost-Gelderland, basisteam recherche Achterhoek-West, met proces-verbaalnummer P106002018032169-38, gesloten en getekend op 6 december 2018, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Ik was met [betrokkene 1] aan het chillen. Ik heb toen met [betrokkene 1] [aangever 1] opgehaald. Ze zijn toen naar het centrum gereden en hebben [aangever 1] daar afgezet. Korte tijd later kwam [aangever 1] terug bij de auto met twee mobiele telefoons. Het waren twee i-phones.
3. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 27 maart 2019 van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Ik was bestuurder bij het ophalen van [aangever 1] . Ik heb één of twee telefoons gehad en die heb ik doorverkocht.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 993-996) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als aangifte van [aangever 2] :
Ik ben [aangever 2] . Ik woon in instelling [B] gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Op 7 maart 2018 kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] rond 14.00 uur bij mij langs op de instelling. Ik ken deze jongens van vroeger. Ze kwamen praten. Op het moment dat ze mij aanspraken wilde ik eigenlijk niet met ze praten. Ik durfde dit niet tegen hun te zeggen. Vervolgens hoorde ik ze aan mij vragen of ik snel geld wilde verdienen. (...) Het plan was dat ik mobiele abonnementen zou afsluiten op mijn naam, vervolgens zouden [betrokkene 3] en [verdachte] de telefoons weer doorverkopen. Het geld wat ze ermee zouden verdienen zouden we delen. Ze zeiden dat het heel safe was en dat ik uit de BKR registratie gehaald zou worden.
Op 8 maart 2018 omstreeks 14.00 uur kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] weer naar de instelling. Vervolgens zijn we met zijn drieën naar de Vodafone winkel in [plaats] gereden. Ik ben daar met [verdachte] naar binnen gelopen. Hier heb ik om 15.15 uur een abonnement afgesloten met een telefoon erbij. Dit was een I-Phone 8, zwart van kleur. Het telefoonnummer is [telefoonnummer 3] . De bijbetaling van de telefoon heeft [verdachte] gedaan. Dit was een bedrag van 5,67 euro en is contant voldaan.
Vervolgens zijn we naar [plaats] gereden, we zijn eerst naar de Mediamarkt gegaan. Om 17.53 uur heb ik hier een Tele2-abonnement afgesloten. Hier ben ik alleen naar binnengegaan en kreeg ik contant geld mee van [verdachte] . Hier heb ik een I-phone X, zwart (spacegrijs) bij gekocht. Het telefoonnummer is [telefoonnummer 4] . De bijbetaling van deze telefoon was 197 euro en is contant voldaan.
Daarna zijn we naar de T-Mobile winkel in [plaats] gegaan. Hier heb ik om 20.00 uur een abonnement afgestoten. Hier heb ik een Iphone 10 bij genomen. Ook hier was ik alleen in de winkel en kreeg ik geld mee, van deze telefoon weet ik het nummer niet. Ik moet dan een account aanmaken en ik wil dit niet. De bijbetaling van deze telefoon was 125 euro en is ook contant voldaan.
Vervolgens hoorde ik [verdachte] tegen mij zeggen dat hij wilde dat ik nog twee abonnementen af zou sluiten. Ik wilde dit niet. [verdachte] wilde dan verder met mijn bankpasje en code. Ik wilde dit niet. Het was inmiddels 21.00 uur en ze hebben me toen weer terug naar de instelling in [plaats] gebracht.
Op 10 maart 2018 kwamen ze me weer hij de instelling in [plaats] ophalen. Ik durfde weer geen nee te zeggen omdat ik bang voor ze was. Ik had de indruk dat ze me kapot zouden maken als ik dit verneuk. Ik kreeg deze indruk van [verdachte] door de manier waarop hij tegen mij praatte en hoe hij verder tegen mij deed. We zijn vervolgens naar de Mediamarkt in [plaats] gereden Dit was rond 20.00 uur. Ik moest dit keer een abonnement van [C] afsluiten met een Iphone X of een IPhone 8. Ik kon dit abonnement volgens de winkelmedewerker niet afsluiten omdat mijn inkomen, welke ik had doorgegeven, te laag was en de lasten te hoog.
Vandaag 12 maart 2018 rond 14.45 uur stonden [betrokkene 3] en [verdachte] weer bij mij op de stoep. Ik woelde me enorm kut toen ik ze zag. Ik heb een hele poos terug suïcidale gevoelens gehad, die waren weg maar door dit is het weer terug. Ik zei tegen [betrokkene 3] en [verdachte] dat ik de abonnementen niet wilde afsluiten. Ik hoorde [verdachte] hierop tegen mij zeggen dat ik mijn bankpas en mijn code moest afgeven. De manier waarop [verdachte] dit tegen mij zei, kwam heel dwingend over. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik dit niet wilde. Vervolgens zag ik ze wegrijden. Ik heb een stuk van het gesprek opgenomen, ook dit zal ik naar uw collega mailen. Vandaag zat er een meisje bij, ik kende haar niet en heb verder ook geen aandacht aan haar geschonken. Zij bleef ook in de auto zitten terwijl [betrokkene 3] en [verdachte] uit de auto waren. Ik heb het vermoeden dat zij in de gaten heeft gehad dat ik een opname had gemaakt.
Vervolgens kreeg ik van [verdachte] een snapchat dat ik nog even naar buiten moest komen. In de tussentijd heb ik het filmpje naar mijn andere telefoon gestuurd welke ik niet meer gebruik. Op de andere telefoon heb ik snel de opname gewist. Toen ik buiten kwam zag ik de auto van [verdachte] staan, het betreft een Volkswagen Golf 6, model uit 2010 en donkerblauw/groenig van kleur. Het kenteken wilde ik ook uit mijn hoofd leren maar dat is mij niet gelukt. Ik zag [verdachte] achter het stuur zitten en hij maakte naar mij met zijn armen een dwingend gebaar dat ik in de auto moest gaan zitten. Ik hoorde hem op een schijnheilige toon tegen mij zeggen dat ik in de auto moest gaan zitten omdat hij nog ergens dringend met mij heen moest. Ik zag dat [verdachte] richting het [D] reed. Ik zag dat hij achter het [D] op een parkeerplaats achter twee flats stopte. Ik stapte uit de auto samen met [betrokkene 3] en [verdachte] . Het meisje bleef zitten. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij direct een klap met zijn rechterhand in mijn gezicht op mijn linkerwang gaf. Ik voelde dat dit met kracht gebeurde. Ik voelde direct pijn op mijn linkerwang.
Ik hoorde [verdachte] tegen mij zeggen dat hij mijn telefoon wilde zien. Ik gaf hem mijn telefoon. Ik zag dat hij mijn telefoon aan het doorzoeken was om te kijken of ik de opname nog had. Hij kon niets meer in mijn telefoon vinden. Ik heb tegen hem gezegd dat ik inderdaad een opname had gemaakt, maar dat ik die weer verwijderd had. Ik hoorde [verdachte] op een dwingende toon tegen mij zeggen dat hij mijn pas wilde. Ik heb hierop gezegd dat ik erover na zou denken. Vervolgens hoorde ik [verdachte] op een schijnheilige toon tegen mij zeggen dat ze vandaag om 17.00 uur/17.15 uur bij mij langs kwamen om alsnog mijn pas op te halen.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1024 -1026) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende –zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [aangever 2] :
O: In je aangifte gaf je aan datje op donderdag 8 maart 2018 rond 15.15 uur bij de Vodafone in [plaats] een telefoonabonnement met een telefoon erbij hebt afgesloten.
V: Waar is deze telefoon gebleven?
A: Die heeft hij gepakt.
V: Wie is hij?
A: [verdachte] .
V: Weet je [verdachte] verder heet?
A: [verdachte] .
V: Waar heeft hij deze telefoon gepakt?
A: Toen ik weer bij hem in de auto zat.
V: Hoe ging dit?
A: Hij zei op een dreigende toon: “Je laat hem in de auto liggen”.
O: Nadat je bij de Vodafone in [plaats] bent geweest zijn jullie doorgereden naar de Mediamarkt in [plaats] . Daar heb je een abonnement afgesloten met een Iphone X.
V: Waar is deze telefoon gebleven?
A: Die heeft [verdachte] ook.
V: Waar heb je die aan hem gegeven?
A: Ook weer in de auto.
V: Wanneer heb je die aan hem gegeven?
A: Direct toen ik na het afsluiten weer bij hun in de auto stapte.
O: Vervolgens zijn jullie naar de T-Mobile winkel in [plaats] gereden. Daar heb je een abonnement afgesloten met een Iphone X.
V: Waar is deze telefoon gebleven?
A: Die heeft [verdachte] .
V: Wanneer heb je die aan hem gegeven?
A: Bij de KFC in [plaats] . Ik ben daar naar binnen gelopen. Die 2 jongens zaten daar te eten. [verdachte] zat een meisje lastig te vallen dacht ik. Ik heb de telefoon toen aan die andere jongen gegeven. [betrokkene 3] volgens mij.
V: Weet je zijn achternaam?
A: [betrokkene 3] .
O: Je zegt dat je de telefoon aan [betrokkene 3] hebt gegeven, maar dat [verdachte] hem heeft.
V: Hoe is dat gegaan?
A: Die twee werken samen.
V: Waren bij alle drie de keren dat jij een telefoonabonnement heb afgesloten [verdachte] en [betrokkene 3] in de buurt?
A: Bij de Vodafone was [verdachte] mee naar binnen en zat [betrokkene 3] in de auto te wachten. Bij de Mediamarkt zaten [verdachte] en [betrokkene 3] samen in de auto te wachten en bij T-mobile gingen zij samen eerst naar de coffeeshop en daarna naar de KFC.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1020-1022 van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [aangever 2] :
V: Je werd geslagen toen je bij het [D] uit de auto gestapt was. Hoe werd je geslagen en hoe vaak werd je geslagen?
A: Ik werd door [verdachte] geslagen. Hij sloeg mij met zijn rechter vlakke hand in mijn gezicht. Hij sloeg mij op mijn linkerwang. Hij heeft mij één keer geslagen. Door de klap viel ook mijn bril van mijn hoofd.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1184-1190) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk, weergegeven - als aangifte van [aangever 3] :
(...) Dit is [E] . Het [E] is er voor mij om me te begeleiden, ze geven mij advies. Ik ben verslaafd aan blowen en ik krijg bij hun discipline en structuur opbouw. Ik moet leren om voor mezelf te kunnen kiezen. (...) Op 1 februari 2018 is er een kennismakingsdag geweest bij het [E] . Dan komt iedereen bij elkaar die een intakegesprek heeft gehad bij het [E] en mogelijk verder wil met dit traject. Die dag heb ik daar [betrokkene 3] ontmoet.
Afgelopen vrijdag 9 maart stuurde hij mij ineens foto’s van heel veel geld. Hij vroeg aan mij of ik iemand kende die snel geld wilde verdienen. Ik heb hem toen gezegd dat ik niemand wist, maar was wel benieuwd wat er dan voor gedaan moest worden. Hij gaf aan dat hij mij dat wel wilde vertellen, maar niet via de telefoon. Ik gaf hem aan dat ik maandag na school wel kon. Ik heb daarna bij mijn vriendin gezeten en haar verteld dat hij mij iets ging vertellen over makkelijk geld verdienen. Mijn vriendin, [betrokkene 4] , gaf aan dat zij ook wel benieuwd was. Daarna ben ik naar huis gegaan. [betrokkene 4] woont aan de [b-straat 1] in [plaats] . Omdat ik zo nieuwsgierig was naar hoe ik dat geld nou kon verdienen, heb ik gezegd dat het goed was. [betrokkene 3] kwam omstreeks 16.30 uur bij mij langs. Ik stond buiten te wachten toen er een auto aan kwam rijden. Dit was een donkerblauwe Volkswagen Golf. Ik wilde eigenlijk meteen weten weer het nu over ging. Ik had verteld dat ik gestopt was blowen en ze bleven maar pushen dat ik moest blowen. Vooral [betrokkene 3] drong hier erg op aan.
Nadat [betrokkene 3] de joint op had vertelde hij mij dat ik een telefoonabonnement kon gaan afsluiten bij een telefoonzaak. Diezelfde dag zou er via iemand die ze kenden, bij liet BKR mijn registratie eruit gehaald worden, waardoor ik dus wel een telefoon had maar geen abonnement. De telefoon zou dan weer verkocht worden. Ze hadden het over een bepaalde lijst met welke winkel als eerste bezocht moest worden.
Het was na dat gesprek voor mij redelijk duidelijk en doordat ze mij aangaven dat er geen risico's aan vastzaten, was ik wel om. Ik zou het geld verdienen aan de telefoons die doorverkocht gingen worden. De afspraak was eigenlijk dat we maandag abonnementen gingen afsluiten en diezelfde dag de telefoons zouden verkopen. Hun hadden mensen die de telefoons wel wilden kopen. Ze gaven aan dat het geld wat ik zou verdienen op mijn bankrekening gestort zou worden, maar dat moesten ze allemaal nog even uitzoeken. Na het gesprek hebben ze mij weer thuis afgezet. Dit was om 18.00 uur. [betrokkene 3] had duidelijk het woord in de auto, die andere jongen niet echt.
Op 12 maart 2018 had ik om 14.30 uur met [betrokkene 3] afgesproken in [plaats] . Ik werd bij het station weer opgehaald met die donkerblauwe Volkswagen. We gingen eerst langs een andere jongen. Deze jongen hebben wij opgepikt bij dat begeleid wonen complex aan de [a-straat 1] . Ik begreep uit het verhaal van deze jongen dat hij dat weekend ook een abonnement had afgesloten, maar hij gaf aan dat hij niet verder wilde. Voordat hij de auto uit ging zag ik dat hij een spraakopname gemaakt had. Deze jongen zag dat ik het gezien had. De jongen stapte uit op dezelfde plek als waar wij hem hadden opgehaald. Ik zei tegen [betrokkene 3] dat de jongen van net een opname van het gesprek had gemaakt. [betrokkene 3] stuurde die jongen een bericht. Ik kon dit zien op de telefoon van [betrokkene 3] . Er stond in “wacht even, we moeten je nog hebben en komen nog even terug”. We reden toen terug naar dezelfde plek en die jongen stond daar nog te wachten. Hij stapte opnieuw bij ons in en we reden richting het [F] aan de [c-staat] en gingen daar op een parkeerplaats staan. Alle drie de jongens stapten uit en ik bleef zitten. Ik zag dat de bestuurder de jongen een klap in liet gezicht gaf. Ik zag dat de bril van zijn hoofd werd geslagen. Ik zag wel dat de bestuurder de mobiel van die jongen nog nakeek, ik denk om te zien of er nog een spraakopname op stond. De bestuurder zei tegen de jongen “Ik wil je pinpas met pincode, dan kunnen we er geld opzetten”. De jongen wilde dit niet en toen we bij de [a-straat 1] waren stapte hij uit. Ze stapten allemaal vervolgens weer in de auto en reden terug naar de [a-straat 1] . Daarna zaten we weer met zijn drieën in de auto en reden we naar de mediamarkt. De auto werd geparkeerd ergens achter bij de Mediamarkt. Dit was niet de parkeergarage. We zijn met zijn drieën de Mediamarkt binnengelopen, omdat ik niet alleen wilde. Dit was denk ik rond 15.00 uur. Ze hadden van tevoren al van alles aan mij gezegd wat ik moest zeggen. Ik zou € 2.550,- per maand verdienen, nog bij mijn ouders wonen en € 100,- uitgaven per maand hebben. Ze hadden me ook een mobielnummer gegeven, voor als men er naar vroeg. Dit als ze vroegen naar mijn oude mobiele nummer. Het nummer wat ik kreeg van [betrokkene 3] was [telefoonnummer 5] . Ik denk dat het nummer van een van de jongens was. Ik moest een g-mail account opgeven welke ze voor mij gemaakt hadden. [e-mail address] . Daarvoor hadden ze een foto gemaakt van mijn rijbewijs, om me zo uit het BKR te kunnen halen. Ik ben naar een man gelopen in de winkel. [betrokkene 3] en de bestuurder waren ergens in de winkel, maar niet bij mij. Ik zei tegen de man dat ik graag een telefoon abonnement wilde afsluiten. Ik had de opdracht gekregen om een abonnement van Tele2 af te sluiten. Dit verliep allemaal vlekkeloos. Even later liep ik met een telefoon naar buiten. De telefoon en simkaart, zaten in een tas. Ik zag dat [betrokkene 3] en die jongen buiten stonden. Ik ben ze voorbij gelopen richting de auto. Daar zijn we ingestapt en hebben we de auto bij de [A] geparkeerd. De tas met de telefoon en de simkaart moest ik afgeven en werd achter in de auto gelegd.
Toen ik het abonnement ging afsluiten moest ik mijn rijbewijs laten zien en mijn pinpas. Ik had van [betrokkene 3] € 200,- gekregen om de het toestel te betalen. Het ging hier om een IPhone X. De tweede winkel was de Vodafone in [plaats] . Daar heb ik een abonnement afgesloten en moest ik voor de IPhone 8 een bedrag van volgens mij € 195,- bijbetalen. Dit geld had ik daarvoor ook al gekregen. Ik ben daarom 16.10 uur geweest. Toen ik de winkel uit liep moest ik weer alles inleveren.
Daarna zijn we in de auto gestapt en naar [plaats] gereden. Ze hebben mij afgezet bij de Mediamarkt. Hun reden verder en als ik klaar was, zou ik ze bellen. Ik heb daar een abonnement afgesloten bij de [C] voor een Iphone 8. Ik moest hier ook bijbetalen, maar ik weet niet meer precies hoeveel. Toen ik klaar was haalden ze me weer op. Dit was om 17.15 uur. Daarna zijn we doorgereden naar [plaats] . Ze hebben me daar ook weer afgezet. Ik ben de Mediamarkt ingegaan en heb een abonnement afgesloten bij T-Mobile voor een Iphone X. Ik hoefde daar maar € 120,- bij te betalen. Dit geld kreeg ik steeds elke keer van tevoren van [betrokkene 3] . Ik was daar om 18.10 uur klaar. Ik heb voor de Mediamarkt lang moeten wachten voordat ze me kwamen halen. Ik heb toen ook weer alles moeten afgeven.
We reden vervolgens naar [plaats] . Ik begreep dat ze daar de telefoons zouden verkopen. We zijn daar bij een sportcentrum geweest. De bestuurder stapte uit en liep weg. Na enige tijd kwam hij terug en reden we weer naar huis In de tijd dat we stonden te wachten ben ik weer gaan blowen. Dit was omdat [betrokkene 3] het constant aanbood. [betrokkene 3] vertelde tegen mij dat hij de telefoons niet verkocht had, maar dat hij hasj had gehaald. Uiteindelijk hebben ze mij weer afgezet bij het station in Varsseveld. Ik heb [betrokkene 3] nog wel gezegd dat zij het BKR nog moesten bellen voor mij.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1027 -1029) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [betrokkene 5] :
Ik ben de ambulant begeleider van [aangever 2] bij [B] [plaats] . [aangever 2] woont bij ons zelfstandig en wij begeleiden hem sinds augustus 2017 met kamer training. [aangever 2] is een jongen gediagnosticeerd met autisme (PDD NOS), hij is makkelijk beïnvloedbaar.
Gistermiddag 12 maart 2018, omstreeks 15.15 uur werd ik gebeld door [aangever 2] . Hij vroeg of ik direct naar zijn kamer aan de [a-straat 1] in [plaats] kon komen. Ik ben direct naar hem toegegaan en ik was omstreeks 15.30 uur bij [aangever 2] . Toen ik hem sprak zag ik dat [aangever 2] ontzettend overstuur was, hij was erg bang en emotioneel en ik zag dat hij licht aan het hyperventileren was. Ik zag dat een (1 ) van de wangen van [aangever 2] roder was dan de andere.
9. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1045) van het hiervoor genoemde proces-verbaal’ voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 12 maart 2018 stuurde aangever [aangever 2] het geluidsfragment door wat hij opgenomen had met zijn telefoon zoals omschreven in de aangifte.
Z= aangever [aangever 2]
J= [verdachte]
N= onbekende meisjesstem
NTV= niet te verstaan
Bij de start van de opname is er muziek te horen.
Z: Wat is de planning?
J: Ja, dan gaan wij met haar verder want verder kunnen we niets doen, weet je. Als jij die dingen (fonetisch) niet wil doen dan euh.
Z: Ja en dat BKR?
J: Dat regelen we later. NTV
Z: Oke
J: Want die man kan we sowieso niet nu spreken
Z: Ennuh.. .oké duidelijk
J: Als jij zorgt dat jij die pasje gewoon hebt met de code en die inlog dan regelen we alles vanavond. BKR en die NTV.. . .dat komt goed. Als het goed is... .dan wordt het sowieso niet morgen. Dat wordt overmorgen.
10. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1089-1090) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Binnen het onderzoek ON032018007 Reus werden onder meer historische gegevens opgevraagd van de volgende telefoons met bijbehorende Imeinummers:
[nummer 1] Iphone 8
[nummer 2] Iphone X
[nummer 3] Iphone 10
Deze telefoons waren door de verdachten buitgemaakt tijdens het afsluiten van telefoonabonnementen bij de aangever [aangever 2] .
Ik zag dat gebruik werd gemaakt van het Imeinummer [nummer 3] met het telefoonnummer [telefoonnummer 6] . Dit telefoonnummer bleek op naam te staan van [betrokkene 6] , [d-straat 1] , [plaats] . Uit onderzoek in de Gemeentelijke Basis Administratie bleek dat op dit adres de volgende personen stonden ingeschreven:
[betrokkene 6] geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] (M);
[betrokkene 7] geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ;
[betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
Ik zag dat er in de bovengenoemde periode grotendeels telefoonmasten werden aangestraald in Horssen en [plaats] .
11. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1125-1127) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Ik, verbalisant [verbalisant 5] , deelde [betrokkene 6] mede dat uit ons onderzoek is gebleken dat de telefoon, een Iphone 10, met het Imeinummer [nummer 3] op zijn naam stond. Ik hoorde dat [betrokkene 6] zei dat hij die telefoon inderdaad had gehad maar dat deze vrij snel kapot was en dat hij via de winkel van Apple in Amsterdam een nieuwe telefoon heeft gekregen.
De getuige [betrokkene 6] verklaarde op 23 mei 2018 omstreeks 13.44 uur als volgt:
Ik ben 12 maart 2018 naar I-phone [G] gegaan in [plaats] . Ik wilde een nieuwe Iphone kopen. Ik koop altijd de telefoons bij hem. [G] zei dat hij voor mij nog maar één Iphone 10 had liggen. Die heb ik van hem gekocht voor€ 900,- Dus het klopt wel dat de telefoon die u bedoeld in mijn bezit is geweest.
12. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1135-1136) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 9] :
Iphone [G] is mijn eigen zaak. Ik heb op 10 maart 2018 met [betrokkene 6] contact gehad over een Iphone 10. Ik heb toen [betrokkene 6] een Iphone 10 verkocht. De telefoon die ik aan [betrokkene 6] heb verkocht heb ik zelf gekocht. Dit was bij een man genaamd [betrokkene 12] . Hij woont aan de [f-straat 1] [plaats] .
13. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1138-1142) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 11] :
Mijn man is [betrokkene 12] . Zijn roepnaam is [betrokkene 12] en zijn bijnaam is [betrokkene 12] . Hij verdient iets bij door te handelen in telefoons. Iphone [G] is een contact van mijn man. Hij komt bij de aankoop van een telefoon bij ons over de vloer. Hij doet zaken met mijn man. Hij komt uit [plaats] .
14. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1148-1154) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 12] :
V: Heeft u bijnamen?
A: Dit is [betrokkene 12] . Mijn echte naam is [betrokkene 12] , maar niet iedereen kan dat uitspreken. Daarom [betrokkene 12] .
O: Wij tonen getuige een fotoblad met twee foto’s van twee personen. Dit fotoblad wordt als bijlage 2 bij dit verhoor gevoegd.
V: Kent u deze jongens?
A. De rechter jongen heeft mij twee keer verkocht in [plaats] en één keer in [plaats] . Van die linker jongen heb ik gekocht bij het zwembad hier in [plaats] .
V: Heeft u ook een keer telefoons gekocht in de buurt van de [H] school in [plaats] ?
A: De [H] school is bij het zwembad. Daar heb ik van die linker jongen gekocht. Ik vroeg aan die jongen wat zijn afkomst was. Hij zei toen dat hij half Joegoslaaf was.
V: Wat heeft u van hem gekocht?
A: een Iphone 8 en twee keer een Iphone X
V: Wanneer was dit?
A: In februari of maart van dit jaar. Dus in 2018.
V: Hoe vaak heeft de jongen rechts op de foto een telefoon aan u geleverd/verkocht?
A: Ik heb van hem gekocht in [plaats] aan de [e-straat] . daar kocht ik een Iphone 8.
V: Wat voor informatie verstrekken zij u over deze telefoons?
A: Ik vroeg hoe zij eraan kwamen. Hij zei dat hij jongens kende die geld nodig hadden en dat hij ze hielp. Dat zei de jongen die links op de foto staat. Hij kende jongens die geld nodig hadden en hij liet zien hoe ze geld konden verdienen met de verkoop van telefoons. Hij had ook altijd een bon. Ik checkte de bon ook altijd. Dat was altijd goed. De bonnen waren van KPN, Mediamarkt, T-Mobile en Vodafone.
15. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1160-1161) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Bij het getuigenverhoor van [betrokkene 12] werd door [betrokkene 12] een Whatsapp-gesprek aan ons overgedragen per email dat hij heeft gehad met [betrokkene 9] , de eigenaar van het bedrijf [G] . In dit gesprek werd door [betrokkene 12] een foto gestuurd naar [betrokkene 9] . Deze foto was volgens [betrokkene 12] afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] en daar ingesteld als profielfoto. Deze jongen had hem gebeld. In zijn verklaring vertelt [betrokkene 12] dat hij van deze jongen 2x gekocht heeft, een Iphone 8 en een Iphone 8 of X en dat zijn telefoons altijd met bon waren. Ik, verbalisant [verbalisant 7] herken op deze foto de jongen als zijnde [betrokkene 3] .
Tijdens het getuigenverhoor van [betrokkene 12] werd hem door mij en collega [verbalisant 5] een fotoblad getoond met daarop twee manspersonen. Ik, verbalisant [verbalisant 7] , verklaar dat op dit fotoblad de linker persoon betreft: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] en wonende aan de [g-straat 1] , [plaats] . Ik verklaar dat de persoon rechts op de foto betreft [betrokkene 3] , geboren [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] en wonende aan de [h-straat 1] , [plaats] .
16. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie eenheid Oost-Nederland, district Noord en Oost-Gelderland, basisteam recherche Achterhoek-West, met proces-verbaalnummer P106002018032169-38, gesloten en getekend op 6 december 2018, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Ik heb vrienden die begeleid wonen. Ik was een keer wezen chillen met een vriend die begeleid woont. [aangever 2] was daar ook. Ik ben met hem naar het centrum van [plaats] gereden. Ik ben toen met [aangever 2] meegelopen. Omdat het koud was ben ik met [aangever 2] de telefoonwinkel in [plaats] binnengelopen. Ik ben samen met [aangever 2] teruggelopen naar de auto. [aangever 2] vertelde dat hij een abonnement had afgesloten. Ik zag dat de telefoon nieuw in een doos zat. Ook zat er een bon bij. Toen ben ik naar een andere telefoonwinkel gereden. Ik weet dat hij toen nog een abonnement heeft afgesloten. Ik weet alleen niet of dit één of twee abonnementen waren. Ik en [aangever 3] zijn een aantal telefoonwinkels afgegaan. Ik ben niet mee gegaan naar deze winkel. Ik ben zelf in de auto blijven zittenen [aangever 3] is uitgestapt. Zij is zelf de telefoonwinkels binnen gegaan en heeft zelf de abonnementen afgesloten. Nadat [aangever 3] de abonnementen had afgesloten, is ze weer bij mij in de auto gestapt. Ik weet wel dat het meerdere abonnementen waren. Ik heb de telefoons aan [betrokkene 12] verkocht.
17. Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 14 januari 2009 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [aangever 2] :
Ik lees in uw verklaring dat u besefte dat het niet deugde?
Ik denk dat ik bang was om af te zeggen. Ik ken de reputatie van de jongens.
De rechter-commissaris vraagt naar de reputatie.
Zij waren de gangsters van de straat in [plaats] . Je hoort dingen. Iedereen wist het in [plaats] .
(…)
23. Het in de wettelijke, vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 1201-1202) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :
[aangever 3] had afgesproken op woensdag 14 maart 2018 bij het station in Varsseveld om 20.30 uur. We reden daar naar toe en zagen de jongens in hun auto staan.
Ze begonnen met een verhaal uit te leggen over het afsluiten van abonnementen, dat verhaal was erg uitgebreid, ik dacht nog wat een onzin wat ze mij proberen te verkopen. [betrokkene 14] heeft dit verhaal aan mij uitgelegd, [betrokkene 3] zei niet zoveel. [betrokkene 14] vertelde dat ze bij verschillende winkels telefoonabonnementen moest afsluiten en hij zei dat ik eerst naar de Mediamarkt moest gaan en niet daarna naar de Vodafone, dit had te maken met het feit dat iemand van mijn leeftijd niet het inkomen heeft om meerdere telefoonabonnementen af te sluiten, zodat dit niet in het systeem zou staan. Hij had een heel systeem bedacht. Ik vroeg hem hoe hij dit allemaal wist. Hij zei dat ze hiervoor geld hadden betaald en daardoor dit allemaal wist. Hij vroeg aan mij of ik wist wat BKR was. Ik zei dat ik dit wel een beetje wist. Ik zei dat dit te maken had met schulden. Hij zei dat een bekende van hen daar werkte, en die kon mij weer uit het systeem halen zodat ik geen maandelijkse kosten zou hebben voor de abonnementen.
24. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal (als bijlage op pagina 943-946) van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 15] :
Op een gegeven ogenblijk hoorde ik tijdens het chillen de jongens spreken over het aansmeren van abonnementen aan jongens. Ik hoorde hen daarover spreken in februari 2018. Dit waren [betrokkene 3] , [betrokkene 16] en een jongen uit [plaats] . Ik vroeg toen waar zijn jullie mee bezig. Ze zeiden dat ze hun een telefoon en abonnement lieten kopen. Ze maakten hun dan wijs dat ze hun gegevens dan weer konden verwijderen. Ze gaven dan deze jongen geld voor de telefoon. Deze jongens dachten dan geld verdiend te hebben maar ze bleven natuurlijk wel vast zitten aan het abonnement. [betrokkene 3] verkocht de toestellen dan weer voor veel geld. Ze gebruikten wel jongens hiervoor die niet zo slim waren.”
7. Het hof heeft ter motivering van de bewezenverklaringen aanvullend het volgende overwogen (arrest, p. 9-13):
“Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.
6.5
Overweging met betrekking tot het bewijs
Modus operandi
De feiten 1, 2, 4 en 5 zijn in de periode januari tot en met maart 2018 gepleegd in de gemeenten [plaats] , [plaats] en [plaats] . De aangevers spreken van een (nagenoeg) zelfde werkwijze (modus operandi): het afsluiten van telefoonabonnementen waarbij een kostbare mobiele telefoon (Iphone S of Iphone X) wordt verkregen, een verhaal dat verdachte en zijn mededader ervoor zouden zorgdragen dat de BKR registratie verwijderd zou worden na het afsluiten van deze telefoonabonnementen en waarbij verbale druk of geweld of bedreiging met geweld is uitgeoefend om deze personen te bewegen tot het afsluiten van deze telefoonabonnementen bij steeds dezelfde (telefoon)winkels in [plaats] , [plaats] en [plaats] .
Deze werkwijze wordt, naast de aangevers, bevestigd door twee getuigen, [betrokkene 4] en [betrokkene 15] .
[betrokkene 4] is op [geboortedatum] 2018 met [aangever 3] mee geweest naar [betrokkene 3] en een jongen die [betrokkene 14] heette. De jongens begonnen een verhaal over het afsluiten van abonnementen. [betrokkene 14] vertelde dat [betrokkene 4] bij verschillende winkels telefoonabonnementen moest afsluiten. Hij zei dat een bekende van hen bij het BKR werkte en dat die haar dan weer uit het systeem kon halen zodat ze geen maandelijkse kosten zou hebben voor de abonnementen.
[betrokkene 15] hoorde [betrokkene 3] , [betrokkene 16] en een jongen uit [plaats] in februari 2018 praten over het aansmeren van abonnementen aan jongens. Ze lieten hen een telefoon en een abonnement kopen. Ze maakten hen dan wijs dat ze hun gegevens weer konden verwijderen. Ze gaven die jongens dan geld voor de telefoon. De jongens dachten dan geld verdiend te hebben, maar bleven natuurlijk wel vast zitten aan het abonnement. [betrokkene 3] verkocht de telefoons dan weer voor veel geld door. Ze gebruikten hiervoor jongens die niet zo slim waren.
De rechtbank overweegt verder dat uit het dossier volgt dat [aangever 2] woont in instelling [B] in [plaats] . Hij woont begeleid bij [B] omdat hij is gediagnosticeerd met autisme. Hij is makkelijk beïnvloedbaar en denkt snel bevriend te zijn met iemand. [aangever 3] is naar [E] gegaan omdat ze verslaafd is aan blowen en voor het leren van aanbrengen van structuur en discipline. Ze heeft ADD en Asperger. [aangever 4] woont begeleid bij [B] in [plaats] . De rechtbank stelt daarnaast vast dat [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] kwetsbare personen zijn gelet op de door hen beschreven persoonlijkheidsproblematiek.
Op basis van de aangiften van [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] , en de verklaringen van getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 15] , stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een identieke werkwijze, die bestond uil:
- het uitkiezen van kwetsbare personen om telefoonabonnementen af te sluiten;
- het door die personen op hun eigen naam laten afsluiten van telefoonabonnementen waarbij kostbare mobiele telefoons, Iphone 8 of Iphone X worden verkregen
- de mededeling dat verdachte en zijn mededader ervoor zouden zorgdragen dat de BKR registratie van de slachtoffers zou worden verwijderd na het afsluiten van deze telefoonabonnementen zodat zij van het abonnement af zouden zijn en
- het uitoefenen op de slachtoffers van verbale druk of dwang of geweld om ze te bewegen tot het afsluiten van deze telefoonabonnementen gevolgd door afgifte van de verkregen telefoons.
Feit 1:
Op 19 januari 2018 kreeg aangever [aangever 1] (verder: [aangever 1] ) een appje van [betrokkene 1] of hij geld wilde verdienen door twee telefoons op zijn naam te zetten. [aangever 1] is bij [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en een onbekende jongen in de auto gestapt. Er werd tegen hem gezegd dat het drie tegen één was en wanneer hij zou weigeren, hij klappen zou krijgen en dat hij het toch niet zou winnen. [aangever 1] kreeg € 120,- om telefoons van te betalen. Ze zijn naar het centrum van [plaats] gereden. [betrokkene 2] en de onbekende jongen liepen met hem mee naar de KPN winkel en daar heeft hij een telefoonabonnement afgesloten met een zwarte I-phone 8+. Bij de Vodafonewinkel heeft hij een telefoonabonnement afgesloten met een zwarte I-phone 8. Bij het instappen in de auto moest [aangever 1] de telefoons direct afstaan.
Eind januari kreeg [aangever 1] een mail van Vodafone en KPN dat de belkosten erg hard opliepen. Hij kon de abonnementen niet meer stopzetten omdat hij de bijbehorende telefoons niet meer had.
Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij in de auto heeft gezeten met [betrokkene 1] en dat ze [aangever 1] hebben opgehaald. Ze zijn toen naar het centrum gereden. [aangever 1] kwam terug met twee I-phones. Verdachte heeft één of twee van deze telefoons doorverkocht.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van [aangever 1] , omdat de in zijn verklaring beschreven werkwijze op verschillende punten ondersteuning vindt in de verklaringen van de aangevers in de vergelijkbare zaken, zoals hierna nader uiteengezet wordt.
Feiten 2, 3 en 4:
De rechtbank zal de bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 gezamenlijk bespreken nu deze feiten met elkaar samenhangen.
Aangever [aangever 2] heeft het volgende verklaard. Op 7 maart 2018 zijn [verdachte] (verder: [verdachte] ) en [betrokkene 3] (verder: [betrokkene 3] ) naar de instelling [B] aan de [a-straat 1] in [plaats] gegaan, waar aangever [aangever 2] (verder: [aangever 2] ) woont. Ze vroegen hem of hij snel geld wilde verdienen. Hij zou mobiele telefoonabonnementen moeten afsluiten en [betrokkene 3] en [verdachte] zouden de verkregen telefoons weer doorverkopen. De opbrengst van de verkoop van deze telefoons zou worden verdeeld. Het was veilig om te doen omdat [aangever 2] weer uit de BKR registratie gehaald zou worden. De dag erna zijn ze met z'n drieën naar het centrum van [plaats] gereden. [verdachte] is met hem de Vodafonewinkel ingelopen. Hij heeft daar een telefoonabonnement afgesloten met een zwarte Iphone 8. [verdachte] deed de bijbetaling. [aangever 2] moest de telefoon daarna in de auto laten liggen.
Daarna zijn ze naar [plaats] gereden en heeft [aangever 2] bij de Mediamarkt een Tele2 telefoonabonnement afgesloten met Iphone X, space grijs. De bijbetaling van € 197,- is contant voldaan. [aangever 2] moest de telefoon in de auto aan [verdachte] geven. Ze zijn daarna naar de T-Mobile winkel in [plaats] gegaan. Daar heeft [aangever 2] een telefoonabonnement afgesloten met een Iphone 10. Hij had geld meegekregen voor bijbetaling van € 125,- [betrokkene 3] had toen de telefoon en heeft deze aan [verdachte] gegeven. [aangever 2] moest van [verdachte] nog twee abonnementen afsluiten. [aangever 2] zei dat hij dat niet wilde. Door de manier waarop [verdachte] praatte durfde [aangever 2] geen "nee" te zeggen. De dag erna kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] hem weer ophalen en zijn ze naar de Mediamarkt in [plaats] gereden. Daar moest hij van [betrokkene 3] en [verdachte] een telefoonabonnement van [C] afsluiten met een Iphone X of 8. [aangever 2] gaf expres een te laag inkomen op, waardoor het afsluiten niet lukte.
Op maandag 12 maart 2018 kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] met een meisje in de auto, weer naar de woning van [aangever 2] . [aangever 2] zei tegen hen dat hij geen abonnementen meer wilde afsluiten. (...) [aangever 2] wilde dat niet. [verdachte] en [betrokkene 3] reden weg. [aangever 2] had een stuk van het gesprek opgenomen. Kort daarna kreeg [aangever 2] van [verdachte] een Snapchat dat hij naar buiten moest komen. [verdachte] gebaarde dat hij in de auto moest gaan zitten. Ze zijn naar de parkeerplaats bij het [D] gereden. [aangever 2] stapte uit met [betrokkene 3] en [verdachte] , het meisje bleef zitten. Hij zag en voelde dat [verdachte] hem direct een klap in zijn gezicht gaf op zijn linkerwang. Door de klap viel de bril van zijn hoofd. [verdachte] zei dat hij de opname moest verwijderen en dat hij de bankpas van [aangever 2] wilde. [aangever 2] wilde daarover nadenken. (...)
De begeleider van [aangever 2] zag op 12 maart dat één van de wangen van [aangever 2] roder was dan de andere.
[aangever 3] heeft in haar aangifte verklaard dat zij [betrokkene 3] leerde kennen op [E] in het [plaats] in [plaats] . Tijdens het kennismakingsgesprek met de groep heeft ze aangegeven dat ze een blowverslaving heeft). Op 9 maart 2018 stuurde [betrokkene 3] haar een Snapchat met de vraag of ze iemand kende die snel geld wilde verdienen. [aangever 3] was benieuwd en maakte die dag een afspraak met [betrokkene 3] . [betrokkene 3] kwam met een jongen in een donkerblauwe Volkswagen Golf naar haar woonplaats Varsseveld. Ze bleven maar pushen dat ze moest blowen. [betrokkene 3] vertelde haar dat ze een telefoonabonnement kon afsluiten. Diezelfde dag zou iemand die ze kenden bij het BKR haar registratie eruit halen. Ze had dan een telefoon maar geen abonnement. De telefoon zou dan weer verkocht worden. Omdat er volgens [betrokkene 3] en die andere jongen geen risico’s aan zaten, heeft ze ingestemd. Vanaf maandag zouden ze abonnementen gaan afsluiten en diezelfde dag zouden ze de telefoons weer doorverkopen aan mensen die [betrokkene 3] en de jongen kenden.
Maandag 12 maart had [aangever 3] in [plaats] afgesproken met [betrokkene 3] en de andere jongen. Ze hebben toen met de Volkswagen Golf nog een jongen opgehaald bij het begeleid wonen complex aan de [a-straat 1] . Die jongen zou dat weekend ook een abonnement hebben afgesloten, maar wilde nu niet meer. Voordat de jongen de auto weer uit ging, zag [aangever 3] dat de jongen een spraakopname had gemaakt. Ze vertelde dit tegen [betrokkene 3] . Ze zijn toen terug gereden, hebben de jongen weer opgehaald en zijn vervolgens naar het [F] gereden. Daar stapten [betrokkene 3] , de andere jongen en de zojuist opgehaalde jongen uit, en gaf de bestuurder de jongen een klap in zijn gezicht. Zijn bril werd van zijn hoofd geslagen. De bestuurder keek de telefoon van de jongen nog na. (...) De jongen wilde dit niet. [betrokkene 3] en de bestuurder hebben toen de jongen weer bij de [a-straat 1] afgezet. [aangever 3] is toen met [betrokkene 3] en de bestuurder naar Mediamarkt gereden. Daar hebben ze haar verteld wat ze moest zeggen. Ze zijn niet z'n drieën de Mediamarkt binnengelopen. Ze moest een telefoonabonnement van Tele2 afsluiten met een Iphone X. In de auto moest ze de telefoon en simkaart afgeven. Ze zijn daarna naar de Vodafonewinkel in [plaats] gegaan, waar ze een telefoonabonnement heeft afgesloten met een Iphone 8. Ze moest € 195,- bijbetalen. Daarna zijn ze naar de Mediamarkt in [plaats] gereden, waar [aangever 3] een telefoonabonnement van [C] met een Iphone 8 heeft afgesloten. Vooraf had ze € 120,- van [betrokkene 3] gekregen voor de bijbetaling. Ze zijn daarna naar [plaats] gereden, naar een parkeerplaats bij een sportcentrum, bij een sportschool [H] . [aangever 3] begreep dat ze de telefoons gingen verkopen. De bestuurder is uitgestapt en kwam na enige tijd terug. [betrokkene 3] zei op de terugweg dat er geen telefoons waren verkocht. [aangever 3] heeft [betrokkene 3] meermalen gevraagd het BKR te regelen. [betrokkene 3] zei steeds dat hij het zou regelen. Op dinsdagavond belde [betrokkene 3] dat het BKR geregeld was en dat ze woensdag de telefoons zouden verkopen en dat ze haar geld zou krijgen. Ze heeft daarna geen contact meer kunnen krijgen met [betrokkene 3] .
In het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de uitwerking van het opgenomen spraakbericht van [aangever 2] staat het volgende: “als jij zorgt dat jij die pasje gewoon hebt met code en die inlog dan regelen we alles vanavond BKR en die... dat komt goed Als het goed is.... dan wordt het sowieso niet morgen. Dat wordt overmorgen...”
Uit onderzoek naar de IMEI-nummers van de door [aangever 2] gekochte telefoons is de gebruiker van de IPhone 10 achterhaald. De gebruiker heeft verklaard de telefoon te hebben gekocht bij [G] in [plaats] . [betrokkene 9] (verder: [betrokkene 9] ), eigenaar van het bedrijf [G] , heeft verklaard dat hij de desbetreffende telefoon heeft gekocht van [betrokkene 12] . [betrokkene 11] heeft verklaard dat haar man, [betrokkene 12] , als bijnaam [betrokkene 12] heeft, in telefoons handelt en ook verkoopt aan [G] . [betrokkene 12] (verder: [betrokkene 12] ) heeft in een app-gesprek met [betrokkene 9] een foto gestuurd van een jongen. Deze foto was afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] en was als profielfoto ingesteld.
Verbalisant [verbalisant 7] herkent op deze foto [betrokkene 3] . [betrokkene 12] noemt zichzelf ook wel [betrokkene 12] en [betrokkene 9] heeft een eigen bedrijf, [G] .
[betrokkene 12] wordt een fotoblad met twee foto ’s getoond van twee personen. Op de linkerfoto staat [verdachte] en op de rechterfoto staat [betrokkene 3] . [betrokkene 12] herkent de rechterjongen als de jongen die hem twee keer telefoons verkocht heeft in [plaats] en één keer in [plaats] . Hij heeft van de linker jongen een keer bij de [H] school in [plaats] gekocht. Hij zei dat hij half Joegoslaaf was. Hij heeft een Iphone 8 en twee keer een Iphone X gekocht in de periodefebruari of maart 2018. Van de rechter jongen kocht hij een Iphone 8 of X. De linker jongen zei dat hij de telefoons had van jongens die geld nodig hadden en dat hij ze hielp. Er zat altijd een bon bij de telefoon. Bonnen van de KPN, Mediamarkt, T-Mobile en Vodafone.
Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij met [aangever 2] naar een telefoonwinkel in [plaats] is gegaan. [aangever 2] had een telefoonabonnement afgesloten. Daarna is hij met [aangever 2] naar een telefoonwinkel in [plaats] gegaan. Daar heeft [aangever 2] één of twee abonnementen afgesloten. [verdachte] heeft de telefoons van [aangever 2] doorverkocht. Hij is met [aangever 3] naar een aantal telefoonwinkels gegaan, waar [aangever 3] meerdere telefoonabonnementen heeft afgesloten. Verdachte heeft de telefoons doorverkocht.
Tot zover de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 waarmee het hof zich verenigt.
Het hof overweegt ten aanzien van de feiten 2 en 3 daarnaast nog het volgende: [aangever 2] is door de rechter-commissaris op 14 januari 2019 gehoord. Uit die verklaring blijkt dat [aangever 2] vanaf het begin bang was voor de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] .
Conclusie
Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 3] . De verklaring van [aangever 3] is concreet en specifiek op relevante onderdelen. Haar verklaring biedt steun aan de aangifte van [aangever 2] . Bovendien heeft [aangever 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vanaf het begin bang was voor verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] . Daarbij komt dat de door [aangever 2] beschreven werkwijze van verdachte past binnen de beschreven modus operandi.
De ontkenning van verdachte dat hij [aangever 2] heeft mishandeld (feit 3) acht het hof niet aannemelijk. De aangifte van [aangever 2] wordt namelijk ondersteund door de verklaring van [aangever 3] , die heeft gezien dat [aangever 2] door [verdachte] wordt geslagen. Getuige [betrokkene 5] zag kort daarna een rode wang bij [aangever 2] .
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [aangever 2] door verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] is gedwongen tot het afsluiten van telefoonabonnementen en tot het afgeven van de daarmee verkregen telefoons door dreiging van geweld en de feitelijkheden (feit 2). Daarbij is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het vierde en zevende gedachtestreepje nu die handelingen verdachte niet hebben bewogen tot het afsluiten van de telefoonabonnementen. De telefoonabonnementen waren immers al afgesloten toen aan [aangever 2] om zijn bankpas en code werd gevraagd en toen hij werd bedreigd. Daarna heeft [aangever 2] geen telefoonabonnementen meer afgesloten.
Voorts acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 2] heeft mishandeld door hem in het gezicht te slaan, zoals onder feit 3 is tenlastegelegd.
Feit 5:
De rechtbank heeft met betrekking tot dit feit het volgende overwogen waarbij het hof zich aansluit:
[aangever 4] heeft verklaard dat hij via een vriend in contact is gekomen met [betrokkene 3] . [betrokkene 3] en [verdachte] vertelden over het frauderen met telefoonabonnementen. Ze zeiden dat hier veeI geld mee te verdienen was. Ze lieten [aangever 4] veel contant geld zien. rond de € 800,-. Ze zeiden dat ze een mannetje bij het BKR hadden zitten die registraties weg kon halen.
Begin februari 2018 zeiden [verdachte] en [betrokkene 3] dat [aangever 4] een telefoonabonnement moest gaan afsluiten. Ze zouden de telefoon doorverkopen en [aangever 4] zou een deel van het geld krijgen. Op 5 februari 2018 zijn ze samen naar het centrum van [plaats] gereden. Ze stelden hem gerust door te zeggen dat het goed was. Bij de Tele2 winkel heeft hij een telefoonabonnement met een Iphone 8 afgesloten. [betrokkene 3] en [verdachte] zijn meegelopen de winkel in. [aangever 4] heeft de telefoon in de auto aan [verdachte] gegeven. Hij zou € 600,- krijgen voor de verkoop van dit toestel. Op 7 februari 2018 moest [aangever 4] bij de Mediamarkt een telefoonabonnement afsluiten. Dat mislukte. Ze zijn doorgereden naar de Mediamarkt in [plaats] . Daar heeft [aangever 4] een abonnement afgestolen, maar hij kon de Iphone 8 pas later ophalen. Deze telefoon heeft hij later ook aan [verdachte] gegeven. Ook voor deze telefoon zou hij € 600,- krijgen. Ze zijn die dag doorgereden naar de Mediamarkt in [plaats] en daar heeft [aangever 4] een abonnement afgesloten met een Iphone X. Hij heeft deze telefoon overgedragen aan [verdachte] . [betrokkene 3] en [verdachte] gaven uitdrukkelijk aan dat ze eerst de telefoon moesten verkopen en dat hij dan pas zijn geld zou krijgen. Na 7 februari hoorde [aangever 4] niets meer van [verdachte] en [betrokkene 3] . Hij heeft geen geld ontvangen van [betrokkene 3] en/of [verdachte] .
Getuige [betrokkene 17] heeft rond 14 februari 2018 whatsapp-contact gehad met telefoonnummer [telefoonnummer 7] om een Iphone 8 te kopen. Hij heeft deze telefoon gekocht voor een cash bedrag van € 550,-. Verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] herkennen de hun ambtshalve bekende [betrokkene 3] op de profielfoto van telefoonnummer [telefoonnummer 7] .
Verdachte heeft verklaard dat hij met [aangever 4] naar verschillende telefoonwinkels in [plaats] en andere plaatsen is gegaan, waar [aangever 4] meerdere telefoonabonnementen heeft afgesloten. Hij heeft de telefoons weer verkocht.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1, 4 en 5
De vraag is of de tenlastegelegde feiten onder 1, 4 en 5 onder dwang van of door het voorwenden van leugens door verdachte (en/of anderen) hebben plaatsgevonden. Daarbij speelt de modus operandi een rol alsmede de vraag of schakelbewijs kan worden toegepast. Van belang is voorts of sprake is geweest van een samenweefsel van verdichtsels. De rechtbank overweegt over het steunbewijs voor de aangiften van [aangever 3] en [aangever 4] het volgende.
De aangifte van [aangever 3] wordt ondersteund door de verklaring van [aangever 2] . Hij ziet een meisje in de auto zitten op het moment dat hij wordt opgehaald om telefoonabonnementen af te sluiten. Verdachte heeft verklaard dat hij met [aangever 3] en [aangever 2] in de auto heeft gezeten en met hen mee is gelopen naar (telefoon)winkels om telefoonabonnementen afte sluiten. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de verklaring van [aangever 3] , omdat haar verklaring verder bevestiging vindt in de modus operandi zoals beschreven in de aangiften van [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 4] .
De aangifte van [aangever 4] wordt ondersteund door de verklaring van verdachte [verdachte] dat hij met [aangever 4] mee is gegaan naar telefoonwinkels om telefoonabonnementen met telefoons af te sluiten. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de verklaring van [aangever 4] , omdat zijn aangifte verder bevestiging vindt in de modus operandi zoals beschreven in de aangiften van [aangever 1] , [aangever 3] en [aangever 2] .
Schakelbewijs
De Hoge Raad laat het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen toe als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs). Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.
De rechtbank overweegt dat de feiten in de relatief korte periode van januari 2018 tot en met maart 2018 plaatsvonden, dat daarbij telkens dezelfde modus operandi werd toegepast en telkens dezelfde (telefoon)winkels gevestigd in [plaats] , [plaats] en [plaats] , werden bezocht. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het bewijs ten aanzien van feit 2 ( [aangever 2] ) als schakelbewijs in onderlinge samenhang bezien, redengevend is voor de feiten 1, 4 en 5.
Samenweefsel van verdichtsels
Door verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 3] is tegen [aangever 3] en [aangever 4] gezegd dat zij geld zouden verdienen aan de door verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] gepresenteerde constructie. Vaststaat wel dat in werkelijkheid in deze constructie voor de afsluiters van de abonnementen geen geld te verdienen viel. Zij zaten immers vast aan de contractuele verplichtingen van hel abonnement. De genoemde BKR-optie bestaat en bestond niet. De rechtbank stelt hiermee vast dat het misleidend is geweest te zeggen dat er door [aangever 3] en [aangever 4] geld verdiend zou kunnen worden met de gepresenteerde constructie. Uit de feiten en omstandigheden blijkt immers dat er door [aangever 3] en [aangever 4] niets kon worden verdiend. Zij worden tot op de dag van vandaag geconfronteerd met de kosten. Zelfs al zouden [aangever 3] en [aangever 4] een deel van de opbrengst van de verkoop van de telefoons hebben ontvangen, dan zouden zij daarvan de maandelijkse kosten van de telefoonabonnementen nooit hebben kunnen voldoen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het eveneens misleidend is geweest dat "iemand bij de BKR" de BKR registraties van [aangever 3] en [aangever 4] uit het systeem zou halen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het BKR een instelling is die uitsluitend leningen van personen registreert, en dat het BKR niet de bevoegdheid heeft om lopende contracten, aangegane schulden teniet te doen. Dit maakt dat de rechtbank concludeert dat de werkwijze van verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 3] een samenweefsel van verdichtsels is, nu de werkwijze een verband van leugens is geweest die elkaar wederkerig een bedrieglijke schijn van de waarheid hebben gegeven.
Tussenconclusie ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5.
Op grond van vorenstaande (het hof: genoemde) bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde en dat daarbij sprake is geweest van medeplegen.
De rechtbank is namelijk van oordeel dat, gelet op de aangiftes van [aangever 1] , [aangever 3] en [aangever 4] en de getuigenverklaring van [betrokkene 12] , waaruit blijkt dat [verdachte] en [betrokkene 3] in de tenlastegelegde periode verkopers van mobiele telefoons waren, en gelet op de overige feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. De rollen van verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] waren inwisselbaar en de bekendheid met de aangever was doorslaggevend of [verdachte] of [betrokkene 3] de leiding nam in de benadering tot en communicatie met de aangevers. De werkwijze - modus operandi - bleef bij alle bewezenverklaarde feiten nagenoeg gelijk. Ten aanzien van feit 1 primair - de afpersing van [aangever 1] - hebben verdachte en zijn medeverdachte beiden een rol gespeeld in deze afpersing. Dat verdachte niet aan de uitvoering van alle onderdelen, zoals geformuleerd onder de gedachtestreepjes, heeft deelgenomen, doet daar niet aan af.
Eindconclusie van het hof met betrekking tot het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde.
Op basis van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof net als de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het hem onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en samen met een ander het hem onder feit I primair heeft begaan en samen met medeverdachte [betrokkene 3] feit 2 primair, feit 4 primair en feit 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.”

Het eerste middel

8. Het eerste middel klaagt dat de bewijsvoering voor het onder 1 bewezen verklaarde feit (betrokkene [aangever 1] , afpersing) niet redengevend is voor het bewijsoordeel. Het middel valt uiteen in een aantal deelklachten, waarvan ik de volgende deelklachten puntsgewijs beschrijf en telkens direct bespreek.
9. De steller van het middel klaagt in de eerste plaats (randnummer 11 van de schriftuur) dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [aangever 1] een kwetsbare persoon is.
10. Wat betreft de vraag of (ook) [aangever 1] een kwetsbaar persoon is, heeft de steller van het middel tot op zekere hoogte een punt: de persoon van [aangever 1] wordt door het hof niet besproken onder de overwegingen omtrent de modus operandi. Wel kan uit de bewijsvoering worden afgeleid dat [aangever 1] zich makkelijk laat overhalen voor geld en dat hij in de auto is bedreigd en onder druk is gezet. Voorts kan uit de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 15] worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte ‘bepaalde personen’ (lees: makkelijke slachtoffers) bewust uitzochten. Dat is een aanwijzing dat ook [aangever 1] behoort tot deze categorie van personen. Dat de persoon van [aangever 1] niet uitdrukkelijk wordt besproken, doet aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering m.i. voor het overige niet af.
11. De tweede deelklacht (randnummer 11, eerste helft) luidt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gehoord dat de aangever [aangever 1] is bedreigd.
12. Uit de bewijsvoering volgt dat in de auto tegen [aangever 1] bedreigingen zijn geuit, terwijl de verdachte de bestuurder van die auto was. Daaruit mocht het hof m.i. afleiden dat de verdachte heeft gehoord wat tegen [aangever 1] is gezegd.
13. De derde deelklacht (randnummer 11, tweede helft) luidt dat uit de bewijsvoering het bewezen verklaarde ‘afnemen’ van de telefoons van [aangever 1] niet kan volgen: zijn tot bewijs gebezigde verklaring houdt in dat hij de telefoons aan de verdachte en/of de medeverdachten heeft ‘afgestaan’.
14. Allereerst merk ik op dat over een bepaalde mate van tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring in cassatie op zichzelf géén klacht is geformuleerd. De verdachte wordt onder 1 (afpersing) onder meer verweten dat hij (samen met een ander) “
[aangever 1] heeft gedwongen tot deafgiftevan meerdere mobiele telefoons”, terwijl in de bewezenverklaring vervolgens feitelijk wordt omschreven dat de verdachte en/of zijn mededader “
de telefoons van [aangever 1] hebbenafgenomen”. Ik begrijp ook wel waarom de steller van het middel hiervan geen punt heeft willen maken. Onder omstandigheden van dwang en dreiging zijn het (onvrijwillig) ‘afgeven’ en ‘afnemen’ nagenoeg inwisselbaar. [2] Echter, juist om die reden snijdt hetgeen waarover wél wordt geklaagd geen hout. Ik zal dat uitleggen.
15. Nadat [aangever 1] na de hiervoor besproken bedreiging en vervolgens onder begeleiding naar de telefoonwinkel was gegaan (en teruggekeerd), heeft de verdachte de door [aangever 1] aangeschafte telefoons in ontvangst genomen. Het “
moeten afstaan” van de telefoons (aan de verdachte, aldus [aangever 1] ) kan onder die omstandigheden worden vereenzelvigd met het ‘afnemen’ van telefoons, zoals feitelijk omschreven.
16. In randnummer 12 voert de steller van het middel vervolgens aan dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had op de afpersing.
17. Ook hierin gaan de geachte steller van het middel en ik uiteen. Het opzet van de verdachte kan worden afgeleid uit ‘s hofs vaststellingen dat er een van tevoren opgezet plan was om ‘bepaalde personen’ over te halen/te dwingen om telefoons aan te schaffen, hen daarbij in een auto met anderen te vervoeren naar een verkooppunt, waarna de druk werd opgevoerd om door te gaan met het plan en de telefoons uiteindelijk werden ingenomen.
18. In randnummer 13 wordt geklaagd over de bewezenverklaring van ‘medeplegen’.
19. De bewijsvoering – beschouwd in onderling verband en samenhang – wijst m.i. uit dat de verdachte bij de uitvoering van de delicten een (niet steeds exact dezelfde) essentiële rol vervulde. Dat alles duidt op een van tevoren afgesproken plan, zoals medeverdachten van andere feiten ook uit de doeken hebben gedaan tegenover [betrokkene 4] en [betrokkene 15] . In het geval van [aangever 1] is de verdachte als bestuurder meegegaan en heeft hij in de auto gehoord dat [aangever 1] onder druk werd gezet. Hij heeft gezien dat twee jongens met de bedreigde meeliepen naar telefoonwinkels. [aangever 1] moest de telefoons aan hem afstaan, waarna de verdachte zelf die telefoons doorverkocht. Een en ander geeft blijk van nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte (ook) aan het jegens [aangever 1] begane delict van voldoende gewicht is geweest. [3]
20. Over de redengevendheid en het gebruik van schakelbewijs (randnummer 14) merk ik op dat deze klacht min of meer is ingestoken als een voorwaardelijke klacht, met als voorwaarde dat middel 2 gegrond zal worden verklaard. Hieronder zal ik betogen dat aan die voorwaarde niet kan worden voldaan.
21. Het eerste middel faalt in alle onderdelen.

Het tweede middel

22. Het tweede middel klaagt dat de bewijsvoering voor het onder 2 bewezen verklaarde feit (betrokkene: [aangever 2] , afpersing) niet redengevend is voor het bewijsoordeel. De steller van het middel werpt op dat de feiten en omstandigheden zoals bewezen verklaard geen ‘bedreiging met geweld’ opleveren.
23. De door de steller van het middel aangesneden kwestie verdient in cassatie inderdaad de nodige aandacht. De bewezenverklaring van afpersing “
door bedreiging met geweld” vermeldt (ik maak een selectie) dat de verdachte en zijn mededader op een dwingende toon tegen [aangever 2] hebben gezegd dat hij een of meerdere telefoonabonnementen moest afsluiten, dat zij [aangever 2] met de auto hebben opgehaald en naar de (telefoon)winkels hebben gebracht en mee de winkel in zijn gelopen en vervolgens de telefoons van [aangever 2] hebben afgenomen en (aldus) een voor [aangever 2] bedreigende situatie hebben geschapen. De vraag rijst of die omstandigheden kunnen worden aangemerkt als ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in artikel 317 Sr Pro.
24. Bij de boordeling van de vraag of de in de bewezenverklaring opgenomen omstandigheden het stempel ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in artikel 317 Sr Pro kan worden toegekend, zal m.i. acht moeten worden geslagen op de context van de zaak voor zover de door het hof vastgestelde omstandigheden daarvan blijk geven. In dit verband zijn twee aspecten van essentieel belang. In de eerste plaats heeft het hof uiteengezet dat (en waarom) [aangever 2] een ‘kwetsbaar persoon’ betreft. [aangever 2] lijdt, zo blijkt, aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis, een vorm van autisme die voorafgaand aan de publicatie van de DSM-5 ‘PDD NOS’ werd genoemd. [aangever 2] verblijft in een instelling voor begeleid wonen, is gemakkelijk beïnvloedbaar en denkt snel bevriend te zijn met iemand, aldus zijn begeleiders. In de tweede plaats volgt uit de bewijsmotivering dat [aangever 2] precies vanwege zijn hier bedoelde ‘kwetsbaarheid’ door de verdachte en de medeverdachte is uitgekozen.
25. Van bedreiging met geweld kan ook sprake zijn indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd, dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is, aldus oordeelde de Hoge Raad. [4] De omstandigheid dat de kwetsbaarheid van het slachtoffer als (persoons)kenmerk welbewust wordt uitgebuit, mag daarbij niet uit het oog worden verloren. [5] Wanneer de dader zijn doel bereikt door met de toonzetting en het dwingende karakter van zijn woorden voor het kwetsbare slachtoffer een dreigende situatie te creëren, kan hij dat niet afwimpelen met een beroep op consensualiteit van de zijde van het slachtoffer. [6]
26. In de voorliggende zaak is [aangever 2] op dwingende toon toegesproken, nadat hij was opgehaald bij de instelling waar hij verbleef. Hij is vervolgens in een auto gezet waar indringend op hem werd ingepraat. Hij is met instructies naar telefoonwinkels gestuurd. [aangever 2] verklaarde bang te zijn en een begeleider van [aangever 2] verklaarde later dat [aangever 2] overstuur was omdat hij was meegegaan met jongens wier ‘reputatie’ (van gangsters) hij kende. De dwingende toon waarmee [aangever 2] was toegesproken kan worden afgeleid uit de aangifte, bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat [aangever 2] geen ‘nee' durfde te zeggen omdat hij bang was, dat hij de indruk kreeg van de verdachte en de medeverdachte dat deze hem kapot zouden maken, vanwege de manier waarop de verdachte tegen hem praatte en hoe hij verder deed, en dat dat dwingend overkwam. Bij die stand van zaken kan bij de aangever de gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat hem geweld zou worden aangedaan als hij niet aan bepaalde eisen zou voldoen. Ik wijs er bovendien op dat die angst voor geweld niet onterecht bleek toen [aangever 2] op een later moment daadwerkelijk door de verdachte in zijn gezicht werd geslagen (al droeg dat geweld volgens het hof niet bij aan de bewezen verklaarde afgifte van de iPhones).
27. Dat er in de bewijsvoering ook momenten kunnen worden aangewezen waarop [aangever 2] iets durfde te weigeren of dat uit een door [aangever 2] opgenomen deel van een gesprek niet blijkt van bedreiging, kan daaraan niet afdoen.
28. Het tweede middel faalt.

Het derde middel en het vierde middel

29. Het derde en het vierde middel komen net als de eerste middelen op tegen de redengevendheid van de bewijsvoering, maar dan met betrekking tot de onder 4 en 5 bewezen verklaarde oplichtingen (feit 4: betrokkene [aangever 3] ; feit 5: betrokkene [aangever 4] ).
30. Het gaat in de klacht om het bewijs van een ‘samenweefsel van verdichtsels’. Gelet op de bewezenverklaringen moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de aangevers door een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zijn bewogen om de door hen aangeschafte telefoons af te geven. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het naar het oordeel van de Hoge Raad in de kern om gesproken of geschreven uitingen die bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen die is gebaseerd op ‘méér dan één enkele’ leugenachtige mededeling. [7]
31. De steller van het middel keert zich tegen de bewezenverklaring van één van de twee leugenachtige mededelingen die – bij wijze van feitelijke omschrijving van het delict – in de bewezenverklaringen van feit 4 en feit 5 zijn opgenomen. Als deze onderdelen uit de bewezenverklaringen zouden wegvallen, is er van ‘een samenweefsel van verdichtsels’ geen sprake meer, zo begrijp ik de strekking van de klacht. Dat betreft de mededelingen aan [aangever 3] respectievelijk [aangever 4] :
(feit 4) “
dat de telefoons zouden worden verkocht en dat [aangever 3] er geld mee zou verdienen,” en (feit 5) “
dat de telefoons zouden worden verkocht en dat [aangever 4] er geld mee zou verdienen en aan die [aangever 4] veel geld laten zien”.
32. De steller van het middel wijst in de toelichting op het derde middel op het volgende: “
Uit de bewijsmiddelen kan niet blijken dat de opmerking dat de telefoons zouden worden verkocht en dat [aangever 3] er geld mee zou verdienen in strijd met de waarheid was en/of dat [aangever 3] geen geld heeft gekregen. In zijn overwegingen dienaangaande gaat het gerechtshof, de overwegingen van de rechtbank overnemend, er vanuit dat er geen geld kón worden verdiend, omdat de aangevers vastzaten aan het abonnement en het ze op die manier alleen maar geld zou kosten: (…). Nu evenwel niet uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat er met de bedachte constructie geen geld kon worden verdiend en dit een te betwisten en feitelijk ook betwiste aanname is van het gerechtshof, is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.” Ten aanzien van [aangever 4] , in de toelichting op het vierde middel, brengt de steller van de middelen eenzelfde betoog naar voren.
33. Ik kan de steller van het middel op dit pad niet volgen en ik meen dat ik niet hoef uit te leggen waarom.
34. In de tweede plaats betoogt de steller van het derde en het vierde middel dat, nu de kwetsbaarheid van de aangevers, [aangever 3] en [aangever 4] , zoals volgt uit de bewijsvoering, niet door het hof is betrokken bij het oordeel dat in casu sprake is van oplichting, dat deze aangevers niet worden beschermd door de strafbaarstelling van oplichting, kort gezegd omdat een weldenkend mens niet in de mededelingen van de verdachte zou mogen trappen. Bovendien volgt niet uit de door het hof vastgestelde achtergronden van [aangever 3] en van [aangever 4] dat die (telkens) van invloed is op het vermogen om een onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen.
35. Ook hierin wijk ik af van de steller van het middel. Het hof heeft weliswaar bij de overwegingen specifiek over de oplichting niet de persoon van aangevers betrokken, maar wel in de bewijsoverwegingen mede ten aanzien van dit feit hun achtergronden meegewogen. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte specifiek personen aanzochten die, op zijn minst, makkelijk te beïnvloeden zijn, mensen benaderden die begeleid wonen. Het hof heeft deze omstandigheid betrokken en ook mógen betrekken in zijn oordeel over het bewijs van een ‘samenweefsel van verdichtsels’. [8] De onder het derde en vierde middel voorgelegde klachten doen daaraan ook overigens niet af.
36. Het derde en vierde middel falen eveneens.

Het vijfde middel

37. Het vijfde middel komt op tegen de beslissing van het hof om de Volkswagen Golf verbeurd te verklaren.
38. Het hof heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:

11. Beslag
Het onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.”
39. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn op de voet van artikel 33a lid 1 sub c Sr voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de in beslag genomen Volkswagen Golf, die de verdachte toebehoort, dienend was bij de voorbereiding en uitvoering van bewezen verklaarde strafbare feiten en in die zin daarbij is gebruikt. De wagen werd onder meer benut om de beoogde slachtoffers naar telefoonwinkels te brengen en om hen in een relatief afgezonderde ruimte (in de buurt van die winkels) onder druk te (kunnen) zetten. Ik meen dat de door artikel 33a lid 1 sub c Sr geëiste, instrumentele relatie tussen het voertuig en de bewezen verklaarde delicten daarmee in voldoende mate vaststaat.
40. Het vijfde middel deelt het lot van de vorige middelen.

Slotsom

41. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
42. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn in cassatie zal worden/is overschreden, omdat de Hoge Raad niet voor 26 oktober 2023 uitspraak doet. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
43. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.“welk geweld en/of” is hier abusievelijk blijven staan.
2.HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5232,
3.Zie over ‘medeplegen’: HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
4.Zie het geval van HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225,
5.Ik verwijs in dit verband graag naar de conclusie van A-G Keulen vóór HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:657 (HR: 81 RO), te weten de conclusie van 3 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:189 (waarnaar de steller van het middel overigens ook verwijst). Het ging in die zaak om een 92-jarig slachtoffer dat ’s nachts in haar woning door de daders werd opgezocht en uitgescholden, waarna haar meermalen op dwingende toon te verstaan werd gegeven dat zij haar pincode moest afgeven. “
6.Over het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ bij afpersing gaat de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1296. Machielse wijst onder meer op HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1118,
7.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892,
8.Omtrent de achtergronden van de persoon van het slachtoffer overwoog de Hoge Raad in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892,