Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is. De door de verdachte uitgesproken (scheld)woorden en het door verdachte vragen naar de pincode van aangeefster zouden niet zonder meer kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van diefstal met bedreiging met geweld.
- tegen voornoemde [slachtoffer] hebben gezegd: “oude rothoer, ga naar je nest, met je gezicht naar de muur” en
- (daarbij) eenmaal of meermalen aan voornoemde [slachtoffer] hebben gevraagd wat haar pincode was;’
als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:
BFK: samengevat een ING bank pinpas, een Rabobank pinpas, een ID-kaart, een rijbewijs, de omschreven kettingen met twee horloges, een schoudertas, een rugtas en een mobiele telefoon)
als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:
als relaas van verbalisant:
(…)
MP: (…) Wat wilden ze allemaal van u?
als verklaring van verdachte:
als relaas van verbalisanten:
als verklaring van getuige [betrokkene 1]:
verdachteafgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden- Nederland op 5 september 2017 voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:
(21-11-2016 te 7.17.50 uur)
als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:
als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:
als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:
als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:
het hof begrijpt: 9 november 2016) werd om 13.50 uur het volgende bericht gestuurd: 'Zit al de hele dag met jas aan. Maar niks hoor maar zal die code krijgen.' (...)
verdachteafgelegd ter terechtzitting van dit hof op 7 december 2018 voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
. Als u het zo leest, zegt u, dan heb ik het plan van A tot Z bedacht en heb ik medeverdachte op pad gestuurd. Dat klopt.’
Het standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
NJ2009/499. De verdachte had samen met een medeverdachte op het eiland Curaçao een overval gepleegd op een filiaal van de Girobank. Het Gemeenschappelijk Hof had vastgesteld dat de twee overvallers gekleed in donkerblauwe overalls, hun hoofden en gezichten bedekt met mutsen waarin ooggaten waren aangebracht de bank binnen waren gestormd, dat één van de daders een beveiligingsmedewerker een duw gaf, dat één van hen naar een beveiligingsmedewerker richtte en naar hem wees met zijn linkerhand, dat één van hen een portofoon uit de handen van een beveiligingsmedewerker rukte, dat één van hen riep ‘Iedereen stil blijven staan’, en dat één van de aanwezigen heeft verklaard dat zij bang was toen ze de bankovervallers zag. Op grond van die vaststellingen had het hof ‘bedreiging met geweld’ in de zin van art. 325, eerste lid, SrNA bewezenverklaard. De delictsomschrijving in dat artikellid komt overeen met die van art. 312, eerste lid, Sr. In cassatie werd geklaagd dat het hof aan het begrip ‘bedreiging met geweld’ een te ruime uitleg had gegeven. Uw Raad oordeelde dat gelet op de vaststellingen van het hof het oordeel dat sprake was van ‘bedreiging met geweld’ in de zin van genoemd artikel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij overwoog Uw Raad:
NJ1988/785 m.nt. Van Veen, betrof een veroordeling wegens verkrachting. De verdachten waren met de twee slachtoffers naar een afgelegen plek op een industrieterrein gereden en hadden, in de bewoordingen van het hof, ‘mede door de onverbiddelijke doelgerichtheid van hun gedragingen waarbij geen spoor van mededogen met de meisjes werd getoond, een situatie geschapen waarvan voor deze meisjes de dreiging uitging dat als zij niet zouden toegeven, geweld van de kant van de verdachten hun deel zou zijn’. Uw Raad verwierp het middel met een overweging die in de kern gelijkluidend was aan die welke in het voorgaande randnummer is geciteerd. [2]
NJ2015/245 m.nt. Reijntjes was afpersing van en diefstal met geweld jegens een pizzakoerier bewezenverklaard. Uw Raad leidde uit ‘s hofs vaststellingen af dat de pizzakoerier ’s avonds naar een adres met een niet bestaand huisnummer was gelokt, dat de daders hem daar op straat met een paar man hadden opgewacht, dat twee van hen hun gelaat hadden bedekt en dus kennelijk niet herkend wilden worden, en dat zij de pizzakoerier op agressieve wijze hadden gezegd dat hij geld moest geven. Uw Raad overwoog dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met geweld vereist is ‘dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend’ en dat ’s hofs oordeel dat van bedreiging met geweld in deze zin sprake was ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk was. [3] Hofstee wijst er nog op dat het geweld of de bedreiging met geweld bij afpersing (anders dan bij art. 312 Sr Pro) niet iemand in persoon behoeft te betreffen. [4]
tweedemiddel klaagt over schending van de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn.