Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld, medeplegen van diefstal met valse sleutel, bezit van meerdere vuurwapens en een nepvuurwapen.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over de bewijskracht met betrekking tot bedreiging met geweld en een klacht over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijskracht niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een gegrond cassatiemiddel opleverde.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van vijf jaar en zes maanden naar vijf jaar en vier maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.