ECLI:NL:HR:2020:657

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2020
Publicatiedatum
14 april 2020
Zaaknummer
19/00043
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1.4 SrArt. 312.1 SrArt. 311.1.5 SrArt. 26.1 WWMArt. 13.1 WWM
Verwijzingen
6 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak medeplegen diefstal met geweld en wapenbezit

De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld, medeplegen van diefstal met valse sleutel, bezit van meerdere vuurwapens en een nepvuurwapen.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over de bewijskracht met betrekking tot bedreiging met geweld en een klacht over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijskracht niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een gegrond cassatiemiddel opleverde.

Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van vijf jaar en zes maanden naar vijf jaar en vier maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00043
Datum14 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 december 2018, nummer 21/005115-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vier maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2020.